← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 187

, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 4 De enkele omstandigheid dat de dagvaarding bij toepassing van artikel 35 Gerechtelijk Wetboek regelmatig werd betekend aan het referentieadres van de betrokkene zoals bedoeld in artikel 1, § 2, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, evenals de daaruit voortvloeiende wettelijke en reglementaire verplichtingen voor de betrokkene, bewijzen als zodanig niet dat de betrokkene daadwerkelijk op de hoogte was van de dagvaarding die aan zijn referentieadres werd betekend; uit de feiten die de rechter vaststelt, kan blijken dat hij de beweringen van de betrokkene over zijn onwetendheid niet aannemelijk acht

(1); de rechter oordeelt daarover onaantastbaar, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(2).
(1)Cass. 22 november 2022, AR P.22.0876.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.8, AC 2022, nr. 748; RW 2022-23, 1496.
(2)Het OM was in deze zaak van mening dat op basis van de concrete omstandigheden die zij onaantastbaar vaststellen, de appelrechters wettig mochten oordelen dat de eiser, berecht bij verstek, kennis had van de dagvaarding, en de bestreden beslissing van ongedaan verzet in de hypothese van art. 187, §6, 1° Sv. naar recht was verantwoord. (BDS) Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 35 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen - 19-07-1991 - Art. 1, § 2 - 31 ELI link Pub nr 1991000380 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - EXPLOOT Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 35 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen - 19-07-1991 - Art. 1, § 2 - 31 ELI link Pub nr 1991000380 Thesaurus CAS: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 35 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen - 19-07-1991 - Art. 1, § 2 - 31 ELI link Pub nr 1991000380 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1156.N A.A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 26 juni

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 35 Gerechtelijk Wetboek en artikel 187, § 6, Wetboek van Strafvordering: de appelrechters verklaren het verzet van de eiser ten onrechte ongedaan omdat hij kennis zou hebben gehad van de dagvaarding van 28 juni 2022 om te verschijnen op de rechtszitting van 30 januari 2023; die dagvaarding is betekend aan eisers referentieadres bij het OCMW te Brussel en daar in ontvangst genomen door V.; de appelrechters kunnen uit de vastgestelde feiten niet afleiden dat de eiser kennis had van die dagvaarding, meer bepaald dat die dagvaarding hem is overhandigd; de appelrechters stellen ook niet vast dat V. effectief een aangestelde is in de zin van artikel 35 Gerechtelijk Wetboek; de appelrechters geven blijk van excessief formalisme en een onwettige gevolgtrekking om het recht op toegang tot de rechter te beperken en eisers verzet ongedaan te verklaren; dienvolgens schenden de appelrechters de vermelde wetsartikelen en is hun beslissing niet regelmatig gemotiveerd.
  3. Uit artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter een verzet maar ongedaan kan verklaren indien hij vaststelt dat vaststaat dat de partij die verzet doet, kennis had van de dagvaarding. Vereist wordt dat vaststaat dat de verzetdoende partij daadwerkelijk op de hoogte was van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan of minstens de kennisname van die dagvaarding niet bewust onmogelijk heeft gemaakt, in welk geval hij zich niet op zijn eigen verzuim kan beroepen.
  4. De enkele omstandigheid dat de dagvaarding bij toepassing van artikel 35 Gerechtelijk Wetboek regelmatig werd betekend aan het referentieadres van de betrokkene zoals bedoeld in artikel 1, § 2, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, evenals de daaruit voortvloeiende wettelijke en reglementaire verplichtingen voor de betrokkene, bewijzen als zodanig niet dat de betrokkene daadwerkelijk op de hoogte was van de dagvaarding die aan zijn referentieadres werd betekend.
  5. Uit de feiten die de rechter vaststelt, kan blijken dat hij de beweringen van de betrokkene over zijn onwetendheid niet aannemelijk acht. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  6. De appelrechters stellen vast dat de politierechtbank bij verstekvonnis van 11 oktober 2021 de eiser heeft veroordeeld voor de hem ten laste gelegde feiten en bij vonnis op tegenspraak van 17 januari 2022 eisers verzet tegen die veroordeling ongedaan heeft verklaard, alsook dat de eiser tegen dat laatste vonnis hoger beroep heeft ingesteld, de appelrechters bij verstekvonnis van 27 februari 2023 het verstekvonnis van 11 oktober 2021 hebben bevestigd en de eiser op 5 mei 2023 verzet heeft aangetekend tegen het verstekvonnis van 27 februari
  7. Verder oordelen de appelrechters onder meer als volgt: - de eiser had kennis van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan. Uit het strafdossier blijkt immers dat de dagvaarding om te verschijnen op de rechtszitting van 30 januari 2023 aan de eiser werd betekend op 28 juni 2022 overeenkomstig artikel 35 Gerechtelijk Wetboek op zijn woonplaats te 1000 Brussel, Hoogstraat 298A, waar zij ter hand is gesteld van V.; - ook de dagvaarding om te verschijnen voor de politierechtbank werd aan de eiser betekend op hetzelfde adres en dit eveneens overeenkomstig artikel 35 Gerechtelijk Wetboek; - op het adres te 1000 Brussel, Hoogstraat 298A is het OCMW van Brussel gevestigd. Het betreft een referentieadres van de eiser overeenkomstig artikel 1, § 2, vijfde lid, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten. Overeenkomstig het derde lid van die paragraaf verbindt het OCMW zich ertoe daar alle voor de betrokken gedomicilieerde bestemde post of alle administratieve documenten te laten toekomen. Uit het strafdossier blijkt dat de eiser minstens reeds gebruik maakt van dit referentieadres sinds 15 november 2020, datum van de hem ten laste gelegde feiten, aangezien voormeld adres op dat ogenblik in het aanvankelijk proces-verbaal reeds werd vermeld als wettelijke verblijfplaats bij zijn identificatiegegevens; - precies omdat de eiser werd gedagvaard overeenkomstig artikel 35 Gerechtelijk Wetboek op zijn referentieadres wordt afdoende aangetoond dat hem, vooraleer de zaak ter rechtszitting op 30 januari 2023 werd behandeld, kennis werd gegeven van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek liet gaan; - immers kan er zonder enige twijfel worden besloten dat de dagvaarding tussen de betekening ervan op 28 juni 2022 en de behandeling van de zaak bij verstek op 30 januari 2023 aan de eiser werd overhandigd, gelet op de in artikel 20, § 3, derde lid, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister voorziene verplichting om zich minstens eenmaal per trimester aan te melden op het referentieadres; - aangezien de eiser tevens voormeld referentieadres aangaf als woonplaats op zijn akte van verzet die leidde tot de actuele procedure op verzet, blijkt dat hij daar nog steeds is ingeschreven, hetgeen hij niet betwist, en aldus erkent daar nog steeds te voldoen aan de voorwaarden om zijn administratieve documenten te laten toekomen, waaronder de trimestriële verplichting tot aanmelding. Met die redenen, waaruit niet blijkt dat de eiser daadwerkelijk op de hoogte was van de dagvaarding in de verstekprocedure en waaruit evenmin blijkt dat hij de kennisname van de dagvaarding bewust onmogelijk heeft gemaakt, is het oordeel dat het vaststaat dat de eiser kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan, niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  8. De grieven kunnen niet leiden tot cassatie zonder verwijzing en behoeven bijgevolg geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 10 oktober 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260310.2N.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161214.9 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170117.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180509.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180606.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190403.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190605.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190625.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.