← België

S. contra M.

Obsah (6)Art. 51Art. 52Art. 66Art. 392Art. 393Art. 394

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 51

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 52

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 66

, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 392

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 393

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 394- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: SLAGEN EN VERWONDINGEN.

DODEN - OPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN EN OPZETTELIJK DODEN Wettelijke bepalingen:

Art. 51

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 52

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 66

, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 392

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 393

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 394

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:

Art. 51

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 52

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 66

, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 392

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 393

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 394- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.0586.N S. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Vincke, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen M. M., burgerlijke partij, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 22 maart

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het arrest bevestigt op burgerrechtelijk gebied het beroepen vonnis waarin de eiser werd veroordeeld tot betaling van een provisionele schadevergoeding aan de verweerder, waarbij een gerechtsdeskundige werd aangesteld en de beslissing over de definitieve begroting van de schadevergoeding, de intresten en de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, werd aangehouden. Het veroordeelt de eiser verder tot het betalen aan de verweerder van diens kosten in hoger beroep, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, die nog niet wordt bepaald, en verwijst de zaak terug naar de eerste rechter voor de verdere afhandeling van de definitieve bepaling van de schadevergoeding van de verweerder, de intresten en de kosten. Dit zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin, behoudens wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, beslissingen als bedoeld door artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, is het cassatieberoep wegens voorbarigheid niet ontvankelijk. Middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 51, 52, tweede lid, 66, 67, 80, eerste lid, 392, 393 en 394 Strafwetboek: met het oordeel dat de eiser een onmisbare medewerking heeft verleend aan de door zijn broer, de oorspronkelijk eerste beklaagde, gepleegde poging om de verweerder met voorbedachten rade met een vuurwapen neer te schieten, verantwoorden de appelrechters de schuldigverklaring van de eiser als mededader aan die moordpoging niet naar recht; mededaderschap veronderstelt een positieve daad die aan de uitvoering van het misdrijf voorafgaat of ermee samengaat; uit de redenen die het arrest vermeldt, kunnen de appelrechters niet afleiden dat de eiser een actieve daad van deelneming heeft gesteld, terwijl uit die redenen evenmin kan worden afgeleid dat de eiser blijk zou hebben gegeven van een onthouding die als een aansporing tot het plegen van het misdrijf moet worden beschouwd.
  4. Het middel specificeert niet waarom het arrest de artikelen 51, 52, tweede lid, 80, eerste lid, 392, 393 en 394 Strafwetboek schendt. In zoverre is het middel, bij gebrek aan nauwkeurigheid, niet ontvankelijk.
  5. Het arrest verklaart de eiser als deelnemer in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek schuldig aan de feiten van de telastlegging A en niet als medeplichtige in de zin van artikel 67 Strafwetboek. In zoverre het middel schending van artikel 67 Strafwetboek aanvoert, faalt het naar recht.
  6. Het arrest oordeelt niet dat de eiser aan de moordpoging heeft deelgenomen door onthouding. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  7. Artikel 66, derde lid, Strafwetboek bepaalt dat als daders van een misdaad of wanbedrijf worden gestraft zij die door enige daad tot de uitvoering zodanig hulp hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd.
  8. De schuldigverklaring als mededader in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek vereist dat de mededader zijn medewerking verleent aan de misdaad of het wanbedrijf op een in die bepaling bedoelde wijze, hij weet dat hij zijn medewerking aan die misdaad of dat wanbedrijf verleent en hij het opzet heeft aan die misdaad of dat wanbedrijf zijn medewerking te verlenen.
