id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 203
, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 25 juli 1893 betreffende de aantekening van hoger beroep van gedetineerde of geïnterneerde personen - 25-07-1893 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1893072550 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 203
, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 25 juli 1893 betreffende de aantekening van hoger beroep van gedetineerde of geïnterneerde personen - 25-07-1893 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1893072550 Fiches 3 - 4 Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verantwoording bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel maar die voorwaarden mogen niet ertoe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast; met de verplichting voor de appellant op straffe van verval van het hoger beroep de grieven tegen de beroepen beslissing kenbaar te maken, beoogt de wetgever een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep, het vermijden van nutteloze werklast en kosten door het niet langer voorleggen van niet-betwiste beslissingen aan het appelgerecht en ten slotte de tegenpartijen en het appelgerecht in de gelegenheid te stellen te bepalen van welke beslissingen de appellant de hervorming wenst; die verplichting, alsook de duidelijk in artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalde verplichting om binnen de appeltermijn de grieven schriftelijk in te dienen zodat snel zekerheid bestaat over de draagwijdte van het hoger beroep, dienen een wettig doel, respecteren een redelijke verhouding tussen de opgelegde beperkingen en het nagestreefde doel en tasten het recht op hoger beroep in de kern niet aan en de loutere omstandigheid dat een gedetineerde beklaagde zelf en zonder bijstand van een advocaat het hoger beroep instelt, laat niet toe anders te oordelen
(1).
(1)Cass. 15 maart 2022, AR P.21.1649.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220315.2N.6, AC 2022, nr. 194; Zie Hof van Cassatie van België, Jaarverslag 2017, pp.81-91 over de problematiek van het grievenformulier. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 7 Uit artikel 6.1 EVRM en de door die bepaling gewaarborgde rechten op toegang tot de rechter en op een daadwerkelijk rechtsmiddel, volgt dat het appelgerecht die vervallenverklaring enkel mag uitspreken indien het redelijkerwijze kan aannemen dat de gedetineerde beklaagde op de hoogte was of kon zijn van de verplichting om tijdig een grievenschrift in te dienen; is dat niet het geval, dan kan de betrokkene zich beroepen op overmacht; wanneer de gedetineerde beklaagde geen advocaat heeft, kan hij van de vermelde verplichting worden ingelicht op enig welke wijze; dit kan gebeuren door de gevangenisadministratie; het feit dat de betrokkene die informatie heeft ontvangen, moet echter niet blijken uit enige uitdrukkelijke vermelding in een stuk van het strafdossier; het appelgerecht oordeelt daarover onaantastbaar op grond van de concrete gegevens van de zaak; het Hof gaat wel na of dat gerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Cass. 31 mei 2022, AR P.22.0182.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.3, AC 2022, nr. 387; Cass. 18 januari 2022, AR P. 21.1294.N, AC 2022, nr. 39, met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 203
, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 25 juli 1893 betreffende de aantekening van hoger beroep van gedetineerde of geïnterneerde personen - 25-07-1893 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1893072550 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 203
, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 25 juli 1893 betreffende de aantekening van hoger beroep van gedetineerde of geïnterneerde personen - 25-07-1893 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1893072550 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 203
, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 25 juli 1893 betreffende de aantekening van hoger beroep van gedetineerde of geïnterneerde personen - 25-07-1893 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1893072550 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0973.N A.J., , alias C.J., alias C.J., alias J.A., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Nelson Vanlocke, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 10 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het op 9 oktober 2023 ter griffie ingediende stuk
- Het stuk werd ingediend buiten de in artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn. Dit stuk is niet ontvankelijk. Middel
- Het middel voert in zijn beide onderdelen schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van behoorlijke rechtsbedeling en van het recht van toegang tot de rechter: het arrest verklaart eisers hoger beroep ten onrechte vervallen omdat hij niet tijdig een grievenformulier heeft ingediend en hij zich daarvoor niet kan beroepen op overmacht; het kan die sanctie enkel toepassen indien er kan worden aangenomen dat de gedetineerde eiser op de hoogte kon zijn van de verplichting om tijdig een grievenformulier in te dienen; dat was niet het geval voor de eiser die zelf tegen het veroordelend verstekvonnis van 15 december 2022 hoger beroep heeft ingesteld op de griffie van de gevangenis; hij had tijdens de beroepstermijn nog geen bijstand van een advocaat hoewel hij als kansarme en kwetsbare persoon die de Nederlandse taal onvoldoende mondeling beheerst, in alle stadia van het strafproces recht heeft op rechtsbijstand; aldus was er voor de eiser bij het instellen van het hoger beroep wel degelijk sprake van overmacht (eerste onderdeel) en wordt hem het recht van toegang tot de rechter ontzegd doordat niet bewezen is dat hij op een begrijpelijke wijze werd ingelicht over de mogelijkheden om het rechtsmiddel in te stellen (tweede onderdeel).
- Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van behoorlijke rechtsbedeling. In zoverre falen de onderdelen naar recht.
- In zoverre de onderdelen aanvoeren dat de eiser recht op rechtsbijstand heeft in alle stadia van het strafproces, zijn ze niet gericht tegen het arrest en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Op grond van artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering vervalt het recht van hoger beroep van een beklaagde indien de verklaring van hoger beroep niet is gedaan uiterlijk dertig dagen na de dag van de betekening van het bij verstek gewezen vonnis aan de veroordeelde partij of aan haar woonplaats. Artikel 204 van dat wetboek bepaalt dat een beklaagde, op straffe van verval van het hoger beroep, binnen dezelfde termijn ook een grievenschrift moet indienen, dat nauwkeurig de tegen het vonnis ingebrachte grieven bevat. Volgens artikel 1, eerste lid, van de wet van 25 juli 1893 betreffende de aantekening van hoger beroep van gedetineerde of geïnterneerde personen kunnen in de gevangenis opgesloten personen de verklaringen van hoger beroep in strafzaken en de verzoekschriften waarin nauwkeurig de grieven worden bepaald die tegen het vonnis worden ingebracht, doen aan de directeur van de instelling of zijn gemachtigde.
- Uit die bepalingen volgt dat het appelgerecht, behoudens overmacht, in beginsel verplicht is om het hoger beroep van een gedetineerde beklaagde die heeft nagelaten tijdig een grievenschrift in te dienen, vervallen te verklaren.
- Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verantwoording bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Die voorwaarden mogen niet ertoe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast.
- Met de verplichting voor de appellant op straffe van verval van het hoger beroep de grieven tegen de beroepen beslissing kenbaar te maken, beoogt de wetgever een doelmatigere behandeling van de strafzaken in hoger beroep, het vermijden van nutteloze werklast en kosten door het niet langer voorleggen van niet-betwiste beslissingen aan het appelgerecht en ten slotte de tegenpartijen en het appelgerecht in de gelegenheid te stellen te bepalen van welke beslissingen de appellant de hervorming wenst. Die verplichting, alsook de duidelijk in artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalde verplichting om binnen de appeltermijn de grieven schriftelijk in te dienen zodat snel zekerheid bestaat over de draagwijdte van het hoger beroep, dienen een wettig doel, respecteren een redelijke verhouding tussen de opgelegde beperkingen en het nagestreefde doel en tasten het recht op hoger beroep niet in de kern aan. De loutere omstandigheid dat een gedetineerde beklaagde zelf en zonder bijstand van een advocaat het hoger beroep instelt, laat niet toe anders te oordelen.
- Uit artikel 6.1 EVRM en het door die bepaling gewaarborgde recht van toegang tot de rechter en op een daadwerkelijk rechtsmiddel, volgt dat het appelgerecht een vervallenverklaring van het hoger beroep enkel mag uitspreken indien het redelijkerwijze kan aannemen dat een gedetineerde beklaagde, die zelf hoger beroep heeft ingesteld door het afleggen van een verklaring aan de gevangenisdirecteur of zijn afgevaardigde, op de hoogte was of kon zijn van de verplichting om tijdig een grievenschrift in te dienen.
- Wanneer de gedetineerde beklaagde geen advocaat heeft, kan hij van de voormelde verplichting op enig welke wijze worden ingelicht. Dat kan ook gebeuren door de gevangenisadministratie. Het feit dat de betrokkene die informatie heeft ontvangen, kan blijken uit een uitdrukkelijke vermelding in een stuk van het strafdossier.
- Het appelgerecht oordeelt onaantastbaar op grond van de concrete gegevens van de zaak of enige vorm van overmacht de gedetineerde beklaagde heeft verhinderd op de hoogte te zijn van de verplichting om tijdig een grievenschrift in te dienen. Het Hof gaat enkel na of dat gerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen zij naar recht.
- Het arrest oordeelt dat: - de eiser de Nederlandse taal machtig is; - uit het door de eiser op 19 december 2022 in de gevangenis ondertekende ontvangstformulier blijkt dat hij aldaar tijdig een grievenschrift heeft ontvangen en dat hem de nodige informatie omtrent de termijn, de inhoud en de wijze van indiening werd verstrekt; - daaruit niet enkel volgt dat de eiser een in te vullen grievenschrift ter hand werd gesteld, maar tevens dat hij volledig over de te volgen werkwijze werd geïnformeerd; - er in die omstandigheden geen sprake van kan zijn dat de niet-neerlegging van het grievenschrift door de eiser te wijten zou zijn aan overmacht, wat ter rechtszitting overigens ook niet werd opgeworpen.
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser op de hoogte was van de verplichting om bij het instellen van hoger beroep tijdig een grievenschrift in te dienen. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 10 oktober 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.14 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220315.2N.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240430.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div