← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.16 Rolnummer: P.23.1357.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-11-10 Raadplegingen: 420 - laatst gezien 2026-06-15 08:56 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Hoewel het onderzoeksgerecht bij de beoordeling van de voorlopige hechtenis moet kunnen beschikken over het volledige strafdossier, vereist geen enkele bepaling dat dit dossier fysiek voorhanden is in de zittingszaal op de rechtszitting van de raadkamer die over de handhaving van de voorlopige hechtenis moet oordelen; de raadkamer, die het dossier zowel vóór de rechtszitting kan raadplegen als na het in het beraad nemen van de zaak met het oog op de uitspraak, kan te allen tijde bevelen dat het dossier fysiek in de zittingszaal wordt gebracht wanneer dit noodzakelijk wordt geacht. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING ONDERZOEKSGERECHTEN Tekst van de beslissing Nr. P.23.1357.N E.H.B., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Katrien Van Der Straeten, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 september

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel in zijn geheel
  2. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 5 EVRM en de artikelen 21, § 3, 22, vierde en zesde lid, en 30 Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het oordeel dat uit de beroepen beschikking blijkt dat de raadkamer kennis heeft genomen van de stukken van de strafrechtspleging, is niet naar recht verantwoord; de desbetreffende zinsnede komt voor in alle vorige beschikkingen van de raadkamer en werd in de beroepen beschikking geformuleerd vóór de weergave van de tussenkomst van eisers raadsman, die op de rechtszitting van de raadkamer heeft gesteld dat het strafdossier niet aanwezig was; uit die zinsnede konden de appelrechters dan ook niet wettig afleiden dat het dossier ter beschikking was van de raadkamer. Het tweede onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het oordeel dat het dossier ter beschikking was van de raadkamer die de beroepen beschikking heeft gewezen, kon door het arrest niet worden afgeleid uit een gebrek aan motivering van de beschikking van de raadkamer, die heeft nagelaten enige motivering te geven naar aanleiding van de opmerking van eisers raadsman dat het dossier niet voorhanden was. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 5 EVRM: het oordeel dat het dossier ter beschikking was van de raadkamer, is niet naar recht verantwoord; ingevolge de door eisers raadsman opgeworpen nietigheid van de beroepen beschikking omdat het dossier niet aanwezig was op de rechtszitting van de raadkamer, dienden er bijkomende onderzoekshandelingen te worden gesteld naar de aanwezigheid en de beschikbaarheid van het dossier en konden de appelrechters niet volstaan met de vaststelling dat nergens uit blijkt dat het dossier niet ter beschikking was van de raadkamer.
  3. Hoewel het onderzoeksgerecht bij de beoordeling van de voorlopige hechtenis moet kunnen beschikken over het volledige strafdossier, vereist geen enkele bepaling dat dit dossier fysiek voorhanden is in de zittingszaal op de rechtszitting van de raadkamer die over de handhaving van de voorlopige hechtenis moet oordelen. De raadkamer, die het dossier zowel vóór de rechtszitting kan raadplegen als na het in het beraad nemen van de zaak met het oog op de uitspraak, kan te allen tijde bevelen dat het dossier fysiek in de zittingszaal wordt gebracht wanneer dit noodzakelijk wordt geacht. Het middel dat geheel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
  4. Het middel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: door de overname van de redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie antwoorden de appelrechters niet op eisers conclusie waarin hij had aangevoerd dat de handhaving van de voorlopige hechtenis niet volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid en is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed; de eiser heeft in zijn appelconclusie betwist dat de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid, waarbij hij heeft verwezen naar de chronologie en de opeenvolging van de onderzoekshandelingen gedurende het gerechtelijk onderzoek en naar de criteria van het recidive- vlucht- en collusiegevaar; de volstrekte noodzakelijkheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis voor de openbare veiligheid wordt door het arrest louter afgeleid uit die laatste criteria; de eiser heeft in zijn appelconclusie uitdrukkelijk verwezen naar het tijdsverloop sinds de kennisname van de strafbare feiten en het bevel tot aanhouding; aangezien de appelrechters hierop niet antwoorden, is het oordeel dat de handhaving van eisers voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid, aldus niet regelmatig met redenen omkleed.
  5. De eiser heeft in zijn appelconclusie gewezen op het tijdsverloop tussen de datum van de feiten waarvan hij wordt verdacht en de datum waarop hij werd aangehouden, waarbij hij louter op grond van dit tijdsverloop heeft gesteld dat de handhaving van zijn hechtenis niet volstrekt noodzakelijk was voor de openbare veiligheid. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser in zijn appelconclusie de volstrekte noodzakelijkheid van zijn voorlopige hechtenis voor de openbare veiligheid heeft betwist op grond van het tijdsverloop dat is verstreken sinds het bevel tot aanhouding, mist het feitelijke grondslag.
  6. Uit de overname van de redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie blijkt dat de appelrechters de handhaving van eisers voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk achten voor de openbare veiligheid in het licht van onder meer de gevaarlijke geestesgesteldheid van de eiser, waartegen de maatschappij absoluut moet worden beschermd (arrest, p. 6), alsook in het licht van het reële recidivegevaar en het onttrekkingsgevaar (arrest, p. 7). Aldus beantwoorden en verwerpen zij het in het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel eveneens feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 10 oktober 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.