id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231005.1N.4 Rolnummer: C.23.0034.N Zaak: INTERVLEES contra SUMP STAMMER GMBH Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Overige Invoerdatum: 2023-11-10 Raadplegingen: 787 - laatst gezien 2026-06-15 08:57 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231005.1N.4 Fiches 1 - 2 Gezien de vraag rijst of de “stabilisatieperiode”, waarna voor invriezing bestemd vlees onverwijld moet worden ingevroren, krachtens bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 4, bij Verordening 853/2004, enkel betrekking heeft op de korte periode na slachting waarin het vlees gekoeld wordt conform de vereisten van bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 1, totdat een pH- en thermische stabilisatie wordt bereikt, zodat het vlees onmiddellijk daarna moet worden ingevroren, dan wel of zij ook betrekking heeft op de daaropvolgende koelingsperiode noodzakelijk voor verdere rijping, zodat het vlees ook na dit rijpingsproces nog kan worden ingevroren, bestaat er grond om het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong - 29-04-2004 - Bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 1 en 4 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong - 29-04-2004 - Bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 1 en 4 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0034.N INTERVLEES nv, met zetel te 2930 Brasschaat, Essensteenweg 13, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0414.645.207, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen SUMP & STAMMER GmbH, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 21109 Hamburg (Duitsland), Beim Schröderschen Hof 3, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Regentschapsstraat 4, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 juni
- Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 11 september 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. FEITEN Uit het bestreden arrest blijken de volgende feiten: - de eiseres is een importeur en exporteur op groothandelsniveau van vlees-waren, die zichzelf kwalificeert als toonaangevende importeur van vlees op de Europese markt. De verweerster is groothandelaar in voedingswaren; - partijen sloten een overeenkomst waarbij de eiseres grote partijen “ex chilled” vlees op afroep zou leveren aan de verweerster. Het betreft vlees dat voorheen werd gekoeld (“chilled”) om het te laten rijpen en aldus de malsheid ervan te bevorderen, en nadien, na rijping, werd ingevroren; - op 8 mei 2019 leverde de eiseres een partij vlees aan de verweerster voor een totaalbedrag van 101.155,27 euro. Deze goederen zouden bestemd zijn geweest voor de Italiaanse cruisesector. De verweerster verkocht het vlees door aan een Duitse onderneming die deel uitmaakte van een Italiaanse onderneming; - de Italiaanse autoriteiten hebben de levering geweigerd omdat zij niet zou voldoen aan de sanitaire normen vervat in bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 4, bij Verordening (EG) nr. 853/2004 van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Hierna: Verordening 853/2004), doordat het vlees niet onmiddellijk na een stabilisatieperiode, maar pas na koeling met het oog op rijping was ingevroren, en aldus niet bestemd kon worden voor de Europese markt; - de verweerster heeft de overeenkomst daarop buitengerechtelijk ontbonden en geweigerd de navolgende leveringen van “ex chilled” vlees af te nemen; - de eiseres vorderde de betaling door de verweerster van een vergoeding ten belope van 223.498 euro voor de schade die zij zou hebben geleden doordat zij genoodzaakt was de partijen vlees tegen een lagere prijs aan een derde te verkopen. De verweerster vorderde daarentegen de betaling door de eiseres van een vergoeding ten belope van 145.210,27 euro provisioneel voor de schade die zij zou hebben geleden ten gevolge van de niet-marktconforme levering van de goederen, doordat deze niet geschikt waren voor hun doel, namelijk menselijke consumptie binnen de Europese Unie; - bij vonnis van 17 juni 2021 heeft de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout, zowel de hoofdvordering van de eiseres als de tegenvordering van de verweerster ongegrond verklaard; - de eiseres tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis en de verweerster incidenteel beroep. Bij het bestreden arrest van 27 juni 2022 verklaarde het hof van beroep te Antwerpen het hoger beroep van de eiseres ongegrond en het incidenteel beroep van de verweerster gegrond, hervormde het hof van beroep het beroepen vonnis en veroordeelde het de eiseres tot betaling aan de verweerster van een bedrag van 145.210,27 euro provisioneel. III. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Geschonden wetsbepalingen - De act of state doctrine of verbod voor de rechter van de forumstaat om de geldigheid van overheidshandelingen van een andere Staat te beoordelen, zoals vastgelegd in het gewoonterecht als bewijs van een algemene praktijk die als wet is aanvaard en een bron van internationaal publiekrecht is (hierna “act of state doctrine”); - artikel 26 en de artikelen 28 tot en met 37 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ondertekend te Lissabon op 13 december 2007 (goedgekeurd door de Wet van 19 juni 2008 houdende instemming met het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met de Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007) (hierna het “VWEU”); - bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, paragraaf 4 van de Verordening nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (hierna de “Verordening” of “Verordening 853/2004”); - artikel 149 van de Grondwet; - het algemeen rechtsbeginsel van de schending van de bewijskracht van een geschrift conform de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek (voorheen de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Oud Burgerlijk Wetboek); - de artikelen 1134, lid 3 (zoals vóór de opheffing ervan bij artikel 62, 6° van de Wet 28 april 2022), 1135 (zoals vóór de opheffing ervan bij artikel 62, 6° van de Wet 28 april 2022) en 1648 van het Oud Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het aangevochten arrest verklaarde de vordering van eiseres, om het bestreden vonnis te horen hervormen en verweerster te horen veroordelen tot betaling van 223.498 EUR, te vermeerderen met de intresten en de gerechtskosten, ongegrond, en de vordering van verweerster, om eiseres te horen veroordelen tot betaling van 145.210,27 EUR provisioneel, te vermeerderen met de gerechtskosten, gegrond, en de ondergeschikte vordering om een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie met betrekking tot de interpretatie van Verordening 853/2004, ongegrond, op basis van de volgende motieven: “4.
