id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231005.1N.2 Rolnummer: C.22.0475.N Zaak: B. contra L. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Familierecht Invoerdatum: 2023-12-11 Raadplegingen: 904 - laatst gezien 2026-06-15 06:04 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche De verplichting van de rechter om de parameters te vermelden en vervolgens uit te leggen hoe hij, op basis van de parameters, tot zijn beslissing tot vaststelling van kinderalimentatie komt, moet op bevattelijke wijze worden ingevuld en de berekening moet het Hof toelaten na te gaan hoe de rechter aan de hand van de gebruikte rekenmethode tot zijn besluit komt, waarbij het niet volstaat de verblijfsregeling te vermelden in verhouding tot de tijd dat het kind bij de respectieve ouders verblijft doch de rechter bovendien een concrete waarde moet toekennen aan de bijdrage in natura in de kinderkost die uit de verblijfsregeling voortvloeit. Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GEVOLGEN T.A.V. DE PERSONEN - T.a.v. de kinderen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1321, § 1, eerste lid, en § 2, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0475.N L.B, eiseres, toegelaten tot de rechtsbijstand bij beslissing van 24 november 2022 (G.22.0101.N), vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen S.L., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 31 mei
- Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 1321, § 1, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek moet elke rechterlijke beslissing tot vaststelling van kinderalimentatie in de zin van artikel 203, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek de nader bepaalde parameters vermelden, waaronder “4° de verblijfsregeling van het kind en de bijdrage in natura van elk van de ouders in het levensonderhoud van het kind ten gevolge van deze verblijfsregeling”. Krachtens artikel 1321, § 2, 1°, Gerechtelijk Wetboek verduidelijkt de rechter hoe de in § 1, eerste lid bepaalde parameters in acht worden genomen.
- De verplichting van de rechter om de parameters te vermelden en vervolgens uit te leggen hoe hij, op basis van de parameters, tot zijn beslissing tot vaststelling van kinderalimentatie komt, moet op bevattelijke wijze worden ingevuld. De berekening moet het Hof toelaten na te gaan hoe de rechter aan de hand van de gebruikte rekenmethode tot zijn besluit komt. Het volstaat daarbij niet de verblijfsregeling te vermelden in verhouding tot de tijd dat het kind bij de respectieve ouders verblijft. De rechter moet bovendien een concrete waarde toekennen aan de bijdrage in natura in de kinderkost die uit de verblijfsregeling voortvloeit.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - het netto-verdienvermogen van de moeder 1.700 euro per maand bedraagt; - de moeder tot en met december 2021 een huur betaalde van 596 euro per maand en sinds januari 2022 366,47 euro per maand; - het netto-inkomen van de vader 2.400 euro per maand bedraagt; - de vader een huur betaalt van 775 euro per maand; - de moeder het groeipakket voor de drie kinderen ontvangt van eerst 596 euro per maand, inclusief sociale toeslag, en nadien 448,35 euro per maand; - de sociale toeslag immers intussen wordt verdeeld bij helften tussen beide ouders en bij hun respectieve inkomsten wordt gerekend; - ook rekening moet worden gehouden met de woonkosten, die voor de vader worden geraamd op 1.094 euro per maand en voor de moeder op eerst 909 euro per maand voor de periode tot en met december 2021 en vervolgens 685 euro per maand voor de periode vanaf januari 2022; - de vader voor de periode tot en met december 2021, na aftrek van voormelde kosten, beschikt over ongeveer 61 pct. van de samengevoegde middelen en de moeder, eveneens na aftrek van voormelde kosten, over ongeveer 39 pct. van de samengevoegde middelen; - de vader voor de periode vanaf januari 2022, na aftrek van voormelde kosten, beschikt over, afgerond, 56 pct. van de samengevoegde middelen en de moeder, eveneens na aftrek van voormelde kosten, over ongeveer 44 pct. van de samengevoegde middelen; - de kinderkost wordt berekend aan de hand van een percentage op het geheel van de samengevoegde middelen met inbegrip van het groeipakket; - het globaal gezinsinkomen bestaat uit het netto-verdienvermogen van de moeder, het netto-inkomen van de vader en het groeipakket; - kinderen van de leeftijd zoals die van partijen in Vlaanderen in een vergelijkbare gezinssituatie met een vergelijkbaar globaal gezinsinkomen 1.244 euro per maand kosten, dit is 26,49 pct. van het globale gezinsinkomen overeenkomstig de rekenmethode Hobin; - beide ouders, gelet op de verblijfsregeling, evenveel bijdragen in natura; - rekening houdend met de financiële noden van de kinderen, de wederzijdse mogelijkheden van de ouders, de bijdrage in natura van beide ouders en de mogelijkheid tot gedeeltelijke fiscale recuperatie, de onderhoudsbijdrage aan de zijde van de ouders dient te worden begroot als volgt: ((kinderkost – kinderbijslag) x procentueel aandeel in de samengevoegde middelen) – procentuele bijdrage in natura in de kinderkost, wat inhoudt dat de moeder voor de periode tot en met december 2021 na ontvangst van het groeipakket een bedrag van 44 euro per kind per maand moet doorstorten aan de vader en voor de periode vanaf januari 2022 een bedrag van 50 euro per kind per maand.
- De appelrechter die geen concrete waarde toekent aan de bijdrage in natura in de kinderkost die uit de verblijfsregeling voortvloeit en zodoende niet verduidelijkt hoe hij deze parameter in acht heeft genomen, laat het Hof niet toe na te gaan hoe de rechter aan de hand van de gebruikte rekenmethode tot het besluit is gekomen dat de moeder voor de periode tot en met december 2021 na ontvangst van het groeipakket een bedrag van 44 euro per kind per maand moet doorstorten aan de vader en voor de periode vanaf januari 2022 een bedrag van 50 euro per kind per maand. Bijgevolg schendt hij voormelde wetsbepalingen. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat de moeder voor de periode tot en met december 2021 na ontvangst van het groeipakket een bedrag van 44 euro per kind per maand moet doorstorten aan de vader en voor de periode vanaf januari 2022 een bedrag van 50 euro per kind per maand, en in zoverre het uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 5 oktober 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231005.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div