id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.6 Rolnummer: P.23.0723.N Zaak: P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-11-10 Raadplegingen: 552 - laatst gezien 2026-06-17 10:00 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 De artikelen 8.1.9° en 8.29 Burgerlijk Wetboek over het feitelijk vermoeden zijn niet van toepassing op de bewijsregeling in strafzaken
(1).
(1)Cass. 31 januari 2023, AR P.22.0392.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230131.2N.8, AC 2023, nr.
- Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.1.9° - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.29 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Fiches 2 - 3 Artikel 14, § 2, eerste lid, Probatiewet bepaalt dat het probatie-uitstel kan worden herroepen indien degene voor wie die maatregel is genomen de opgelegde voorwaarden niet naleeft; de gedeeltelijke of gehele niet-naleving van één voorwaarde of meerdere voorwaarden die aan de veroordeelde kan worden verweten, kan een herroeping van het probatie-uitstel verantwoorden; de rechter die moet beslissen over een herroepingsvordering oordeelt onaantastbaar of de veroordeelde een voorwaarde gedeeltelijk of geheel niet heeft nageleefd en of die niet-naleving hem kan worden verweten; bij die beoordeling kan de rechter het doel van de opgelegde voorwaarde betrekken en moet de voorwaarde in haar geheel worden gelezen; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEUITSTEL Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 14, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 14, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0723.N K. W. M. P., persoon tegen wie de herroeping van het probatie-uitstel wordt gevorderd, eiser, met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 28 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 14, § 2, Probatiewet: het arrest kan uit de vaststellingen die het bevat niet afleiden dat de eiser de voorwaarde “zich, bij wijze van vorming, in overleg en samenspraak met de probatiecommissie verder psychologisch en, na advies door de therapeuten en conform hun voorstel, ambulant of residentieel laten begeleiden met betrekking tot zijn seksuele problematiek zolang als nodig geacht door de therapeuten, justitieassistent en of probatiecommissie en deze begeleiding niet stopzetten dan na gunstig advies van de therapeuten” niet heeft nageleefd; het arrest stelt vast dat de eiser zich liet begeleiden bij psychologe C.D. en dat hij enkel deze ambulante begeleiding verder wilde zetten, dat deze ambulante begeleiding moeilijk liep omdat de eiser bezorgd was over de verslaggeving van de psychologe aan de justitiële diensten en dat er geen advies voorligt van de therapeuten betreffende de gepaste behandelingswijze – ambulant of residentieel – omdat de eiser niet gemotiveerd is zich residentieel te laten begeleiden wat het nut van een dergelijke begeleiding automatisch uitsluit; uit die vaststelling vloeit eensdeels voort dat de eiser zich met betrekking tot zijn seksuele problematiek ambulant heeft laten behandelen zodat er op dit punt geen schending is van de voorwaarde; anderdeels stelt het arrest niet vast dat er een advies is dat inhoudt dat de eiser zich residentieel diende te laten behandelen, zodat niet kan worden geoordeeld dat de eiser het advies om zich residentieel te laten behandelen niet heeft opgevolgd en dus niet kan worden besloten tot een schending van de voorwaarde wat dit punt betreft. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.1.9° en 8.29 Burgerlijk Wetboek: uit de vaststellingen die het arrest bevat en die inhouden dat de eiser niet gemotiveerd is om zich met betrekking tot zijn seksuele problematiek te laten begeleiden, kan het arrest niet afleiden dat het niet mogelijk is om over de voor de eiser gepaste begeleiding advies in te winnen; het arrest oordeelt als volgt: 1) de eiser weigerde in te gaan op het voorstel van de justitieassistente om op intakegesprek te gaan bij een externe dienst (het UFC) voor advies over de invulling van de begeleidingsvoorwaarde omdat hij hiervoor moeilijk verlof zou kunnen nemen en uit vrees voor een uiteindelijke aanbeveling tot residentiële opname; 2) hij wilde enkel de ambulante behandeling verderzetten en hij herhaalde voor de eerste rechter dat hij niet gemotiveerd was voor een residentiële opname; 3) in conclusies argumenteerde hij dat een residentiële behandeling nefast zou zijn voor zijn herstelproces en sociale reclassering, zodat de begeleiding beperkt diende te worden tot een ambulante begeleiding; 4) de eigenzinnige houding van de eiser waarbij een residentiële opname op voorhand werd afgewezen, sluit het nut van een dergelijke begeleiding automatisch uit; 5) het formeel akkoord van de eiser op intake bij het UFC is opportunistisch en louter ingegeven door een poging om een herroeping te vermijden; 6) hij is niet oprecht gemotiveerd voor een residentiële opname, zodat deze optie ter gelegenheid van een intake de facto niet aan de orde komt en een gespecialiseerd advies niet alle opties in overweging kan nemen, waardoor dit bij voorbaat gebrekkig is; daaruit kan niet worden afgeleid dat er geen mogelijkheid is om een advies in te winnen over de gepastheid van een ambulante dan wel een residentiële begeleiding.
- De artikelen 8.1.9° en 8.29 Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op de bewijsregeling in strafzaken.
- Artikel 14, § 2, eerste lid, Probatiewet bepaalt dat het probatie-uitstel kan worden herroepen indien degene voor wie die maatregel is genomen de opgelegde voorwaarden niet naleeft.
- De gedeeltelijke of gehele niet-naleving van één voorwaarde of meerdere voorwaarden die aan de veroordeelde kan worden verweten, kan een herroeping van het probatie-uitstel verantwoorden.
