← België

R. contra U.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 331s

exies - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AFSTAMMING Wettelijke bepalingen: oud

Art. 331s

exies - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 3 - 5 Gezien het algemeen rechtsbeginsel dat strekt tot eerbiediging van de lichamelijke integriteit van een persoon en bijgevolg fysieke dwanguitvoering tegen een persoon verbiedt niet onbeperkt is en moet worden uitgelegd in het licht van andere fundamentele rechten van personen, moet het recht op fysieke integriteit van de partij die weigert mee te werken aan een genetisch onderzoek worden afgewogen tegen het prioritaire persoonlijkheidsrecht van het kind om zijn afstammingsbanden te kennen. Thesaurus CAS: AFSTAMMING Wettelijke bepalingen: oud

Art. 331s

epties, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 331o

cties - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.4, derde lid - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 972bis, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Algemeen rechtsbeginsel dat strekt tot eerbiediging van de lichamelijke integriteit van een persoon Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: oud

Art. 331s

epties, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 331o

cties - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.4, derde lid - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 972bis, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Algemeen rechtsbeginsel dat strekt tot eerbiediging van de lichamelijke integriteit van een persoon Thesaurus CAS: PRIVELEVEN (BESCHERMING VAN) Wettelijke bepalingen: oud

Art. 331s

epties, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 331o

cties - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.4, derde lid - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 972bis, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Algemeen rechtsbeginsel dat strekt tot eerbiediging van de lichamelijke integriteit van een persoon Fiche 6 De familierechter kan in een afstammingsgeding uit het verzet van een partij tegen een gerechtelijk deskundigenonderzoek dan wel de weigering van een partij om loyale medewerking te verlenen aan een genetisch onderzoek tot oplossing van de afstammingsvraag, een feitelijk vermoeden omtrent de betwiste afstammingsband afleiden