- Over de gegrondheid van de hogere beroepen Er is geen nood aan een prejudiciële vraagstelling aan het Europees Hof van Justitie. Verordening 853/2004 is duidelijk en bepaalt dat vlees dat bestemd is om te worden ingevroren, onverwijld moet worden ingevroren, zo nodig na een stabilisatieperiode. Die stabilisatieperiode doelt op de PH-stabilisatie en is zoals blijkt uit de voorgelegde stukken - inzonderheid de brief van 20 juni 2019 van het Directoraat Generaal voor de Gezondheid en de Voedselveiligheid van de Europese Commissie - een kwestie van enkele dagen. In geen geval en onder geen enkele interpretatie van de voormelde verordening, kan deze stabilisatieperiode gelijkgesteld worden met een rijpingsperiode. Ingevolge Verordening 853/2004 kan gerijpt vlees bestemt voor de Europese markt, niet ingevroren worden. Het standpunt van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit kan geen afbreuk doen aan de voormelde verordening. Ook de documentatie afkomstig van het FAVV toont niet aan dat gerijpt vlees nadien ingevroren mag worden om te voldoen aan de bepalingen van Verordening 853/
- De periode nodig voor de stabilisatie van de PH van het vlees voordat het wordt bevroren of ingevroren (het hof gebruikt deze twee termen als synoniemen, hoewel er technisch een verschil bestaat tussen bevriezen en invriezen), heeft niets te maken met de rijpingsperiode die ertoe strekt het vlees te vermalsen. Het rijpen van (runds-)vlees is inderdaad een courante praktijk, maar [eiseres] toont niet aan dat het bevriezen of invriezen van gerijpt vlees een courante en aanvaardbare praktijk is, noch dat dit toegelaten zou zijn door Verordening 853/2004 voor vlees dat voor de Europese markt bestemd is. [Eiseres] weet als gespecialiseerde professionele verkoper op groothandelsniveau vanvleeswaren zeer goed dat de voormelde stabilisatieperiode hoegenaamd niets te maken heeft met een rijpingsperiode. [Eiseres] tracht met de argumenten die zij ter zake ontwikkelt, vruchteloos het hof te misleiden. De overeenkomst van partijen had betrekking op voorheen gekoeld ('ex-chilled') vlees, dat nadien was ingevroren en dat dus niet voor de Europese Markt bestemd kon worden. Een eerste partij vlees werd dan ook - conform Verordening 853/2004 - geweerd door de Italiaanse autoriteiten. Als gespecialiseerde onderneming in de import en export van vlees op groothandelsniveau, wist of behoorde [eiseres] te weten dat voorheen gekoeld vlees dat nadien ingevroren was, niet voor de Europese markt bestemd kon worden, temeer daar [eiseres] zich zelf kwalificeert als een toonaangevende of leidinggevende importeur van vlees op de Europese markt. [Eiseres] heeft te kwader trouw gehandeld ten aanzien van [verweerster]. [Verweerster] is weliswaar gespecialiseerd in de groothandel van voedingswaren, maar niet specifiek in vleeswaren. [Eiseres], die een gespecialiseerde professionele verkoper in vleeswaren is, behoorde [verweerster] te informeren dat het verkochte vlees niet voor de Europese markt bestemd kon worden. Deze informatieverplichting drong zich aan [eiseres] op, temeer dat [eiseres] niet betwist dat zij wist dat [verweerster] het gekochte vlees voor de Europese Markt bestemde. Het wordt niet betwist dat [verweerster] wist dat het gekochte ingevroren vlees voorheen gekoeld vlees was. Er wordt echter niet bewezen dat [verweerster] wist of behoorde te weten dat het gekochte vlees niet bestemd kon worden voor de Europese markt. Deze overeenkomst heeft geen ongeoorloofd voorwerp of oorzaak, nu niet wordt aangetoond dat de verkochte goederen niet buiten de Europese Unie verhandeld konden worden. Aangezien het gekochte vlees niet geschikt was voor het doel waarvoor het bestemd was (menselijke consumptie binnen de Europese Unie), is er hier wel degelijk sprake van een verborgen gebrek. Het hoger beroep is ongegrond. De eis van [eiseres] is ongegrond. Ten overvloede stipt het hof aan dat [eiseres] het overschot van het vlees blijkbaar ingevoerd en verkocht heeft op de Europese markt - hoewel zij ingevolge de tussenkomst van de Italiaanse autoriteiten en dit geschil - pertinent wist dat dit in strijd was (of kon zijn) met Verordening 853/
- Minstens diende [eiseres] uit voorzorg het overschot van het vlees niet verder te verkopen tot dit geschil beslecht was. Ook hieruit blijkt dat [eiseres] manifest te kwader trouw handelt en er niet voor terugdeinst de Europese sanitaire normen te overtreden, alsook de volksgezondheid in gevaar te brengen. Overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering is het hof gehouden melding te maken aan het Openbaar Ministerie van feiten waarvan het hof kennis krijgt in de uitoefening van zijn ambt en die mogelijks een misdrijf uitmaken. De verkoop van het overschot van het vlees op de Europese markt in strijd met Verordening 853/2004, houdt mogelijks ook een strafrechtelijk gesanctioneerde inbreuk in op het Koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen. Dit arrest moet dan ook ter kennis van het Openbaar Ministerie worden gebracht. [Verweerster] toont aan dat zij gedwaald heeft over de zelfstandigheid van de zaak, nu zij aannam dat de gekochte goederen geschikt waren voor menselijke consumptie in de Europese Markt en [eiseres], als gespecialiseerde professionele verkoper van vleeswaren, haar ter zake niet correct en afdoende heeft geïnformeerd. Deze dwaling is dan ook verschoonbaar, nu niet wordt bewezen dat [verweerster] dit wist of behoorde te weten. De overeenkomst van partijen is nietig omwille van dit wilsgebrek in hoofde van [verweerster]. [Eiseres] dient hetgeen [verweerster] aan haar heeft betaald terug te betalen en dient de schade te vergoeden, die [verweerster] ingevolge deze overeenkomst en de kwade trouw van [eiseres] heeft geleden. Op basis van de voorgelegde stukken dient de eis van [verweerster] ter zake provisioneel op 145.210,27 euro te worden begroot.” (aangevochten arrest, pp. 4-6) Grieven Eerste onderdeel Het recht op vrij verkeer van goederen binnen de Europese markt dient, krachtens artikel 26 en de artikelen 28 tot en met 37 VWEU, te worden gewaarborgd. Uit dit beginsel vloeit voort dat, ingeval van afwezigheid van verbod om voedingsmiddelen te importeren van een andere Lidstaat, deze afwezigheid van verbod, dat mogelijks een leemte is in het voordeel van de invoerder dient te worden uitgelegd. Verder vereisen de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel dat een bepaling van het Unierecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de Lidstaten verwijst, uniform en op autonome wijze wordt uitgelegd. In het raam van deze oefening, vermag de rechter zich niet te beperken tot een letterlijke of grammaticale interpretatie van een bepaling van het Unierecht. De te interpreteren bepaling moet worden uitgelegd met inachtneming van de algemene opzet en doelstelling van de regeling waarvan het een onderdeel vormt. Het is aangewezen te kijken naar de plaats van die