id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230921.1N.2 Rolnummer: C.22.0462.N Zaak: D. contra AG INSURANCE n.v. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2023-10-20 Raadplegingen: 874 - laatst gezien 2026-06-16 09:59 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De kennisgeving door de verzekeraar van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering moet, opdat deze een eind zou maken aan de stuitende werking, duidelijk en ondubbelzinnig zijn in die zin dat de benadeelde er naar redelijkheid uit kan afleiden dat de verzekeraar met die kennisgeving definitief een einde heeft gemaakt aan de onderhandelingen. Thesaurus CAS: VERZEKERING - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wet 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, inwerkingtreding 1 november 2014 - 04-04-2014 - Art. 88, § 2 - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Wet 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, inwerkingtreding 1 november 2014 - 04-04-2014 - Art. 89, § 5 - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Thesaurus CAS: VERJARING - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wet 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, inwerkingtreding 1 november 2014 - 04-04-2014 - Art. 88, § 2 - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Wet 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, inwerkingtreding 1 november 2014 - 04-04-2014 - Art. 89, § 5 - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0462.N P.D.L., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen AG INSURANCE nv, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.494.849, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Werner Derijcke, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 65, bus 11, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 20 april
- Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
- De verweerster voert drie gronden van niet-ontvankelijkheid aan.
- De eerste grond van niet-ontvankelijkheid: het door de eiser opgeworpen middel noodzaakt het Hof in de feiten te treden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Hoewel de rechter onaantastbaar de feiten vaststelt waaruit hij afleidt of de verzekeraar zijn wil om de schade te vergoeden duidelijk en ondubbelzinnig ter kennis heeft gebracht van de benadeelde, gaat het Hof niettemin na of de rechter uit zijn vaststellingen naar recht zijn beslissing heeft kunnen afleiden. Door aan te voeren dat de appelrechter in de concrete omstandigheden geenszins kon oordelen dat de mededeling van de verweerster beschouwd dient te worden als een duidelijke en ondubbelzinnige mededeling van een definitieve beslissing tot vergoeding in de zin van artikel 89, § 5, Verzekeringswet, die een einde stelt aan de stuiting van de verjaring van de vordering van de eiser, verzoekt de eiser het Hof om na te gaan of de appelrechter zijn beslissing naar recht heeft kunnen afleiden uit zijn vaststellingen. Dit middel noodzaakt het Hof niet om over te gaan tot een beoordeling van feiten. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
- Tweede grond van niet-ontvankelijkheid: “Nu eiser niet beweert dat het bestreden vonnis de bewijskracht van de mededeling van 27 april 2011 zou hebben geschonden en die mededeling sowieso geen stuk is waarop het Hof vermag acht te slaan, verkeert het Hof in de onmogelijkheid om – zoals eiser nochtans verzocht – na te gaan of de mededeling van 27 april 2011 al dan niet een duidelijke en definitieve beslissing tot vergoeding in die zin van voormelde wetsbepaling betrof”, zodat het middel zoals geformuleerd onmogelijk tot cassatie kan leiden en bijgevolg niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang. De tweede grond van niet-ontvankelijkheid is volledig afgeleid uit de eerste grond en moet eveneens worden verworpen.
- Derde grond van niet-ontvankelijkheid: “De beslissing van de appelrechter dat er na de aanvaarding van de schade-eis van eiser door verweerster op 27 april 2011 geen betwisting meer resteerde zodat de brief van verweerster van 27 april 2011 moet worden aangezien als een kennisgeving in de zin van artikel 89, § 5, van de Verzekeringswet van 4 april 2014 is wettig en het door eiser aangevoerde middel kan, al was het gegrond, niet tot cassatie leiden”, zodat dit middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid is niet te onderscheiden van het onderzoek van het middel zelf. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
- Krachtens artikel 88, § 2, Verzekeringswet verjaart de vordering die voortvloeit uit het eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar, onder voorbehoud van bijzondere wettelijke bepalingen, door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd. Artikel 89, § 5, van diezelfde wet bepaalt dat deze verjaring wordt gestuit zodra de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde om een vergoeding te bekomen voor de door hem geleden schade, en uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de stuiting eindigt op het ogenblik dat de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering.
- Uit de wetsgeschiedenis van voormeld artikel 88 § 2, blijkt dat de kennisgeving door de verzekeraar van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering, opdat deze een einde zou maken aan de stuitende werking, duidelijk en ondubbelzinnig moet zijn, in die zin dat de benadeelde er naar redelijkheid uit kan afleiden dat de verzekeraar met die kennisgeving definitief een einde heeft gemaakt aan de onderhandelingen.
- De appelrechter stelt vast dat: - er geen discussie is over de aansprakelijkheid in hoofde van de verzekerde van de verweerster; - de raadsman van de eiser op 21 april 2011 aan de verweerster een gedetailleerde afrekening bezorgde voor een bedrag van 20.999 euro; - de verweerster op 27 april 2011 een brief verstuurde waaruit blijkt dat zij akkoord was met het principe om de schade te vergoeden, alsook met de afrekening die door de raadsman van de eiser was opgesteld, zodat er op dat ogenblik geen enkele discussie meer bestond; - de raadsman van de eiser echter op 5 mei 2011 een bijkomende vergoeding vroeg voor inkomstenverlies door tijdelijke arbeidsongeschiktheid en op 23 mei 2011 een nieuwe schadepost opwierp, namelijk verplaatsingskosten; - de verweerster telkens reageerde door bewijsstukken te vragen; - de raadsman van de eiser reageerde door te stellen dat de verweerster een voorstel diende te doen; - de eiser slechts overging tot dagvaarding op 24 april
- De appelrechter oordeelt dat: - de brief van de verweerster van 27 april 2011 beschouwd moet worden als een duidelijke en ondubbelzinnige kennisgeving om tot vergoeding te willen overgaan; - de feiten die daarna hebben plaatsgevonden niet relevant zijn; - de brief van 27 april 2011 een einde heeft gesteld aan de stuiting van de verjaring; - de vordering bijgevolg reeds was verjaard op het ogenblik dat de benadeelde overging tot dagvaarding.
- De appelrechter, die oordeelt dat de verzekeraar een einde heeft gesteld aan de stuiting met zijn brief van 27 april 2011, zonder na te gaan of de benadeelde daaruit naar redelijkheid kon afleiden dat de verzekeraar met deze brief definitief een einde heeft gemaakt aan de onderhandelingen, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Bepaalt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Leuven, zetelend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 21 september 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230921.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div