← België

T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 2 - 3 Elk economisch voordeel dat een beklaagde ontvangt uit de uitoefening van een bestuurdersfunctie die hij niet mocht uitoefenen gelet op een hem opgelegd bestuurdersverbod als bedoeld door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod, is een vermogensvoordeel dat rechtstreeks is verkregen uit het door artikel 4 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde misdrijf van het niet-naleven van dat bestuurdersverbod; het is daarbij zonder belang dat de betrokkene desgevallend in de vennootschap nog andere werkzaamheden verricht dan die van bestuurder en dat hij daarvoor wordt vergoed of zou kunnen worden vergoed of als aandeelhouder van de vennootschap ook gerechtigd is op andere uitkeringen; de rechter oordeelt op basis van de hem overgelegde en aan tegenspraak onderworpen gegevens onaantastbaar of het economisch voordeel dat een beklaagde heeft ontvangen, voortkomt uit de uitoefening van een verboden bestuurdersmandaat; hij is daarbij niet gebonden door de bewoordingen die partijen aan vergoedingen of uitkeringen geven of door de fiscale kwalificatie en behandeling ervan; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis- 01 ELI link Pub nr 1867060850 KB nr.

22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Thesaurus CAS: RECHTSPERSOONLIJKHEID Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis- 01 ELI link Pub nr 1867060850 KB nr.

22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0600.N I

  1. S.M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tom Van Overbeke, advocaat bij de balie Limburg,
  2. L.M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tom Van Overbeke, advocaat bij de balie Limburg, II A.T., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 maart
  3. De eiser I.1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser I.2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van de eisers I en eerste middel van de eiser II
  4. De middelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek en miskenning van het wettelijk begrip vermogensvoordeel: het arrest verklaart ten onrechte de vergoedingen die de eisers zichzelf hebben uitgekeerd als bedrijfsleider van de vennootschap voor de onder het mandaat als bestuurder geleverde prestaties verbeurd als vermogensvoordeel van het misdrijf waaraan de eisers werden schuldig verklaard, namelijk de overtreding van het bestuurdersverbod; deze uitkeringen die vallen onder de categorie van de bezoldigingen van bedrijfsleiders, staan niet in causaal verband met de bewezen verklaarde misdrijven; de vennootschap bepaalt zelf welke bezoldigingen zij uitkeert en het was perfect mogelijk om aan de eisers geen of zeer beperkte bezoldigingen uit te keren en vervolgens deze gelden hen te doen toekomen onder de vorm van dividenden; het arrest koppelt de causaliteit tussen de misdrijven en de vermogensvoordelen aan de kwalificatie die de vennootschappen hebben gegeven aan de door hen verkregen inkomsten en de fiscale invulling die eraan wordt gegeven; de inkomsten komen voort uit een legale tewerkstelling en zijn geen rechtstreeks gevolg van het bestuurdersverbod.
  5. Uit de artikelen 42, 3°, en 43bis, eerste lid, Strafwetboek volgt dat de rechter de bijzondere verbeurdverklaring kan uitspreken van vermogensvoordelen die rechtstreeks uit een misdrijf zijn verkregen, indien die schriftelijk wordt gevorderd door het openbaar ministerie.
  6. De wetgever beoogt met het gebruik van het woord rechtstreeks enkel een onderscheid te maken te maken tussen enerzijds de primaire vermogensvoordelen en anderzijds de goederen en waarden die in plaats zijn gesteld en de inkomsten uit belegde voordelen. Uit het woord rechtstreeks kan niet worden afgeleid dat het begrip vermogensvoordeel is beperkt tot voordelen die zonder tussenschakel uit een misdrijf zijn verkregen.
  7. Het vermogensvoordeel dat rechtstreeks uit een misdrijf is verkregen omvat elk economisch voordeel uit dat misdrijf, wat inhoudt dat er een causaal verband bestaat tussen dat misdrijf en dat economisch voordeel.
  8. Elk economisch voordeel dat een beklaagde ontvangt uit de uitoefening van een bestuurdersfunctie die hij niet mocht uitoefenen gelet op een hem opgelegd bestuurdersverbod als bedoeld door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod, is een vermogensvoordeel dat rechtstreeks is verkregen uit het door artikel 4 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde misdrijf van het niet-naleven van dat bestuurdersverbod. Het is daarbij zonder belang dat de betrokkene desgevallend in de vennootschap nog andere werkzaamheden verricht dan die van bestuurder en dat hij daarvoor wordt vergoed of zou kunnen worden vergoed of als aandeelhouder van de vennootschap ook gerechtigd is op andere uitkeringen.
  9. De rechter oordeelt op basis van de hem overgelegde en aan tegenspraak onderworpen gegevens onaantastbaar of het economisch voordeel dat een beklaagde heeft ontvangen, voortkomt uit de uitoefening van een verboden bestuurdersmandaat. Hij is daarbij niet gebonden door de bewoordingen die partijen aan vergoedingen of uitkeringen geven of door de fiscale kwalificatie en behandeling ervan.
  10. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  11. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  12. Het arrest (p. 15-16, punt d.4, p. 19-20, punt e.4 en p. 24-24, punt f.4) stelt vast dat uit de opgevraagde fiscale stukken blijkt dat de eisers door de betrokken vennootschappen werden vergoed als bedrijfsleider van de vennootschap en dat de aldus vergoede prestaties werden geleverd onder het mandaat van bestuurder. Het betreft geen uitkering van dividenden, bezoldigingen als werknemer of bedragen van facturen die de vennootschappen hebben gericht aan klanten-opdrachtgevers, maar enkel vergoedingen die de vennootschap heeft betaald met legale omzet aan de bestuurder-bedrijfsleider op een ogenblik dat hij dat mandaat niet mocht uitoefenen.
  13. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat er een causaal verband bestaat tussen deze uitkeringen en het door artikel 4 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde misdrijf. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser II Eerste onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de eiser II niet aannemelijk maakt dat hij beroepskosten heeft gemaakt terwijl uit de fiscale fiches voor de inkomsten 2020 het tegendeel blijkt, miskent het arrest de bewijskracht van deze stukken.
  15. Het arrest (p. 16, tweede alinea) verwijst voor het bekritiseerde oordeel niet naar de fiscale fiches. Het kan dan ook de bewijskracht ervan niet miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek, alsook miskenning van het wettelijk begrip vermogensvoordeel: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat de eiser II niet aannemelijk maakt dat hij bepaalde kosten heeft gemaakt terwijl die kosten blijken uit fiscale fiches die aan het strafdossier zijn toegevoegd, terwijl het anderzijds bij het bepalen van de omvang van de vermogensvoordelen die door de eiser II zouden zijn genoten met die fiches rekening houdt.
  17. Redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing zijn tegenstrijdig in de zin van artikel 149 Grondwet indien die redenen of beschikkingen elkaar opheffen of teniet doen.
  18. Dat is niet het geval met, enerzijds, de beschikking dat de eiser niet aannemelijk maakt dat hij bepaalde beroepskosten heeft gemaakt terwijl het tegendeel blijkt uit de aan het strafdossier gevoegde fiches waarnaar het arrest voor dit oordeel niet verwijst (p. 16, tweede alinea), en, anderzijds, de beschikking waarbij op basis van die fiches het bedrag wordt bepaald dat een vennootschap heeft uitgekeerd aan de eiser (p. 15, tweede alinea). Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 192,01 euro, waarvan het cassatieberoep I 94,35 euro is verschuldigd en het cassatieberoep II 97,66 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 10 oktober 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120110.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251125.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.