(1).
(1)Zie Cass. 17 december 1998, AR C.97.0294.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981217.4, AC 1998, nr.
  1. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Vermoedens Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.1.9° - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.29 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0458.N
  2. B.R.,
  3. R.M.,
  4. M.M., eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen J.U., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 14 juni
  5. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  6. Krachtens artikel 331sexies Oud Burgerlijk Wetboek wordt een minderjarig kind in een geding betreffende zijn afstamming, als eiser of als verweerder, vertegenwoordigd door zijn wettelijke vertegenwoordiger, tenzij in geval van belangentegenstelling. In dat geval wijst de familierechter, op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie, een voogd ad hoc aan.
  7. De aanwijzing van een voogd ad hoc tot vertegenwoordiging van het minderjarige kind in een geding tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in de zin van artikel 322 Oud Burgerlijk Wetboek is slechts vereist in geval van een concrete belangentegenstelling tussen het kind en de moeder als wettelijke vertegenwoordiger.
  8. Het middel dat ervan uitgaat dat in dergelijk geding, gelet op de principiële belangentegenstelling tussen het kind en de moeder als wettelijke vertegenwoordiger, steeds een voogd ad hoc moet worden aangewezen, faalt naar recht. Tweede middel
  9. Krachtens artikel 331septies, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek beslecht de familierechtbank de geschillen betreffende de afstamming waarvoor de wet geen regeling getroffen heeft, door de meest waarschijnlijke afstamming met alle rechtsmiddelen vast te stellen. Het tweede lid vervolgt dat, indien de andere bewijsmiddelen onvoldoende zijn, het bezit van staat in aanmerking wordt genomen. Krachtens artikel 331octies Oud Burgerlijk Wetboek kan de familierechter, zelfs ambtshalve, een bloedonderzoek of enig ander onderzoek volgens beproefde wetenschappelijke methodes gelasten.
  10. Krachtens artikel 8.4, derde lid, Burgerlijk Wetboek zijn alle partijen gehouden om mee te werken aan de bewijsvoering.
  11. Krachtens artikel 972bis, § 1, Gerechtelijk Wetboek zijn de partijen verplicht mee te werken aan het deskundigenonderzoek en kan de rechter, bij gebrek aan medewerking, daaruit de conclusies trekken die hij geraden acht.
  12. Krachtens artikel 8.1, 9°, Burgerlijk Wetboek wordt onder feitelijk vermoeden verstaan een bewijsmiddel waarbij de rechter het bestaan van één of meer onbekende feiten afleidt uit het voorhanden zijn van één of meer bekende feiten. Krachtens artikel 8.29, tweede lid, Burgerlijk Wetboek wordt de bewijswaarde van feitelijke vermoedens overgelaten aan het oordeel van de rechter, die ze enkel zal aannemen indien zij op één of meer ernstige en precieze aanwijzingen berusten. Voor zover het vermoeden op meerdere aanwijzingen steunt, moeten ze met elkaar overeenstemmend zijn. De rechter stelt op onaantastbare wijze het bestaan vast van de feiten waarop hij steunt. De gevolgtrekkingen die hij daaruit als vermoeden afleidt, worden aan zijn oordeel overgelaten. Niettemin mag de rechter het rechtsbegrip feitelijk vermoeden niet miskennen en mag hij aan de door hem vastgestelde feiten geen gevolg verbinden dat daarmee geen verband houdt of op grond daarvan onmogelijk te verantwoorden is.
  13. Een afstammingsgeding is een voorbehouden geding waarbij enkel de in de artikelen 332bis en 332ter Oud Burgerlijk Wetboek bedoelde partijen in het geding kunnen en moeten worden betrokken. In geval van overlijden van een overeenkomstig voormelde artikelen te betrekken partij, geldt artikel 332quater Oud Burgerlijk Wetboek. Zo dient een vordering tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in de zin van artikel 322 Oud Burgerlijk Wetboek, in geval van overlijden van de beweerde vader, te worden gericht tegen diens erfgenamen.
  14. Het algemeen rechtsbeginsel dat strekt tot eerbiediging van de lichamelijke integriteit van een persoon en bijgevolg fysieke dwanguitvoering tegen een persoon verbiedt is niet onbeperkt en moet worden uitgelegd in het licht van andere fundamentele rechten van personen.
  15. Niettegenstaande in een afstammingsgeding fysieke dwanguitvoering tegen een partij bij een gerechtelijk deskundigenonderzoek is verboden, geldt het fundamentele recht van een kind om zijn identiteit te kennen, zo ook zijn afstammingsbanden. Het recht op fysieke integriteit van de weigerende partij moet bijgevolg worden afgewogen tegen het prioritaire persoonlijkheidsrecht van het kind om zijn afstammingsbanden te kennen. Bij deze afweging kan de rechter oordelen dat bij een genetisch onderzoek, inzonderheid een DNA-onderzoek, de aantasting van de fysieke integriteit miniem is, aangezien het afstaan van beperkt lichaamsmateriaal kan volstaan voor een onderzoek waarvan het resultaat de afstammingsvraag met wetenschappelijke zekerheid kan beantwoorden.
  16. Uit het voorgaande volgt dat de familierechter in een afstammingsgeding uit het verzet van een partij tegen een gerechtelijk deskundigenonderzoek dan wel de weigering van een partij om loyale medewerking te verlenen aan een genetisch onderzoek tot oplossing van de afstammingsvraag, een feitelijk vermoeden omtrent de betwiste afstammingsband kan afleiden.
  17. Het middel gaat ervan uit dat de familierechter dergelijk vermoeden enkel kan afleiden uit de weigering van een beweerde ouder om loyale medewerking te verlenen aan een genetisch onderzoek tot oplossing van de afstammingsvraag, en niet uit de weigering van diens erfgenamen. Het middel leidt daaruit af dat de familierechter, in een afstammingsgeding tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in de zin van artikel 322 Oud Burgerlijk Wetboek, in geval van overlijden van de beweerde vader, geen feitelijk vermoeden omtrent de betwiste afstammingsband kan afleiden uit de weigering van diens erfgenamen om loyale medewerking te verlenen aan een genetisch onderzoek tot oplossing van de afstammingsvraag. In zoverre faalt het middel naar recht.
  18. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - “indien [de eisers] danig zeker van hun stuk zouden zijn dat er geen enkele genetische band is tussen [de beweerde vader] en Z., deze procedure reeds in de fase van eerste aanleg gefnuikt [had] kunnen worden door het instemmen door hen met een deskundigenonderzoek”; - “waar [de verweerster] openstaat voor een genetisch onderzoek en (…) ondergeschikt verzoekt een gerechtsdeskundige aan te stellen met het oog op een vergelijkend wetenschappelijk onderzoek, [de eisers] zich uitdrukkelijk [verzetten] tegen een deskundig onderzoek”; - “[de eisers] verzoeken (…) de vordering tot deskundigenonderzoek af te wijzen”; - “uit het gegeven dat de partij tegen wie een bewijs moet worden geleverd in het kader van een afstammingsprocedure weigert mee te werken aan het bevolen gerechtelijk deskundigenonderzoek, dan wel de rechter expliciet verzoekt de vordering tot deskundigenonderzoek af te wijzen en zelfs beweert dat het juridisch onmogelijk is om een deskundigenonderzoek te bevelen – in casu zou de aanstelling van een deskundige geenszins ‘manifest voorbarig’, dan wel ‘volstrekt uit de lucht gegrepen’ zijn – kan een feitelijk vermoeden in haar nadeel worden afgeleid tot bewijs van het betwiste feit dat door de tegenpartij, die deze maatregel vorderde, wordt aangevoerd”; - “het verzoek van [de eisers] om de vordering tot deskundigenonderzoek af te wijzen creëert een feitelijk vermoeden dat (zij vrezen of er zich van bewust zijn dat) Z. de halfzus is van [de tweede en de derde eisers]”; - “[de eisers] werpen terecht op dat [de tweede en derde eisers] niet gedwongen kunnen worden om mee te werken aan een deskundig onderzoek, doch dit neemt niet weg dat het halsstarrige verzet tegen, dan wel de weigering om mee te werken aan een deskundig onderzoek een vermoeden vormt dat [de eisers] zich er van bewust zijn dat uit de resultaten van dit onderzoek een genetische band tussen [de tweede eiser, de derde eiser] en Z. zou blijken”.
  19. De appelrechter beoordeelt het voormelde vermoeden in samenhang met andere “elementen die de verweerster heeft aangegeven en bewezen [en] die haar stelling ondersteunen”, inzonderheid nader bepaalde e-mails van de beweerde vader van vóór de geboorte van Z., een kort na de geboorte van Z. gedane DNA-test waaruit met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het vaderschap van Z. blijkt en de daarop volgende spontane maandelijkse stortingen van de beweerde vader aan de verweerster ten behoeve van Z.
  20. De appelrechter die besluit dat de bedoelde elementen “voldoende zwaarwichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens uit[maken] die in hun onderlinge samenhang beschouwd strekken tot het bewijs van het vaderschap”, verwerpt en beantwoordt het in het middel bedoelde verweer en verantwoordt zijn beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 916,93 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 28 september 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230928.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981217.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.