bepaling in het geheel van de regeling waarin deze is opgenomen (systematische of contextuele interpretatie) en naar de doelstellingen die deze regeling nastreeft (teleologische of functionele interpretatie). Elke bepaling van het Unierecht moet in haar context worden geplaatst en worden uitgelegd in het licht van dit recht in zijn geheel, zijn doelstellingen en zijn ontwikkelingsstand op het ogenblik waarop de betrokken bepaling moet worden toegepast. Ten slotte geldt ook de regel dat als een bepaling van het Unierecht voor meer dan één uitlegging vatbaar is, moet worden gekozen voor de uitlegging die verenigbaar is met hiërarchisch hogere rechtsnormen, zoals de Verdragen, de grondrechten, waaronder (in casu vooral) deze van de vrijheid van handel, de andere beginselen van het Unierecht en de regels van internationaal recht. Om een bepaling van het Unierecht in zijn context te situeren en de bedoeling van een reglementering van Unierecht na te gaan, is het nuttig om de preambule ervan en de daarin voorkomende consideransen te onderzoeken. Voor bepalingen van afgeleid Unierecht zijn soms nuttige aanwijzingen te vinden in de voorbereidende werken, zoals een voorstel van de Commissie of adviezen of amendementen die uitgaan van andere instellingen en organen van de Europese Unie, al dan niet overgenomen in de finale tekst. De brief van 20 juni 2019 van het Directoraat Generaal voor de Gezondheid en de Voedselveiligheid van de Europese Commissie dateert van na de Verordening 853/2004 en betreft dus geen document dat deel uitmaakt van de voorbereidende werkzaamheden waaruit de wil van de wetgever kan worden afgeleid. In onderhavige zaak plaatste verweerster een bestelling van “ex chilled” (vrije vertaling: voorheen gekoeld) vlees bij eiseres, hetgeen door eiseres als dusdanig geleverd is geweest. De vleeswaren werden echter geweigerd door de veterinaire Italiaanse autoriteiten die de mening zijn toegedaan dat “ex chilled” (vrije vertaling: voorheen gekoeld) vlees strijdig zou zijn met de Verordening nr. 853/2004 en, meer bepaald, met bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, paragraaf 4 van deze Verordening. Voormelde bepaling luidt als volgt: “Vlees dat bestemd is om te worden ingevroren, moet onverwijld worden ingevroren, zo nodig na een stabilisatieperiode.” Partijen voerden betwisting over de interpretatie van het begrip “stabilisatieperiode”. Eiseres stelde dat de term “rijpingsperiode” valt onder de term “stabilisatieperiode”. Volgens verweerster is dit niet het geval. Het begrip “stabilisatieperiode” wordt in de Verordening niet gedefinieerd. Het appelgerecht oordeelt dat “Verordening 853/2004 (…) duidelijk (is) en bepaalt dat vlees dat bestemd is om te worden ingevroren, onverwijld moet worden ingevroren, zo nodig na een stabilisatieperiode”, dat “die stabilisatieperiode doelt op de PH-stabilisatie en (…) zoals blijkt uit de voorgelegde stukken – inzonderheid de brief van 20 juni 2019 van het Directoraat Generaal voor de Gezondheid en de Voedselveiligheid van de Europese Commissie – een kwestie van enkele dagen (is)”, zodat “in geen geval en onder geen enkele interpretatie van de voormelde verordening, (…) deze stabilisatieperiode gelijkgesteld (kan) worden met een rijpingsperiode” en dat “ingevolge Verordening 853/2004 (…) gerijpt vlees bestemt (sic) voor de Europese markt, niet (kan) ingevroren worden” (aangevochten arrest, p. 4), zodat het appelgerecht zijn interpretatie van het begrip “stabilisatieperiode” enkel steunt op de letterlijke/grammaticale interpretatie van het begrip “stabilisatieperiode”, zonder rekening te houden met de voorbereidende werkzaamheden en de rechtspraak van het Hof van Justitie alsook met hiërarchisch hogere normen, niettegenstaande er geen sprake is van een uitdrukkelijk verbod om in te vriezen na onderkoeling na de stabilisatieperiode doch, integendeel, invriezing na droge rijping wel valt onder het begrip stabilisatieperiode. Uit geen enkele vaststelling van het aangevochten arrest noch uit enig element van het dossier blijkt dat in casu het litigieuze vlees op het einde van de vervaldatum bevroren is geweest. Door te beslissen dat “Verordening 853/2004 (…) duidelijk (is) en bepaalt dat vlees dat bestemd is om te worden ingevroren, onverwijld moet worden ingevroren, zo nodig na een stabilisatieperiode”, dat “die stabilisatieperiode doelt op de PH-stabilisatie en (…) zoals blijkt uit de voorgelegde stukken – inzonderheid de brief van 20 juni 2019 van het Directoraat Generaal voor de Gezondheid en de Voedselveiligheid van de Europese Commissie – een kwestie van enkele dagen (is)”, zodat “in geen geval en onder geen enkele interpretatie van de voormelde verordening, (…) deze stabilisatieperiode gelijkgesteld (kan) worden met een rijpingsperiode” en dat “ingevolge Verordening 853/2004 (…) gerijpt vlees bestemt voor de Europese markt, niet (kan) ingevroren worden” (aangevochten arrest, p. 4), terwijl de Verordening geen uitdrukkelijk verbod om gerijpt vlees te bevriezen bevat noch dergelijk verbod uit de Verordening kan afgeleid worden zodat er a fortiori geen verbod kan afgeleid worden om onderkoeld vlees te bevriezen en terwijl het recht op vrij verkeer van goederen binnen de Europese markt, krachtens artikel 26 en de artikelen 28 tot en met 37 VWEU, ingeval van onduidelijkheid dient te worden gewaarborgd, hetgeen een hiërarchische hogere norm dan Verordening 853/2004 uitmaakt, schendt het appelgerecht, mitsdien artikel 26 en de artikelen 28 tot en met 37 VWEU. Door te beslissen dat “Verordening 853/2004 (…) duidelijk (is) en bepaalt dat vlees dat bestemd is om te worden ingevroren, onverwijld moet worden ingevroren, zo nodig na een stabilisatieperiode”, dat “die stabilisatieperiode doelt op de PH-stabilisatie en (…) zoals blijkt uit de voorgelegde stukken – inzonderheid de brief van 20 juni 2019 van het Directoraat Generaal voor de Gezondheid en de Voedselveiligheid van de Europese Commissie – een kwestie van enkele dagen (is)”, zodat “in geen geval en onder geen enkele interpretatie van de voormelde verordening, (…) deze stabilisatieperiode gelijkgesteld (kan) worden met een rijpingsperiode” en dat “ingevolge Verordening 853/2004 (…) gerijpt vlees bestemt voor de Europese markt, niet (kan) ingevroren worden” (aangevochten arrest, p. 4), zodat uit de afwezigheid van verbod, mogelijks een leemte, in de Verordening het aangevochten arrest een verbod afleidt en zijn interpretatie van het begrip “stabilisatieperiode” enkel steunt op de letterlijke/grammaticale interpretatie van het begrip “stabilisatieperiode”, terwijl, zelfs wanneer er een leemte is in de tekst van de Verordening, de rechter zich niet vermag te beperken tot een letterlijke/grammaticale interpretatie van het begrip “stabilisatieperiode” doch de preambule en de voorbereidende werkzaamheden dient te raadplegen alsook de rechtspraak van het Hof van Justitie aangaande de import van vleeswaren binnen de Europese markt en terwijl de brief d.d. 20 juni 2019 uitgaande van het Directoraat Generaal voor de Gezondheid en de Voedselveiligheid van de Europese Commissie, aangezien deze dateert van na de Verordening 853/2004, niet kan beschouwd worden als deel uitmakend van de voorbereidende werkzaamheden waaruit de wil van de wetgever kan worden afgeleid, schendt het appelgerecht, mitsdien, tevens bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 4 van Verordening 853/
