← België

BELGISCH GEMEENSCHAPPELIJK WAARBORGFONDS contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230921.1N.4 Rolnummer: C.22.0406.N Zaak: BELGISCH GEMEENSCHAPPELIJK WAARBORGFONDS contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2023-10-13 Raadplegingen: 1006 - laatst gezien 2026-06-17 11:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Het Gemeenschappelijk Waarborgfonds treedt niet in de rechten van de benadeelde aan wie het een betaling heeft verricht die niet verschuldigd was. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen - 21-11-1989 - Art. 19bis-14, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1989011371 Thesaurus CAS: INDEPLAATSSTELLING Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen - 21-11-1989 - Art. 19bis-14, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1989011371 Fiche 3 De toegelaten of van toelating vrijgestelde verzekeringsonderneming in de zin van artikel 19bis-18WAM is deze bedoeld in artikel 2, § 1, derde lid WAM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Fiche 4 De indeplaatsstelling bij overeenkomst moet uitdrukkelijk en gelijktijdig met de betaling geschieden en vereist niet de toestemming van de schuldenaar. Thesaurus CAS: INDEPLAATSSTELLING Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1250, 1° - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0406.N BELGISCH GEMEENSCHAPPELIJK WAARBORGFONDS, met zetel te 1210 Brussel, Liefdadigheidstraat 33, bus 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0407.229.655, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen

  1. R.F., verweerder,
  2. A.V.D.V., verweerder,
  3. AXA BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.483.367, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177, bus 7, waar de verweersters woonplaats kiezen, in aanwezigheid van LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1031 Schaarbeek, Haachtsesteenweg 579 PB 40, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0411.702.543, tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de vonnissen in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Oost-Vlaanderen van 4 april 2019 en 2 september
  4. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  5. Krachtens artikel 19bis-14, § 1, WAM treedt het Gemeenschappelijk Waarborgfonds in de gevallen bepaald bij artikel 19bis-11, § 1, in de rechten van de benadeelde tegen de aansprakelijke personen en eventueel tegen hun verzekeraars in zoverre het de schade heeft vergoed. Hieruit volgt dat het Gemeenschappelijk Waarborgfonds op grond van deze wetsbepaling niet in de rechten treedt van de benadeelde aan wie het een betaling heeft verricht die niet verschuldigd was, zelfs indien de benadeelde zijn aanspraak liet steunen op een van de in artikel 19bis-11, § 1, vermelde gronden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de quad waarmee het ongeval gebeurde niet verzekerd was door een motorrijtuigenverzekering; - uit artikel 19bis-11, § 1, 8°), WAM volgt dat de eiser, naar aanleiding van een ongeval met een onverzekerd voertuig, slechts tot betaling gehouden is in de gevallen waarin een verzekeringsplicht bestond die niet werd nageleefd; - het ongeval zich evenwel niet heeft voorgedaan op een terrein waarvoor op grond van artikel 2, § 1, WAM een WAM-verzekering verplicht was; - de eiser bijgevolg niet gehouden was om de benadeelden te vergoeden; - daaruit voortvloeit dat de eiser zich niet kan beroepen op artikel 19bis-14, § 1, WAM om verhaal te nemen op aansprakelijke derden ten belope van de betalingen die zij aan de benadeelden heeft uitgekeerd.
  7. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de eiser zich niet kan beroepen op artikel 19bis-14, § 1, WAM, verantwoorden hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  8. Krachtens artikel 19bis-18 WAM vergoedt het Gemeenschappelijk Waarborgfonds in eerste instantie het slachtoffer bij onenigheid tussen het fonds en de toegelaten of van toelating vrijgestelde verzekeringsonderneming over de vraag wie van beide het slachtoffer moet vergoeden. Indien uiteindelijk wordt besloten dat de verzekeringsonderneming de vergoeding of een gedeelte daarvan had moeten betalen, betaalt deze het bedrag van de schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke interest, terug aan het fonds. De toegelaten of van toelating vrijgestelde verzekeringsonderneming in de zin van deze wetsbepaling is deze bedoeld in artikel 2, § 1, derde lid, WAM. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  9. Het oordeel van de appelrechters dat de eiser zich niet kan beroepen op artikel 19bis-18 WAM ten aanzien van de derde verweerster rust op de zelfstandige reden dat deze wetsbepaling enkel betrekking heeft op WAM-verzekeraars en niet op familiale aansprakelijkheidsverzekeraars zoals de derde verweerster. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het oordeel dat de eiser niet over een terugvorderingsrecht beschikt ten aanzien van de derde verweerster op grond van artikel 19bis-18 WAM omdat deze wetsbepaling enkel betrekking zou hebben op de gevallen waarin de eiser eerst tot tussenkomst gehouden was op grond van een van de gevallen vermeld in artikel 19bis-11, § 1, WAM, is het gericht tegen een overtollige reden en mitsdien niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  10. Krachtens artikel 1250, 1°, Oud Burgerlijk Wetboek geschiedt een indeplaatsstelling bij overeenkomst wanneer de schuldeiser, die betaling ontvangt van een derde persoon, hem doet treden in zijn rechten, rechtsvorderingen, voorrechten of hypotheken tegen de schuldenaar. Deze indeplaatsstelling moet uitdrukkelijk en gelijktijdig met de betaling geschieden. Zij vereist niet de toestemming van de schuldenaar.
  11. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de eiser zich, afgezien van zijn vorderingsrecht op grond van onverschuldigde betaling, ook beroept op zijn subrogatoir vorderingsrecht; - de eiser niet kan gevolgd worden in zijn stelling dat het betalingen heeft verricht overeenkomstig zijn wettelijke opdracht; - de eiser niettemin over een conventioneel subrogatierecht meent te beschikken ten aanzien van de verweerders op grond van een contract tot definitieve vaststelling van schade met de slachtoffers en de kwijtingen ondertekend door hen aan wie het betalingen heeft verricht; - de eiser evenwel op geen enkele wettelijke basis tot deze betalingen was gehouden en zodoende zuivere en eenvoudig onverschuldigde betalingen heeft verricht; - de eiser de gevolgen daarvan niet op conventionele basis kan afwentelen op partijen die bij dit contract en bij deze kwijtingen op geen enkele wijze waren betrokken en zodoende geen partij waren bij deze overeenkomsten.
  12. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de eiser geen beroep kan doen op een conventioneel subrogatierecht ten aanzien van de verweerders ten belope van de schadevergoeding die het aan de slachtoffers heeft betaald, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt de bestreden vonnissen in zoverre zij oordelen over de vordering van de eiser op grond van conventionele subrogatie en uitspraak doen over de hieraan verbonden kosten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Verklaart het arrest bindend voor de tot bindendverklaring opgeroepen partij. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het de gedeeltelijk vernietigde vonnissen. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, zetelend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 21 september 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230921.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.