id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.1017.N
- C.N. en C.N., als curatoren van het faillissement van YOYO TRANS bv, burgerlijke partijen en burgerrechtelijk aansprakelijke partijen,
- A.J., beklaagde en burgerlijke partij, eisers, met als raadsman mr. Lies Meuwissen, advocaat bij de balie Limburg, tegen
- V.P.-M., beklaagde en burgerlijke partij,
- AXA BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, vrijwillig tussenkomende partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, van 24 mei
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het bestreden vonnis veroordeelt de eisers tot betaling aan de verweerder 1 van een provisionele schadevergoeding en de verweerders tot betaling aan de eiser 2 van een provisionele schadevergoeding, waarbij alvorens verder ten gronde recht te doen een gerechtsdeskundige wordt aangesteld om de eiser 2 en de verweerder 1 te onderzoeken, het debat wordt heropend en de zaak voor opvolging van het deskundigenonderzoek wordt vastgesteld op de rechtszitting van 25 oktober 2023 en de uitspraak over alle overige geschilpunten van de eiser 2 en van de verweerder 1 en over de gerechtskosten ambtshalve wordt aangehouden. Dit zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin, behoudens wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, beslissingen als bedoeld door artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, is het cassatieberoep wegens voorbarigheid niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 1138, 2° en 3°, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het beschikkingsbeginsel: door de eisers 1, in solidum met de eiser 2, te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding aan de verweerder 1 miskennen de appelrechters het beschikkingsbeginsel en is het bestreden vonnis niet naar recht verantwoord; de verweerder 1 vorderde louter dat de eiser 2 zou worden veroordeeld en stelde geen vordering in tegen de eisers
- Het bestreden vonnis (p. 23) oordeelt dat de verweerder 1 zich op de rechtszitting van de politierechtbank van 28 april 2022 ook burgerlijke partij heeft gesteld tegen de eisers 1 en dat zijn raadsman op de rechtszitting in hoger beroep van 26 april 2023 heeft verduidelijkt dat hij de veroordeling in solidum vordert van zowel de eiser 2 als de eisers 1 overeenkomstig artikel 1384 oud Burgerlijk Wetboek. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 66 en 67 Wetboek van Strafvordering: het oordeel van de appelrechters dat de verweerder 1 zich burgerlijke partij heeft gesteld tegen de eisers 1, is niet naar recht verantwoord; uit het proces-verbaal van de rechtszitting van de politierechtbank van 28 april 2022 blijkt dat de verweerder 1 zich louter mondeling burgerlijke partij heeft gesteld tegen de eisers 1, maar niet dat hij in dit verband een schriftelijke conclusie heeft ingediend; zonder de indiening van een schriftelijke conclusie, vóór het sluiten van het debat voor de eerste rechter, kan er geen geldige burgerlijkepartijstelling zijn.
- De benadeelde kan zich voor de strafrechter burgerlijke partij stellen door een louter mondelinge verklaring, waarvan akte wordt verleend op het proces-verbaal van de rechtszitting of melding wordt gemaakt in de rechterlijke beslissing. Voor de regelmatigheid van een burgerlijkepartijstelling is niet vereist dat een schriftelijke conclusie wordt ingediend. Het middel faalt naar recht. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: op grond van het oordeel dat de verweerster 2 als vrijwillig tussenkomende partij geen hoedanigheid en belang heeft om hoger beroep aan te tekenen op strafgebied, konden de appelrechters niet naar recht oordelen dat de grieven van de verweerster 2 op strafgebied, hoewel zonder voorwerp, toch nauwkeurig zijn.
- De appelrechters, die vaststellen dat de verweerster 2 hoger beroep heeft aangetekend tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis en behalve grieven op strafgebied ook een grief heeft aangevoerd over de tegen haar ingestelde burgerlijke rechtsvordering, leiden hun saisine op grond van het hoger beroep van de verweerster 2 uitsluitend af uit het bestaan van die laatste grief. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: op grond van de vaststelling dat de verweerder 1 slechts hoger beroep heeft aangetekend op burgerrechtelijk gebied en desondanks onder de rubrieken “straf” en “andere” grieven heeft aangevoerd op strafgebied, konden de appelrechters niet oordelen dat de door de verweerder 1 aangevoerde grieven op strafgebied weliswaar zonder voorwerp maar toch nauwkeurig zijn omschreven.
- De appelrechters stellen vast dat de verweerder 1 behalve grieven op strafgebied ook een grief heeft aangevoerd op burgerrechtelijk gebied, en leiden hun saisine op grond van het hoger beroep van de verweerder 1 uitsluitend af uit het bestaan van die laatste grief. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 204 Wetboek van Strafvordering: door niet te antwoorden op de conclusie van de eisers waarin zij aanvoerden dat de verweerster 2 de verplichting tot grievenopgave heeft miskend door grieven aan te voeren op strafgebied waarbij zij opkwam tegen de vrijspraak van de eiser 2 en de vrijspraak vorderde van de verweerder 1, is de beslissing van de appelrechters dat het hoger beroep van de verweerster 2 ontvankelijk en deels gegrond is, niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; de appelrechters antwoorden aldus niet op een juridische redenering die de oplossing van het geschil kon beïnvloeden.
- Het middel kan om de in het antwoord op het eerste onderdeel van het derde middel vermelde reden niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 146,71 euro, waarvan 111,71 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 3 oktober 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231003.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div