← België

V. contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231005.1N.8 Rolnummer: C.23.0089.N Zaak: V. contra P. Kamer: 1N - eerste kamer Invoerdatum: 2023-11-10 Raadplegingen: 2340 - laatst gezien 2026-06-13 06:08 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0089.N

  1. K.V.L.,
  2. C.D., eisers, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen S.P., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177, bus 7, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 juni
  3. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  4. Volgens artikel 1892 Oud Burgerlijk Wetboek is de verbruiklening een contract waarbij de ene partij een zekere hoeveelheid zaken die door het gebruik teniet gaan, aan de andere partij afgeeft, onder verplichting voor deze om aan de eerstgenoemde evenzoveel van gelijke soort en hoedanigheid terug te geven.
  5. Artikel 8.4, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat hij die meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, de rechtshandelingen of feiten moet bewijzen die daaraan ten grondslag liggen. Het tweede lid van deze wetsbepaling bepaalt dat hij die beweert bevrijd te zijn, de rechtshandelingen of feiten moet bewijzen die zijn bewering ondersteunen. Het derde lid van deze wetsbepaling bepaalt dat alle partijen gehouden zijn om mee te werken aan de bewijsvoering.
  6. Uit de samenhang van deze wetsbepalingen volgt dat hij die de terugbetaling van een geldsom vordert die hij beweert als lening te hebben overhandigd, het bestaan van de leningsovereenkomst moet bewijzen. Daartoe dient hij de overhandiging van de geleende geldsom alsook de verbintenis van de ontlener tot terugbetaling van die geldsom te bewijzen. De verplichting voor de partijen om loyaal mee te werken aan de bewijsvoering, mag geen omkering van de bewijslast tot gevolg hebben.
  7. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - het bewijs van een lening een dubbel bewijs veronderstelt; - in de eerste plaats de terbeschikkingstelling van de geleende som moet worden bewezen; - in de tweede plaats de terugbetalingsverbintenis moet worden bewezen; - niet betwist wordt dat de eisers 60.000 euro hebben overgeschreven op de bankrekening van de verweerder; - de verweerder zich in de leningsovereenkomst van 28 september 2017 ertoe verbindt de hem in het kader van de leningsovereenkomst ter beschikking gestelde gelden terug te betalen; - de verweerder betwist dat de eerste vier overschrijvingen voor een totaal bedrag van 50.000 euro in het kader van de leningsovereenkomst van 28 september 2017 geschiedden; - uit geen van de voorgebrachte stukken blijkt dat de eerste vier overschrijvingen geschiedden in het kader van de leningsovereenkomst, die slechts op 28 september 2017, hetzij na de verrichte betalingen, werd aangegaan; - de eerste overschrijving weliswaar als mededeling “lening” vermeldt, doch deze vermelding louter eenzijdig door de eisers is gedaan en geen enkele aanwijzing geeft in het kader van welke lening de betaling werd gedaan; - de omstandigheden op het ogenblik van deze eerste overschrijving niet van die aard waren dat zij erop wijzen dat de verweerder stilzwijgend heeft ingestemd met de mededeling dat deze betaling gebeurde in het kader van een lening; - de drie maanden later op 28 september 2017 aangegane lenings-overeenkomst niet kan worden beschouwd als dergelijke omstandigheid; - geen van de andere overschrijvingen de mededeling “lening” vermeldt; - in de overeenkomst van 28 september 2017 op geen enkel moment wordt gesteld dat het ontleende bedrag van 50.000 euro reeds zou zijn ter beschikking gesteld van de verweerder, noch de verweerder in deze overeenkomst op welk ogenblik dan ook erkent dit bedrag in het kader van de lening ontvangen te hebben; - integendeel, de later op 3 november 2017 verrichte overschrijving van 10.000 euro in strijd is met de bewering van de eisers als zouden de ontleende gelden ten bedrage van 50.000 euro voordien door de eerste vier overschrijvingen ter beschikking zijn gesteld; - de eisers slechts de terbeschikkingstelling van een geleend bedrag van 10.000 euro bewijzen; - de terbeschikkingstelling van het beweerd bedrag van 50.000 euro in het kader van de leningsovereenkomst onbewezen is.
  8. Door aldus de bewijslast dat de gelden in het kader van de lening ter beschikking werden gesteld van de verweerder bij de eisers te leggen, schendt de appelrechter noch artikel 8.4, eerste en tweede lid, Burgerlijk Wetboek, noch miskent hij het in artikel 8.4, derde lid, Burgerlijk Wetboek neergelegde beginsel dat de partijen ertoe gehouden zijn loyaal mee te werken aan de bewijsvoering. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  9. Hij die de terugbetaling van een geldsom vordert die hij beweert als lening te hebben overhandigd, moet het bestaan van de leningsovereenkomst bewijzen. Hij dient daartoe door de overhandiging van de geleende geldsom alsook de verbintenis van de ontlener tot terugbetaling van die geldsom te bewijzen. De overhandiging van de geleende geldsom betreft een rechtsfeit waarvan het bewijs kan geleverd worden door alle middelen rechtens.
  10. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de omstandigheden die de eisers in hun appelconclusie hebben aangevoerd, vaststaande, onbetwiste feiten zijn die de appelrechter moest betrekken bij zijn beoordeling of er uit de vaststaande feiten een vermoeden kan worden afgeleid, terwijl deze omstandigheden hetzij door de appelrechter in rekening zijn gebracht, hetzij betwist zijn, hetzij een loutere bewering inhouden, kan het niet worden aangenomen.
  11. Met de redenen vermeld in r.o. 4 verwerpt en beantwoordt de appelrechter het middel van de eisers dat de eerste vier overschrijvingen geschiedden in het kader van de leningsovereenkomst die op 28 september 2017 werd aangegaan. Hij was hierbij niet gehouden te antwoorden op elk argument dat tot staving van dit middel werd aangevoerd, maar geen afzonderlijk middel uitmaakt. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 601,72 en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 5 oktober 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231005.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.