← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 22

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Allerlei Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 22

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 22- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.0354.N M. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Masson, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen, van 10 februari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 47bis, 418 en 420 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis beslist ten onrechte dat het niet opnieuw kan oordelen over de door de eiser aangevoerde miskenning van zijn recht van verdediging omdat de opgeworpen procedurele bezwaren reeds met het tussenvonnis van 22 april 2022 werden beslecht, zodat de rechtsmacht van de appelrechters hierover is uitgeput; dit oordeel is een handigheidje om te vermijden dat de eiser betreffende de aangevoerde wetsschendingen nog een vorm van initiatief zou kunnen nemen; tegen het tussenvonnis van was geen cassatieberoep mogelijk; eisers recht op een eerlijk proces is dan ook miskend; nochtans werd de eiser verhoord zonder bijstand van een advocaat over feiten waarvoor vrijheidsstraffen kunnen worden opgelegd.
  3. Bij tussenvonnis van 22 april 2022 beslechten de appelrechters de betwisting over de naleving van de voorschriften van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering en de eerbiediging van eisers recht van verdediging en oordelen zij dat geen schending van voormelde wetsbepaling noch miskenning van eisers recht van verdediging voorligt. Hun rechtsmacht over deze betwisting is derhalve met dit tussenvonnis uitgeput. Het bestreden vonnis dat in die zin beslist, is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  4. Artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat een eiser in cassatie cassatieberoep kan instellen tegen een voorbereidende beslissing, na de eindbeslissing. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. De aangevoerde miskenning van eisers recht op een eerlijk proces is afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 68 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis is foutief gemotiveerd; het oordeelt ten onrechte dat de verjaringstermijnen voor de telastleggingen B en C zijn gestuit door het proces-verbaal van de rechtszitting van 28 juni 2021; dit proces-verbaal is geen daad van onderzoek of vervolging.
  7. Het vonnis waarbij een beklaagde wordt veroordeeld, indien dit vonnis door het instellen van een hoger beroep geen kracht van gewijsde verkrijgt, is een daad van onderzoek in de zin van artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  8. Op de rechtszitting van 28 juni 2021 werd het beroepen vonnis uitgesproken. Het bestreden vonnis verantwoordt dan ook naar recht de beslissing dat de verjaring van de strafvordering voor de feiten omschreven onder de telastleggingen B en C op die datum werd gestuit. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  9. Voor het overige is het middel afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Derde middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, de artikelen 15.1 en 15.3 IVBPR, de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, en 14 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering, artikel 2, tweede lid, Strafwetboek en artikel 38, § 6, Wegverkeerswet, alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel: het bestreden vonnis past ten onrechte de in artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde staat van verzwaring toe; er is immers meer dan drie jaar verlopen tussen het vonnis van 4 oktober 2016 en het bestreden vonnis, zodat er geen strafverzwaring is; indien rekening wordt gehouden met de datum van de nieuwe feiten van 13 december 2019, stelt zich de vraag of niet opnieuw een prejudiciële vraag moet worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof; het is duidelijk dat de eiser wordt benadeeld door de andere toepassing van artikel 38, § 6, Wegverkeerswet; de appelrechters geven geen antwoord op de in conclusies uiteengezette middelen.
  11. Uit de tekst van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, volgt dat de daarin bedoelde toestand van herhaling van toepassing is indien de beklaagde, na een veroordeling met toepassing van de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, § 1, § 2 en § 3, 33, § 1 en § 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48, 62bis of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, één van deze bepalingen opnieuw overtreedt binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan. In zoverre het middel aanvoert dat de bedoelde toestand van herhaling slechts kan worden aangenomen indien het vonnis dat veroordeelt voor de nieuwe overtreding, wordt gewezen binnen de drie jaar na het vonnis dat de grondslag vormt voor de herhaling, faalt het naar recht.
  12. In zoverre het middel aanvoert “[de eiser] stelt zich dan ook de vraag of hieromtrent niet opnieuw een prejudiciële vraagstelling dient te gebeuren aan het Grondwettelijk Hof , of deze andere toepassing van art. 38 § 6 van de Wegverkeerswet, geen inbreuk uitmaakte van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet”, zonder te preciseren welke vraag zou moeten worden gesteld of minstens op klare wijze de strekking van die vraag op te geven, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  13. Met de redenen die het bestreden vonnis bevat onder het randnummer 2.3.3 (p. 6-7) beantwoordt en verwerpt dit het door de eiser in zijn appelconclusie ontwikkelde verweer betreffende de toepassing van artikel 38, § 6, Wegverkeerswet. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 26 september 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230926.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.