- In ondergeschikte orde, verzoekt eiseres Uw Hof om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie in verband met de interpretatie die moet gegeven worden aan Verordening 853/2004: “Moet bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 4 van Vordering nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong, die als volgt luidt: “Vlees dat bestemd is om te worden ingevroren, moet onverwijld worden ingevroren, zo nodig na een stabilisatieperiode”, aldus worden geïnterpreteerd dat, ingeval van onderkoeld vlees, de onderkoeling deel uitmaakt van de stabilisatieperiode, of het eraan kan voorafgaan, en aldus worden geïnterpreteerd dat, ingeval van onderkoeld vlees dat bestemd is om te worden ingevroren, deze kan bevroren worden nà de koeling, omdat deze deel uitmaakt van het rijpingsproces en de stabilisatieperiode ?” Tweede onderdeel Hoewel de feitenrechter op soevereine wijze nopens de bewijswaarde van de door partijen aangevoerde bewijzen oordeelt, mag de rechter de bewijskracht van een akte niet schenden. De rechter schendt de bewijskracht van een akte conform de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek (voorheen de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Oud Burgerlijk Wetboek) wanneer hij aan deze akte een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. De brief van 20 juni 2019 van het Directoraat Generaal voor de Gezondheid en de Voedselveiligheid van de Europese Commissie (Stuk 8 van verweerster), stelt het volgende: “Point 4 to Chapter VII of Section I to Annex III of Regulation (EC) No 853/2004 lays down that “meat intended for freezing must be frozen without undue delay, taking into account where necessary a stabilisation period before freezing ." A stabilisation period for meat to stabilise the pH of the carcase is a matter of a few days except in the case of so called “dry-ageing”. In any case, it normally occurs before any placing on the market. This requirement would not be so clearly spelled out if meat could be frozen at any stage of the production chain. Freezing at the end of the expiration date is thus in principle in contradiction with the EU legal requirement. The text does not leave any flexibility in that regard except at retail level when distributing to another retailer if such activity stays marginal, localised and restricted under national rules in accordance with its Article 1
(5)(b)(
- ii)of Regulation (EC) No 853/2004. The legal obligation has been reiterated in Section 5.4 of the Commission Notice - EU guidelines on food donation. In addition, freezing at a later stage could be used to hide deterioration and further jeopardise the safety of the meat marketed and ultimately would mislead the consumer on the quality of the meat offered for sale.” (Stuk 8 van verweerster, door ondergetekende benadrukt) Vrije vertaling: “Punt 4 van hoofdstuk VII van sectie I van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 853/2004 bepaalt dat "vlees dat bestemd is om te worden ingevroren, onverwijld moet worden ingevroren". Een stabilisatieperiode voor vlees om de pH van het karkas te stabiliseren is een kwestie van enkele dagen, behalve in het geval van zogenaamde "dry-ageing". In ieder geval vindt deze periode normaliter plaats voordat het vlees op de markt wordt gebracht. Dit voorschrift zou niet zo duidelijk uitgedrukt zijn indien vlees in elk stadium van de productieketen kon worden ingevroren. Invriezen aan het einde van de houdbaarheidsdatum is dus in principe in strijd met de wettelijke vereisten van de EU. De tekst laat in dat opzicht geen enkele flexibiliteit, behalve op het niveau van de detailhandel bij distributie aan een andere detailhandelaar, indien die activiteit marginaal, lokaal en beperkt blijft overeenkomstig de nationale voorschriften van artikel 1, lid 5, onder b), ii), van Verordening (EG) nr. 853/2004. De wettelijke verplichting is herhaald in punt 5.4 van de mededeling van de Commissie - EU-richtsnoeren inzake voedseldonatie. Bovendien zou invriezen in een later stadium kunnen worden gebruikt om bederf te verbergen en de veiligheid van het verhandelde vlees verder in gevaar kunnen brengen en uiteindelijk de consument kunnen misleiden over de kwaliteit van het te koop aangeboden vlees.” Uit voormelde brief uitgaande van de Europese Commissie volgt enkel en alleen dat (
- i)een stabilisatieperiode voor vlees om de pH te stabiliseren van het karkas een kwestie van enkele dagen is, behalve in het geval van zogenaamde "dry-ageing" (vrije vertaling: “droge rijping”), zodat daaruit kan afgeleid worden dat de Europese Commissie van oordeel is dat de rijpingsperiode geviseerd wordt door de stabilisatieperiode en (
- ii)enkel het bevriezen op het einde van de vervaldatum, in principe, mits uitzonderingen, strijdig is met de Europese regelgeving. Uit voormelde brief blijkt aldus enkel dat de stabilisatieperiode, in principe, een kwestie van enkele dagen is tenzij ingeval van “dry-ageing” (vrije vertaling: “droge rijping”) dat langer duurt, hetgeen impliceert dat, ingeval van gerijpt vlees, de rijpingsperiode eveneens geviseerd wordt door de stabilisatieperiode en dus a fortiori geen verbod bestaat om onderkoeld vlees na stabilisatieperiode te bevriezen. Bovendien blijkt uit voormelde brief enkel en alleen dat het bevriezen op het einde van de vervaldatum, in principe, verboden is. Uit geen enkele vaststelling van het aangevochten arrest noch enig element van het dossier blijkt dat in casu het vlees op het einde van de vervaldatum bevroren is geweest. Het appelgerecht oordeelt dat “Verordening 853/2004 (…) duidelijk (
- is)en bepaalt dat vlees dat bestemd is om te worden ingevroren, zo nodig na een stabilisatieperiode” en dat “die stabilisatieperiode doelt op de PH-stabilisatie en (…) zoals blijkt uit de voorgelegde stukken – inzonderheid de brief van 20 juni 2019 van het Directoraat Generaal voor de Gezondheid en de Voedselveiligheid van de Europese Commissie – een kwestie van enkel dagen (is)”, zodat “in geen geval en onder geen enkele interpretatie van de voormelde verordening, (…) deze stabilisatieperiode gelijkgesteld (kan) worden met een rijpingsperiode” (aangevochten arrest, p. 4). Zodoende oordeelt het appelgerecht dat de brief van 20 juni 2019 van het Directoraat Generaal voor de Gezondheid en de Voedselveiligheid van de Europese Commissie dient te worden gelezen in de zin dat de stabilisatieperiode in ieder geval een kwestie van enkele dagen is, zodat de rijpingsperiode niet geviseerd wordt door de stabilisatieperiode. Door te oordelen dat “Verordening 853/2004 (…) duidelijk (
