id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231003.2N.12 Rolnummer: P.23.1309.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-11-10 Raadplegingen: 458 - laatst gezien 2026-06-18 20:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De door artikel 16, § 1, vierde lid, eerste zin, Voorlopige Hechteniswet bepaalde verplichting om bij de handhavingsbeslissing bovendien rekening te houden met het bestaan van ernstige redenen om te vrezen dat de in vrijheid gelaten verdachte nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden, alsook de in artikel 16, § 1, vierde lid, tweede zin, Voorlopige Hechteniswet opgenomen beperking betreffende het gebruik van het bestaan van ernstige aanwijzingen dat de in vrijheid gelaten verdachte zich zou verstaan met derden, gelden niet voor misdaden waarvan het maximum van de van toepassing zijnde straf vijftien jaar opsluiting te boven gaat; geen enkele bepaling belet nochtans dat het onderzoeksgerecht dat beslist tot handhaving van de voorlopige hechtenis voor een misdaad die strafbaar is met meer dan vijftien jaar opsluiting die beslissing niet enkel grondt op de vaststelling van de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid maar bovendien ook collusiegevaar in aanmerking neemt. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1309.N A.G., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Frédéric Thiebaut en mr. Thibaud Delva, beiden advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 15 september 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 1, en 22 Voorlopige Hechteniswet: de appelrechters betrekken het collusiegevaar en in het bijzonder het gevaar dat de eiser zich zou verstaan met derden bij hun beoordeling niet alleen op de overtollige reden van het gevaar op collusie als dusdanig, maar ook bij de beoordeling van de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid; artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet sluit nochtans uit dat de voorwaarde dat er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de verdachte zich zou verstaan met derden, zijn verdere aanhouding nog kan motiveren ter gelegenheid van een verschijning na de eerste verschijning overeenkomstig artikel 22; doordat het arrest het gevaar dat de eiser zich zou verstaan met derden betrekt bij de motivering van de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid om de voorlopige hechtenis te handhaven, is deze beslissing niet naar recht verantwoord. 2. Het arrest oordeelt dat: - de gegevens eigen aan de zaak en aan de persoonlijkheid van de verdachte, die in het bevel tot aanhouding en de beroepen beschikking zijn vermeld, omstandigheden uitmaken die thans nog bestaan en die dermate de openbare veiligheid raken dat hierdoor de handhaving van de voorlopige hechtenis van de eiser volstrekt noodzakelijk is; - de redenen die aan de voorlopige hechtenis ten grondslag liggen onverminderd gelden op de datum van het arrest; - er tevens gevaar op collusie is nu de wedersamenstelling op 7 juni 2023 aanleiding heeft gegeven tot verder onderzoek waaronder herverhoren en de aanstelling van een college van deskundigen met het oog op een reconstructie van waar en wanneer en vanuit welke positie het fatale schot werd gelost; - voormelde gevaren voor de openbare veiligheid en voor collusie niet kunnen worden geneutraliseerd door het opleggen van detentievervangende maatregelen. 3. De appelrechters, die aldus een duidelijk onderscheid maken tussen de gevaren voor de openbare veiligheid en collusie, betrekken het gevaar dat de eiser zich zou verstaan met derden niet bij de beoordeling van de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 4. Uit de artikelen 16, § 1, en § 5, 22, zesde en zevende lid, en 30, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet volgt dat het onderzoeksgerecht dat de voorlopige hechtenis handhaaft, moet vaststellen dat die voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid. 5. De door artikel 16, § 1, vierde lid, eerste zin, Voorlopige Hechteniswet bepaalde verplichting om bij de handhavingsbeslissing bovendien rekening te houden met het bestaan van ernstige redenen om te vrezen dat de in vrijheid gelaten verdachte nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden, alsook de in artikel 16, § 1, vierde lid, tweede zin, Voorlopige Hechteniswet opgenomen beperking betreffende het gebruik van het bestaan van ernstige aanwijzingen dat de in vrijheid gelaten verdachte zich zou verstaan met derden, gelden niet voor misdaden waarvan het maximum van de van toepassing zijnde straf vijftien jaar opsluiting te boven gaat. 6. Geen enkele bepaling belet nochtans dat het onderzoeksgerecht dat beslist tot handhaving van de voorlopige hechtenis voor een misdaad die strafbaar is met meer dan vijftien jaar opsluiting die beslissing niet enkel grondt op de vaststelling van de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid maar bovendien ook collusiegevaar in aanmerking neemt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek 7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 57,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 3 oktober 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231003.2N.12 Gerelateerde publicatie(
- s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250212.2F.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.