  9. Voor een schuldigverklaring als deelnemer in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek aan een poging tot moord is niet vereist dat de deelnemer zelf de levensbedreigende handeling stelt. Het volstaat dat de betrokkene een noodzakelijke hulp aan dit misdrijf verleent, kennis heeft van alle omstandigheden die maken dat de feiten een poging tot moord inhouden en dat hij het opzet heeft zijn medewerking aan die moordpoging te verlenen.
  10. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of de verstrekte hulp of bijstand al dan niet noodzakelijk is. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. Het arrest oordeelt, met eigen redenen (arrest, p. 18-19) en met de redenen van het beroepen vonnis (p. 10) die het overneemt, als volgt: - uit de samenlezing van enerzijds het telefonieonderzoek en anderzijds de analyse van de beschikbare camerabeelden van de bewakingscamera’s, blijkt ontegensprekelijk dat de eerste beklaagde en de eiser op de cruciale momenten in telefonisch contact stonden met elkaar, waarbij de eiser, die de taxi van de verweerder op de voet volgde, op die wijze in real time de positie en het traject van de verweerder kon doorgeven aan zijn broer K., de eerste beklaagde, zodat hij hen tegemoet kon rijden om hem op die wijze klem te zetten en wraak te nemen voor het incident aan het station, een tiental minuten eerder; - het betreft aldus een strak gecoördineerde vergeldingsactie waarbij beide beklaagden in constante verbinding stonden en waarbij de eiser zijn broer K. heeft aangestuurd om zo het slachtoffer in een hinderlaag te lokken en hem neer te schieten met het vuurwapen dat hij speciaal voor die gelegenheid had meegenomen; - dat de eiser zelf niet heeft geschoten, doet geen enkel afbreuk aan de vaststelling dat zijn bijdrage in de feiten cruciaal en noodzakelijk was, gezien hij zijn broer tot bij het slachtoffer heeft geleid, zonder welke hulp hij het slachtoffer nooit had gevonden en kunnen klemrijden, zodat hij als mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek moet worden beschouwd; - een getuige verklaarde dat de eiser bij de hinderlaag al die tijd niets heeft gezegd en niet tussengekomen is bij zijn broer, die het vuurwapen op de verweerder richtte en uiteindelijk geschoten heeft, wat er – gelet op zijn gebrek aan enige reactie of poging om zijn broer te stoppen – enkel op wijst dat hij hiervan voorafgaandelijk op de hoogte was en dat de liquidatie zijn goedkeuring wegdroeg; - hoewel de eiser niet zelf geschoten heeft naar de verweerder, heeft hij onmiskenbaar noodzakelijke hulp verleend aan dit schietincident en was hij er zelfs de instigator van. Hij was diegene die meteen na zijn ruzie met de verweerder ter hoogte van het station van (…) – eerst via zijn broer E. – zijn broer K. verwittigde en constant in telefonisch overleg stond met K. Ondertussen volgden beiden de verweerder en vond kort erna het schietincident plaats, ongetwijfeld als wraakreactie ten aanzien van de verweerder; - het lijdt geen enkele twijfel en het kan uit de chronologie en de omstandigheden met afdoende zekerheid worden afgeleid dat de beklaagde K. in samenspraak met zijn broer, de eiser, de verweerder heeft willen neerschieten; - daartoe hebben zij samen, elk in zijn voertuig, ervoor gezorgd dat de verweerder werd klemgereden, waarop de beklaagde K. naar hem heeft geschoten. Frappant was dat de eiser zijn broer K. zag uitstappen met het vuurwapen in de hand en – zelf eveneens uitgestapt – eenvoudigweg niets deed om zijn broer te stoppen of om hem zelfs maar op andere gedachten te brengen; - dat de eiser van bij aanvang wist dat zijn broer de verweerder zou aanvallen met een wapen, wordt ook bevestigd door de zeer hechte familieband die er bestaat tussen de broers die gedurende de ganse iter criminis (d.i. “de weg van het misdrijf’) overleg pleegden; - gelet op dit alles, staat het voor het hof van beroep zonder twijfel vast dat de eiser wetens en willens zijn onmisbare medewerking heeft verleend aan de poging van zijn broer om met voorbedachten rade de verweerder met een wapen neer te schieten.
  13. Met die redenen oordelen de appelrechters dat de eiser actief heeft deelgenomen aan de moordpoging en hiertoe een noodzakelijke hulp heeft verleend, en verantwoorden zij naar recht de schuldigverklaring van de eiser als mededader, in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek, aan de poging tot moord op de verweerder. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 143,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 26 september 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230926.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131203.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.