- is)en bepaalt dat vlees dat bestemd is om te worden ingevroren, onverwijld moet worden ingevroren, zo nodig na een stabilisatieperiode”, dat “die stabilisatieperiode doelt op de PH-stabilisatie en (…) zoals blijkt uit de voorgelegde stukken – inzonderheid de brief van 20 juni 2019 van het Directoraat Generaal voor de Gezondheid en de Voedselveiligheid van de Europese Commissie – een kwestie van enkele dagen (is)”, zodat “in geen geval en onder geen enkele interpretatie van de voormelde verordening, (…) deze stabilisatieperiode gelijkgesteld (kan) worden met een rijpingsperiode” en dat “ingevolge Verordening 853/2004 (…) gerijpt vlees bestemt voor de Europese markt, niet (kan) ingevroren worden” (aangevochten arrest, p. 4), zodat het appelgerecht in de brief van 20 juni 2019 van het Directoraat Generaal voor de Gezondheid en de Voedselveiligheid van de Europese Commissie leest dat de stabilisatieperiode in ieder geval een kwestie van enkele dagen is en de rijpingsperiode noch onderkoelingsperiode geviseerd worden door de stabilisatieperiode, leest het appelgerecht niet iets dat in voormeld schrijven van 20 juni 2019 vermeld staat, met name dat (
- i)een stabilisatieperiode voor vlees om de pH te stabiliseren van het karkas een kwestie van enkele dagen is, behalve in het geval van zogenaamde "dry-ageing" (vrije vertaling: “droge rijping”), hetgeen impliceert dat de rijpingsperiode, ingeval van gerijpt vlees, ook geviseerd wordt door de stabilisatieperiode, zodat a fortiori geen verbod bestaat om ook onderkoeld vlees na stabilisatieperiode te bevriezen en (
- ii)enkel het bevriezen op het einde van de vervaldatum, in principe, mits uitzonderingen, strijdig is met de Europese regelgeving, en leest het iets dat in voormeld schrijven niet vermeld staat, met name dat de stabilisatieperiode in ieder geval slechts een kwestie van enkele dagen is ook ingeval van onderkoeld vlees, miskent het appelgerecht de bewijskracht van voormeld stuk en, mitsdien, het algemeen rechtsbeginsel van de schending van de bewijskracht van een geschrift conform de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek (voorheen de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Oud Burgerlijk Wetboek). Derde onderdeel De rechter van de forumstaat vermag de geldigheid van overheidshandelingen van een andere Staat niet te beoordelen indien deze handelingen (
- i)zijn gesteld in de uitoefening van het openbaar gezag van die andere Staat (d.w.z. acta jure imperii zijn), (
- ii)binnen de rechtsmacht van die Staat vallen en (iii) in overeenstemming zijn met het internationaal recht. Voor handelingen van een vreemde Staat binnen voormelde contouren geldt de soevereine gelijkheid van Staten als rechtsgrondslag voor de “act of state” doctrine. Wanneer voor een nationale rechter de vraag wordt gesteld naar de geldigheid van een buitenlandse regeringshandeling/overheidshandeling (“acte de gouvernement”), verbiedt de “act of state” doctrine de rechter om daarover te oordelen. Voormelde doctrine biedt een vermoeden van geldigheid aan een buitenlandse overheidshandeling door de enkele omstandigheid dat deze voortvloeit uit de territoriale bevoegdheid van de vreemde staat. Aldus verzekert de act of state doctrine de bescherming van de buitenlandse overheidshandeling omwille van de intrinsieke aard ervan. In onderhavige zaak plaatste verweerster een bestelling van “ex chilled” (vrije vertaling: voorheen gekoeld) vlees bij eiseres, hetgeen door eiseres als dusdanig geleverd is geweest. De vleeswaren werden echter door de veterinaire Italiaanse autoriteiten geweigerd die de mening waren toegedaan dat “ex chilled” (vrije vertaling: voorheen gekoeld) strijdig zou zijn met de Verordening nr. 853/2004 en, meer bepaald, met bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, paragraaf 4 van deze Verordening. Het appelgerecht toetst de wettelijkheid van deze beslissing van de Italiaanse autoriteiten en oordeelt dat “een eerste partij vlees (…) dan ook - conform Verordening 853/2004 – (werd) geweerd door de Italiaanse autoriteiten” (aangevochten arrest, p. 4). Door te oordelen dat “een eerste partij vlees (…) dan ook - conform Verordening 853/2004 – (werd) geweerd door de Italiaanse autoriteiten” (aangevochten arrest, p. 4) en aldus de wettelijkheid van de beslissing van de Italiaanse autoriteiten te toetsen die de vleeswaren hebben geweigerd omdat die de mening zijn toegedaan dat “ex chilled” (vrije vertaling: voorheen gekoeld) strijdig zou zijn met de Verordening nr. 853/2004 en, meer bepaald, met bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, paragraaf 4 van deze Verordening, terwijl de rechter van de forumstaat de geldigheid van overheidshandelingen van een andere Staat niet vermag te beoordelen indien deze handelingen zijn gesteld in de uitoefening van het openbaar gezag van die andere Staat, binnen de rechtsmacht van die Staat vallen en in overeenstemming zijn met het internationaal recht, schendt het appelgerecht, mitsdien, de act of state doctrine zoals vastgelegd in het gewoonterecht als bewijs van een algemene praktijk die als wet is aanvaard en een bron van internationaal publiekrecht is. Vierde onderdeel Artikel 1134, lid 3 van het Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat overeenkomsten te goeder trouw ten uitvoer moeten worden gebracht. Als gedragsregel houdt artikel 1134, lid 3 van het Oud Burgerlijk Wetboek in dat partijen zich bij de uitvoering van hun overeenkomst moeten gedragen zoals van redelijke contractpartijen wordt verwacht, of – met andere woorden – naar de eisen van redelijkheid en billijkheid. Men onderscheidt in het licht hiervan veelal de aanvullende werking en de matigende werking van de goede trouw. De matigende of beperkende functie van de goede trouw houdt in dat het een contractpartij verboden is de rechten voortvloeiende uit de overeenkomst uit te oefenen op een wijze die strijdig is met wat van een redelijke contractpartij mag worden verwacht. De aanvullende functie van de goede trouw houdt in dat aan contractpartijen bijkomende (negatieve of positieve) verplichtingen worden opgelegd, die niet door de partijen waren voorzien (of zelfs niet waren gewenst) en die evenmin door de wet of door het gebruik aan de contractuele relatie worden toegevoegd. Deze functie vindt haar wettelijke bevestiging in artikel 1135 van het Oud Burgerlijk Wetboek. Voormeld artikel bepaalt dat overeenkomsten niet enkel verbinden tot hetgeen daarin uitdrukkelijk is bepaald, maar ook tot alle gevolgen die door de billijkheid, het gebruik of de wet aan de verbintenis, volgens de aard ervan, worden toegekend. De aanvullende werking van de goede trouw impliceert een samenwerkingsplicht en een loyauteitsverplichting voor de partijen bij de uitvoering van hun contract. De rechter houdt in zijn beoordeling