- De rechter die moet beslissen over een herroepingsvordering oordeelt onaantastbaar of de veroordeelde een voorwaarde gedeeltelijk of geheel niet heeft nageleefd en of die niet-naleving hem kan worden verweten. Bij die beoordeling kan de rechter het doel van de opgelegde voorwaarde betrekken en moet de voorwaarde in haar geheel worden gelezen.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
- Aan de eiser was de volgende probatievoorwaarde opgelegd: “
- zich, bij wijze van vorming, in overleg en samenspraak met de probatiecommissie verder psychologisch en, na advies door de therapeuten en conform hun voorstel, ambulant of residentieel laten begeleiden met betrekking tot zijn seksuele problematiek zolang als nodig geacht door de therapeuten, justitieassistent en of probatiecommissie en deze begeleiding niet stopzetten dan na gunstig advies van de therapeuten”.
- Het arrest oordeelt door overname van de redenen van het beroepen vonnis en met eigen redenen als volgt: - de eiser stemde uitdrukkelijk in met de probatievoorwaarde om zich in overeenstemming met het advies van de therapeuten psychologisch en ambulant of residentieel te laten begeleiden met betrekking tot zijn seksuele problematiek; - uit de samenlezing van het aanvangsverslag van 28 juni 2021, het meldingsverslag van 10 augustus 2021 en de uittreksels uit de notulen van de probatiecommissie van 30 augustus 2021 en 27 september 2021 blijkt dat de ambulante behandeling bij psychologe C.D. moeizaam verliep omdat de eiser bezorgd was over de verslaggeving van deze psychologe aan de justitiële diensten; - op het voorstel van de justitieassistente om op intakegesprek te gaan bij een externe dienst (het UFC) voor advies over de invulling van deze begeleidingsvoorwaarde, weigerde de eiser zijn medewerking omdat hij daarvoor moeilijk verlof zou kunnen nemen en uit vrees voor een uiteindelijke aanbeveling tot residentiële begeleiding; - de eiser wilde enkel de ambulante begeleiding verderzetten; - voor de eerste rechter herhaalde de eiser dat hij niet gemotiveerd was voor een residentiële opname; - ook in de op 22 november 2022 ingediende conclusie argumenteert de eiser dat een residentiële opname nefast zou zijn voor zijn herstelproces en sociale reclassering, zodat de begeleiding diende te worden beperkt tot een ambulante begeleiding; - het vonnis waarbij de probatievoorwaarden werden opgelegd, verwees naar het verslag van de forensisch psychiatrisch deskundige die stelde dat een residentiële behandeling op een afdeling met een behandelprogramma voor zedenplegers aangewezen was; - de eiser werd reeds eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf met probatie-uitstel voor het bezit en de verspreiding van kinderpornografie, blijkbaar zonder een duurzame gedragsverbetering; - het was dan ook aangewezen om door een gespecialiseerde instantie de gepaste behandelingswijze te laten nagaan teneinde recidive maximaal te voorkomen; - de eigenzinnige houding van de eiser, waarbij een residentiële opname op voorhand wordt afgewezen, sluit het nut van een dergelijke begeleiding automatisch uit; - de algemeen coördinator van het UFC wijst er in een e-mailbericht op dat een intakegesprek weinig zin heeft zolang het standpunt van de eiser ongewijzigd blijft; - uit de gegevens van het strafdossier en de behandeling op de rechtszitting blijkt dat de eiser nog steeds zijn schuld aan de bewezen verklaarde zedenmisdrijven betwist en niet gemotiveerd is om zich residentieel te laten begeleiden voor een seksuele problematiek; - het formeel akkoord op intake bij het UFC is opportunistisch en louter ingegeven door een poging om een herroeping te vermijden; - bij gebrek aan een oprechte motivatie voor residentiële opname, komt deze optie ter gelegenheid van een intake de facto niet aan de orde, zodat het gespecialiseerd advies niet alle opties in overweging kan nemen en een advies bij voorbaat gebrekkig is; - dit is onverenigbaar met het opzet van het gevraagde advies zodat het zinloos is een intake te organiseren; - de eigengereide ingesteldheid van de eiser doet ook ernstig twijfelen aan de zin of meerwaarde van een ambulante behandeling, voor zover dit al zou volstaan; - de eiser werd tijdens de probatiebegeleiding meermaals aangemaand zich open te stellen voor de meest geschikte begeleiding, desnoods zelfs een residentiële opname indien dit zou worden geadviseerd, maar tevergeefs; - het komt de eiser niet toe om te bepalen welke de meest aangewezen behandelwijze is voor zijn seksuele problematiek, te meer hij zich daartoe aanvankelijk uitdrukkelijk akkoord heeft verklaard teneinde het probatie-uitstel te verkrijgen en een volledig effectieve straf te ontlopen; - het ontbreekt de eiser aan voldoende probleeminzicht en oprechte hulpvraag; - de eiser is duidelijk niet bereid of bekwaam om op duurzame wijze de probatiebegeleiding geheel tot een goed einde te brengen, zodat het zinloos is de probatiebegeleiding te handhaven.
- Met het geheel van die redenen, gelezen in hun onderlinge samenhang, geeft het arrest te kennen dat de eiser door een gebrek aan oprechte medewerking het uitbrengen door de therapeuten van een advies en het doen van een voorstel van begeleiding onmogelijk maakt, terwijl dit advies noodzakelijk is om invulling te kunnen geven aan de voorwaarde van een ambulante of residentiële begeleiding. De appelrechters kunnen op basis van deze redenen tot dit oordeel komen zonder daarbij gevolgen af te leiden die zij op grond van hun vaststellingen onmogelijk kunnen afleiden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 19 september 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230131.2N.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231205.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div