rekening met het referentiegedrag van een redelijke en dus van een zorgvuldige contractant in deze omstandigheden geplaatst. De rechter zal geval per geval beoordelen en de concrete omstandigheden in zijn oordeel betrekken, zoals de aard van de overeenkomst, de graad van deskundigheid van de partijen en de al niet lange duur van de overeenkomst. De toetsing door de rechter in het licht van de matigende werking van de goede trouw wordt veelal als een marginale toetsing bestempeld. Daarentegen beschikt de feitenrechter over een volledig toetsingsrecht bij beslissingen in het kader van de aanvullende functie van de goede trouw. In casu maakt het onderzochte arrest toepassing van de aanvullende werking van de goede trouw, door te oordelen dat “als gespecialiseerde onderneming in de import en export van vlees op groothandelsniveau, (…) [eiseres] (wist of behoorde) te weten dat voorheen gekoeld vlees dat nadien ingevroren was, niet voor de Europese markt bestemd kon worden, temeer daar [eiseres] zich zelf kwalificeert als een toonaangevende of leidinggevende importeur van vlees op de Europese markt”, zodat “[eiseres] (…) te kwader trouw (heeft) gehandeld ten aanzien van [verweerster]”, daar “[eiseres], die een gespecialiseerde professionele verkoper in vleeswaren is, (…) [verweerster] (behoorde) te informeren dat het verkochte vlees niet voor de Europese markt bestemd kon worden”. Daarenboven oordeelt het appelgerecht dat “het (…) niet betwist (wordt) dat [verweerster] wist dat het gekochte ingevroren vlees voorheen gekoeld vlees was”, maar “er (…) echter niet bewezen (wordt) dat [verweerster] wist of behoorde te weten dat het gekochte vlees niet bestemd kon worden voor de Europese markt” (aangevochten arrest, pp. 4-5). Aldus oordeelt het appelgerecht dat eiseres, als gespecialiseerde onderneming in de import en export vlees op groothandelsniveau, wist of behoorde te weten dat voorheen gekoeld vlees dat nadien ingevroren wordt, niet voor de Europese markt bestemd kon worden en dat eiseres te kwader trouw heeft gehandeld ten aanzien van verweerster, door deze laatste hieromtrent niet geïnformeerd te hebben, en verder dat verweerster, die wist dat het gekochte ingevroren vlees voorheen gekoeld was, niet wist of behoorde te weten dat het gekochte vlees niet bestemd kon worden voor de Europese markt. Echter wordt de import van ingevroren gerijpt vlees niet uitdrukkelijk verboden door de Verordening, zodat eiseres het standpunt van de Italiaanse autoriteiten hieromtrent in het raam van de overeenkomst niet kon anticiperen, daar de import binnen de Europese Unie van ex chilled (vrije vertaling: voorheen gekoeld) vlees niet uitdrukkelijk verboden wordt door de Verordening. Er is immers een leemte in de Europese regelgeving en rechtspraak, zodat de beslissing van het appelgerecht impliceert dat eiseres deze leemte en de invulling ervan gegeven door de Italiaanse autoriteiten had moeten anticiperen. De aanvullende functie van de goede trouw impliceert echter alleen een informatieverplichting, enkel voor zover de contractpartij kennis had van een wettelijk verbod, hetgeen in casu niet met zekerheid voorligt, daar de wetsbepaling voor interpretatie vatbaar is, zodat het appelgerecht zijn toetsingsbevoegdheid in het kader van de aanvullende functie van de goede trouw overschrijdt door te oordelen dat eiseres de leemte in de Verordening en de interpretatie desaangaande van en de invulling van deze leemte door de Italiaanse autoriteiten diende te anticiperen, zodat een informatieverplichting ten aanzien van verweerster op haar rustte. Door te oordelen dat “als gespecialiseerde onderneming in de import en export van vlees op groothandelsniveau, (…) [eiseres] (wist of behoorde) te weten dat voorheen gekoeld vlees dat nadien ingevroren was, niet voor de Europese markt bestemd kon worden, temeer daar [eiseres] zich zelf kwalificeert als een toonaangevende of leidinggevende importeur van vlees op de Europese markt”, zodat “[eiseres] (…) te kwader trouw (heeft) gehandeld ten aanzien van [verweerster]”, daar “[eiseres], die een gespecialiseerde professionele verkoper in vleeswaren is, (…) [verweerster] (behoorde) te informeren dat het verkochte vlees niet voor de Europese markt bestemd kon worden” en dat “het (…) niet betwist (wordt) dat [verweerster] wist dat het gekochte ingevroren vlees voorheen gekoeld vlees was”, maar “er (…) echter niet bewezen (wordt) dat [verweerster] wist of behoorde te weten dat het gekochte vlees niet bestemd kon worden voor de Europese markt” (aangevochten arrest, pp. 4-5), zodat het oordeelt dat eiseres, als gespecialiseerde onderneming in de import en export vlees op groothandelsniveau, wist of behoorde te weten dat voorheen gekoeld vlees dat nadien ingevroren wordt, niet voor de Europese markt bestemd kon worden en dat eiseres te kwader trouw heeft gehandeld ten aanzien van verweerster, door deze laatste hieromtrent niet geïnformeerd te hebben, maar dat verweerster, die wist dat het gekochte ingevroren vlees voorheen gekoeld was, niet wist of behoorde te weten dat het gekochte vlees niet bestemd kon worden voor de Europese markt, terwijl de aanvullende werking van de goede trouw een informatieverplichting impliceert enkel voor zover de contractpartij kennis had van een wettelijk verbod, hetgeen in casu niet met zekerheid voorligt, daar de wetsbepaling voor interpretatie vatbaar is, zodat eiseres noch in staat was om de leemte in de Verordening te anticiperen, noch in staat was om de interpretatie van en de invulling van deze leemte in de Verordening door te Italiaanse autoriteiten te anticiperen, zodat het appelgerecht zijn toetsingsbevoegdheid in het kader van de aanvullende functie van de goede trouw overschrijdt door te oordelen dat eiseres de leemte in de Verordening en de interpretatie desaangaande van en de invulling van deze leemte gegeven door de Italiaanse autoriteiten diende te anticiperen, zodat een informatieverplichting ten aanzien van verweerster op eiseres rustte, schendt het appelgerecht, mitsdien, de artikelen 1134, lid 3 en 1135 van het Oud Burgerlijk Wetboek. Vijfde onderdeel Krachtens artikel 1648 van het Oud Burgerlijk Wetboek moet de rechtsvordering op grond van koopvernietigende gebreken door de koper worden ingesteld binnen een korte tijd, al naar de aard van de koopvernietigende gebreken en de gebruiken van de plaats waar de koop gesloten is. Wanneer de vordering op grond van artikel 1648 van het Oud Burgerlijk Wetboek wegens verborgen gebrek laattijdig werd ingesteld is deze, bijgevolg, ontoelaatbaar. Eiseres voerde in haar synthesebesluiten aan dat de vordering van verweerster gesteund op artikel 1648 van het Oud Burgerlijk Wetboek laattijdig is: “Zelfs als toch zou uitgegaan worden van een verborgen gebrek aan de geleverde goederen, is een dergelijke vordering die ingesteld wordt zowat anderhalf jaar na levering, nadat de visie van concluante omtrent deze problematiek reeds lang duidelijk is en nadat men zelf geconfronteerd geworden is met een vordering tot betaling van de schade die het gevolg is van de niet-afname van andere bestellingen (hiervóór was er namelijk geen enkele sprake van een zogenaamd verborgen gebrek aan de goederen, doch werd enkel het standpunt meegedeeld dat zij schade zou hebben geleden als gevolg van de weigering door de Italiaanse autoriteiten van het betrokken vlees op basis van een eenzijdige interpretatie van de Verordening 853/2004), manifest laattijdig en is de voorwaarde van artikel 1648 Burgerlijk Wetboek, dat stelt dat de rechtsvordering op grond van koopvernietigende gebreken door de koper binnen een korte tijd moet worden ingesteld, niet vervuld” (beroepssynthesebesluiten van eiseres, p. 58) Op grond van artikel 149 van de Grondwet is elk vonnis met redenen omkleed en dient de rechter op de conclusies van de partijen te antwoorden. De motieven van de rechterlijke beslissing geven aan de rechtszoekende de mogelijkheid om de beslissing te begrijpen en af te wegen of hij met een redelijke kans op succes een verhaal kan instellen. Desalniettemin oordeelt het appelgerecht dat “aangezien het gekochte vlees niet geschikt was voor het doel waarvoor het bestemd was (menselijke consumptie binnen de Europese Unie), (…) er hier wel degelijk sprake (
- is)van een verborgen gebrek” (aangevochten arrest, p. 5), zodat het appelgerecht van oordeel is dat er sprake is van een verborgen gebrek doch geenszins onderzoekt of de vordering van verweerster gesteund op de vrijwaring voor verborgen gebreken al dan niet werd ingesteld binnen een korte termijn. Door te oordelen dat aangezien het gekochte vlees niet geschikt was voor het doel waarvoor het bestemd was (menselijke consumptie binnen de Europese Unie), (…) er hier wel degelijk sprake (
- is)van een verborgen gebrek” (aangevochten arrest, p. 5), zodat het appelgerecht oordeelt dat er sprake is van een verborgen gebrek doch geenszins onderzoekt of de vordering van verweerster gesteund op de vrijwaring voor verborgen gebreken al dan niet werd ingesteld binnen een korte termijn, terwijl, krachtens artikel 1648 van het Oud Burgerlijk Wetboek, de rechtsvordering op grond van koopvernietigende gebreken door de koper moet worden ingesteld binnen een korte tijd, schendt het appelgerecht, mitsdien, artikel 1648 van het Oud Burgerlijk Wetboek. Door te oordelen dat aangezien het gekochte vlees niet geschikt was voor het doel waarvoor het bestemd was (menselijke consumptie binnen de Europese Unie), (…) er hier wel degelijk sprake (
- is)van een verborgen gebrek” (aangevochten arrest, p. 5), zodat het appelgerecht oordeelt dat er sprake is van een verborgen gebrek doch geenszins onderzoekt of de vordering van verweerster gesteund op de vrijwaring voor verborgen gebreken al dan niet werd ingesteld binnen een korte termijn, terwijl eiseres in haar syntheseberoepsbesluiten aanvoerde dat de vordering van verweerster gesteund op artikel 1648 van het Oud Burgerlijk Wetboek laattijdig is en terwijl de rechter op elk der middelen van partijen dient te antwoorden, antwoordt het aangevochten arrest niet op voormeld middel van eiseres, zodat het niet regelmatig met redenen omkleed is en, mitsdien, tevens artikel 149 van de Grondwet schendt. Zesde onderdeel Een regelmatige motivering conform artikel 149 van de Grondwet houdt ook in dat de motieven van de rechter niet tegenstrijdig mogen zijn. In geval van tegenstrijdige motieven is er immers sprake van het ontbreken van redenen, aangezien tegenstrijdige motieven of beslissingen geacht worden elkaar onderling op te heffen. Enerzijds oordeelt het appelgerecht dat eiseres “wist dat [verweerster] het gekochte vlees voor de Europese Markt bestemde” (aangevochten arrest, p. 5), zodat eiseres wist dat verweerster de verkochte goederen enkel bestemde voor de Europese markt. Anderzijds oordeelt het appelgerecht dat “niet wordt aangetoond dat de verkochte goederen niet buiten de Europese Unie verhandeld konden worden” door verweerster, zodat de “overeenkomst (…) geen ongeoorloofd voorwerp of oorzaak (heeft)” (onderzochte arrest, p. 5), zodat het appelgerecht oordeelt dat niet is aangetoond dat het gekochte vlees niet buiten de Europese Unie verhandeld kon worden, terwijl het eerder oordeelde dat het vlees enkel bestemd was voor de Europese markt. Door, enerzijds, te oordelen dat eiseres “wist dat [verweerster] het gekochte vlees voor de Europese Markt bestemde” (aangevochten arrest, p. 5), zodat eiseres wist dat verweerster de verkochte goederen enkel bestemde voor de Europese markt en, anderzijds, te oordelen dat “niet wordt aangetoond dat de verkochte goederen niet buiten de Europese Unie verhandeld konden worden” door verweerster, zodat de “overeenkomst (…) geen ongeoorloofd voorwerp of oorzaak (heeft)” (onderzochte arrest, p. 5), zodat het appelgerecht oordeelt dat niet is aangetoond dat het gekochte vlees niet buiten de Europese Unie verhandeld kon worden, ofschoon het eerder oordeelde dat het vlees enkel bestemd was voor de Europese markt, bevat het aangevochten arrest tegenstrijdige motieven, zodat het niet regelmatig met redenen is omkleed en, mitsdien, artikel 149 van de Grondwet schendt. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Ontvankelijkheid 1. De verweerster voert een grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel aan: de beoordeling van het begrip “stabilisatieperiode” is van feitelijke aard, zodat het Hof hiertoe niet bevoegd is. 2. De uitleg van het begrip “stabilisatieperiode” in de zin van Bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 4, bij Verordening 853/2004 betreft geen feitelijke beoordeling, maar de uitleg van een rechtsbegrip. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid 3. Het onderdeel komt op tegen de beslissing van de appelrechter dat de stabilisatieperiode vermeld in Bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 4, bij Verordening 853/2004, waarna voor invriezing bestemd vlees onverwijld moet worden ingevroren, slechts doelt op de pH-stabilisatie, wat een kwestie zou zijn van een aantal dagen, en niet kan worden gelijkgesteld met een rijpingsperiode, die ertoe strekt het vlees te vermalsen, zodat met het oog op rijping gekoeld vlees bestemd voor de Europese markt, daarna niet meer kan worden ingevroren. Het onderdeel voert aan dat uit voormelde bepaling geen verbod kan worden afgeleid om met het oog op rijping gekoeld vlees nadien nog in te vriezen. 4. Krachtens artikel 3, lid 1, Verordening 853/2004 dienen exploitanten van levensmiddelenbedrijven te voldoen aan de toepasselijke bepalingen van bijlage II en III. In bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, met als titel “Opslag en vervoer” wordt bepaald dat “exploitanten van levensmiddelenbedrijven ervoor moeten zorgen dat de opslag en het vervoer van vlees van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren geschiedt volgens de volgende eisen: 1.
- a)Tenzij andere specifieke bepalingen in een andere regeling voorzien, moet de postmortemkeuring onmiddellijk worden gevolgd door koeling in het slachthuis om via een continue daling van de temperatuur overal in het vlees een temperatuur van niet meer dan 3° C voor slachtafvallen en 7° C voor ander vlees te verzekeren. (…) 2. Vlees moet de in punt 1 bedoelde temperatuur hebben bereikt en moet die temperatuur behouden tijdens de opslag. 3. Vlees moet de in punt 1 bedoelde temperatuur hebben bereikt alvorens het kan worden vervoerd, en moet die temperatuur tijdens het vervoer behouden. (…) 4. Vlees dat bestemd is om te worden ingevroren, moet onverwijld worden ingevroren, zo nodig na een stabilisatieperiode.” 5. Considerans 2 van Verordening 853/2004 luidt dat bepaalde levensmiddelen specifieke gevaren kunnen inhouden voor de volksgezondheid, zodat specifieke hygiënevoorschriften moeten worden vastgesteld. Dat geldt met name voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong waarbij herhaaldelijk microbiologische en chemische gevaren zijn gemeld. Considerans 4 van voornoemde verordening bepaalt dat wat de volksgezondheid betreft, deze voorschriften gemeenschappelijke beginselen bevatten. Zo stellen zij met name soortgelijke regels vast met betrekking tot de verantwoordelijkheden van fabrikanten en bevoegde autoriteiten, de structurele, operationele en hygiënevoorschriften waaraan inrichtingen moeten voldoen, de procedures voor de erkenning van inrichtingen, en de voorwaarden voor opslag en vervoer, en keurmerken. Considerans 9 van voormelde verordening bepaalt dat de herziening hoofdzakelijk ten doel heeft om, met betrekking tot de voedselveiligheid, een hoog niveau van bescherming van de consument te garanderen, met name door alle exploitanten van levensmiddelenbedrijven in de gehele Gemeenschap aan dezelfde regels te onderwerpen, en de goede werking van de interne markt met betrekking tot producten van dierlijke oorsprong te waarborgen, en aldus bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Considerans 4 van Verordening (EG) nr. 558/2010 van 24 juni 2010 tot wijziging van bijlage III bij Verordening 853/2004 luidt ten slotte dat “het invriezen onmiddellijk na het slachten en koelen de groei van bacteriën minimaliseert en als gevolg daarvan ook de microbiologische belasting bij het ontdooien. Zoals in bepalingen voor vlees van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren, moet ook voor invriezen bestemd vlees van pluimvee en haasachtigen onmiddellijk na het slachten en koelen worden ingevroren.” 6. In sectie 5.4 van de Mededeling van de Europese Commissie met betrekking tot EU-richtsnoeren inzake voedseldonatie (2017/C 361/01) wordt vermeld dat Verordening 853/2004 om hygiënische redenen bepaalt dat levensmiddelen van dierlijke oorsprong die bestemd zijn om te worden ingevroren, onmiddellijk na de productie moeten worden ingevroren. In voetnoot 2 wordt verduidelijkt dat dit de mogelijkheid uitsluit om dergelijke producten aan het einde van hun houdbaarheidsperiode in te vriezen om hygiënische of kwaliteitsredenen. 7. In zijn arrest T. Boer & Zonen van 2 mei 2019 (C-98/18) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie, in het raam van een uitleg van bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punten 1 en 3, bij Verordening 853/2004 gewezen op het hoofddoel van de hygiëneregels, waarmee wordt beoogd om met betrekking tot voedselveiligheid een hoog niveau van bescherming van de consument te garanderen (punt 44). Mede gelet op de doelstelling om een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te verzekeren en in acht genomen de bewoordingen van de betrokken bepalingen, heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat zij aldus moeten worden uitgelegd dat na het slachten het vlees in het slachthuis zelf moet worden gekoeld tot overal in het vlees een temperatuur van ten hoogste 7°C is bereikt, en dan pas naar een koelwagen mag worden verladen (punt 47). 8. Het begrip “stabilisatieperiode”, waarna voor invriezing bestemd vlees onverwijld moet worden ingevroren, krachtens bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 4, bij Verordening 853/2004, wordt noch gedefinieerd in deze verordening noch in de voorbereidende werken of in enige andere relevante Unierechtelijke regelgeving, met name de Verordeningen (EG) nr. 178/2002 van 28 januari 2002 en (EG) nr. 852/2004 van 29 april 2004. Er bestaat derhalve onzekerheid of die stabilisatieperiode enkel betrekking heeft op de korte periode na slachting waarin het vlees gekoeld wordt conform de vereisten van bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 1, bij Verordening 853/2004, totdat een pH- en thermische stabilisatie wordt bereikt, zodat het vlees onmiddellijk daarna moet worden ingevroren, dan wel of zij ook betrekking heeft op de daaropvolgende koelingsperiode noodzakelijk voor verdere rijping, zodat het vlees ook na dit rijpingsproces nog kan worden ingevroren. 9. Een uitleg volgens dewelke de stabilisatieperiode uitsluitend doelt op de korte koelingsperiode na slachting die noodzakelijk is om een pH- en thermische stabilisatie te bereiken, zodat voor invriezing bestemd vlees onmiddellijk daarna moet worden ingevroren en de invriezing niet meer na rijping kan gebeuren, lijkt het meest in overeenstemming te zijn met het hoofddoel van de genoemde Unierechtelijke hygiëneregels om een hoog beschermingsniveau van de volksgezondheid te verzekeren. Uit de vaststellingen van de appelrechter blijkt evenwel dat de Nederlandse en Italiaanse autoriteiten inzake voedselveiligheid tegengestelde standpunten innemen omtrent de mogelijkheid om met het oog op rijping gekoeld vlees in te vriezen. Gelet op deze uiteenlopende visies, is de uitleg van bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 4 bij Verordening 853/2004 niet zo evident dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan. 10. Het Hof is dan ook van oordeel dat het noodzakelijk voorkomt om, alvorens verder uitspraak te doen, overeenkomstig artikel 267 VWEU, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de in het dictum van dit arrest geformuleerde prejudiciële vraag te stellen. Dictum Het Hof, Houdt, vooraleer verder te beslissen, de uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Unie bij prejudiciële beslissing over de volgende vraag uitspraak zal hebben gedaan: “Dient het bepaalde in bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, aanhef en punt 4, bij Verordening nr. 853/2004 aldus te worden uitgelegd dat de stabilisatieperiode enkel betrekking heeft op de korte periode na slachting waarin het vlees gekoeld wordt om de vereiste pH- en thermische stabilisatie te bereiken, zodat voor invriezing bestemd vlees onverwijld daarna moet worden ingevroren, en dat zij dus geen betrekking heeft op de daaropvolgende koelingsperiode om het vlees verder te laten rijpen, zodat voor invriezing bestemd vlees na rijping niet meer kan worden ingevroren?” Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 5 oktober 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231005.1N.4 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231005.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div