← België

TOCH bv contra STAD GENT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231016.3N.1 Rolnummer: C.20.0548.N Zaak: TOCH bv contra STAD GENT Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2023-11-09 Raadplegingen: 1286 - laatst gezien 2026-06-19 04:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit de artikelen 1034bis Gerechtelijk Wetboek en 31, § 1, eerste, tweede en laatste lid, Wet Gemeentelijke administratieve sancties volgt dat indien door een overtreder beroep wordt ingesteld tegen een beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete zoals bedoeld in artikel 4, § 1, 1°, Wet Gemeentelijke administratieve sancties, de procedure op tegenspraak verloopt tussen, enerzijds, de overtreder en, anderzijds, de gemeente in naam en voor rekening waarvan de beslissing van de sanctionerend ambtenaar tot het opleggen van de betwiste administratieve geldboete werd genomen; het beroep wordt ingesteld bij een verzoekschrift op tegenspraak, overeenkomstig de artikelen 1034bis en volgende Gerechtelijk Wetboek. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1034bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties - 24-06-2013 - Art. 31, § 1, eerste, tweede en laatste lid - 04 ELI link Pub nr 2013000441 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1034bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties - 24-06-2013 - Art. 31, § 1, eerste, tweede en laatste lid - 04 ELI link Pub nr 2013000441 Fiche 3 Op de onregelmatigheid van het verzoekschrift ten gevolge van een gebrekkige of onvolledige vermelding van de identiteit van de op te roepen partij, zonder dat de identificatie en oproeping door de griffier van die partij hierdoor onmogelijk wordt en zonder dwaling omtrent diens persoon, is de nietigheidssanctie van de artikelen 861 en 864 Gerechtelijk Wetboek van toepassing; de nietigheid kan bijgevolg slechts worden uitgesproken indien de exceptie van nietigheid tegelijk en vóór enig ander middel wordt voorgedragen, de onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt en deze belangenschade niet kan worden hersteld. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 861 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 864 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1034ter, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.20.0548.N TOCH bv, met zetel te 9040 Gent (Sint-Amandsberg), Campo-Santoplein 18, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0436.069.537, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177, bus 7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen STAD GENT, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met zetel te 9000 Gent, Botermarkt 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.451.227, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 30 juni 2020. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 19 juni 2023 verwezen naar de derde kamer. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel 1. De verweerster werpt drie gronden van niet-ontvankelijkheid van het middel op: - het middel verwijt de rechter in werkelijkheid de toepasselijkheid van en vervulling van de voorwaarden voor het uitspreken van de nietigheidssanctie niet te hebben nagegaan, welke grief geen verband houdt met de als geschonden aangewezen wetsbepalingen, maar enkel met het algemeen rechtsbeginsel inzake de taak van de rechter het recht toe te passen op de feiten; - de eiseres heeft voor de rechter niet aangevoerd dat toepassing diende te worden gemaakt van de nietigheidsregels van de artikelen 861 en 864 Gerechtelijk Wetboek, zodat het middel in zoverre nieuw is; - in zoverre het middel aan de rechter verwijt zijn taak als rechter te hebben miskend, voert het geen schending aan van de artikelen 5, 774 en 1138 Gerechtelijk Wetboek die op die grief betrekking hebben en preciseert het evenmin welke door de partijen tot staving van hun eisen aangevoerde feiten de rechter verplichtten toepassing te maken van de artikelen 861 en 864 Gerechtelijk Wetboek. 2. Het onderzoek van de eerste grond van niet-ontvankelijkheid valt niet te onderscheiden van het onderzoek van het middel zelf. De eerste grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. 3. Een middel is niet nieuw wanneer het de schending aanvoert van een wetsbepaling die de rechter had moeten toepassen. Uit de artikelen 861 en 864 Gerechtelijk Wetboek volgt dat de rechter verzuimen of onregelmatigheden met betrekking tot op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen alleen dan kan sanctioneren indien de in die wetsbepalingen vervatte voorwaarden zijn vervuld. Het middel dat schending aanvoert van deze wetsbepalingen is bijgevolg niet nieuw. De tweede grond van niet-ontvankelijkheid moet eveneens worden verworpen. 4. Het middel dat schending aanvoert van de artikelen 17, 861, 864, 1034bis en 1034ter Gerechtelijk Wetboek en artikel 31 Wet Gemeentelijke administratieve sancties, voldoet aan het vereiste van artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek om tot navolgende vernietiging te kunnen leiden. Ook de derde grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid 5. Krachtens artikel 31, § 1, eerste lid, Wet Gemeentelijke administratieve sancties kan de gemeente of de overtreder, in geval van een administratieve geldboete, bij geschreven verzoekschrift een beroep instellen bij de politierechtbank, volgens de burgerlijke procedure, binnen een maand na kennisgeving van de beslissing. Artikel 31, § 1, tweede lid, van deze wet bepaalt dat de politierechtbank beslist in het kader van een tegensprekelijk en openbaar debat, over het beroep ingesteld tegen de administratieve sanctie zoals bedoeld in artikel 4, § 1, 1°. Artikel 31, § 1, laatste lid, van deze wet bepaalt dat, onverminderd het eerste tot het zevende lid, de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn op het beroep bij de politierechtbank. Artikel 1034bis Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat indien de wet afwijkt van de algemene regel die voorziet in een inleiding van de hoofdvorderingen bij dagvaarding, titel Vbis van het Gerechtelijk Wetboek waarvan dat artikel het eerste is, wordt toegepast op de vorderingen die worden ingeleid bij een verzoekschrift dat aan de tegenpartij ter kennis wordt gebracht, behalve voor de vormen en vermeldingen die worden geregeld door niet uitdrukkelijk opgeheven wettelijke bepalingen. 6. Uit het geheel van deze wetsbepalingen volgt dat: - indien door een overtreder beroep wordt ingesteld tegen een beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete zoals bedoeld in artikel 4, § 1, 1°, Wet Gemeentelijke administratieve sancties, de procedure op tegenspraak verloopt tussen, enerzijds, de overtreder en, anderzijds, de gemeente in naam en voor rekening waarvan de beslissing van de sanctionerend ambtenaar tot het opleggen van de betwiste administratieve geldboete werd genomen; - het beroep wordt ingesteld bij een verzoekschrift op tegenspraak, overeenkomstig de artikelen 1034bis en volgende Gerechtelijk Wetboek. 7. Krachtens artikel 1034ter, 3°, Gerechtelijk Wetboek vermeldt het verzoekschrift op straffe van nietigheid de naam, de voornaam, de woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden opgeroepen. 8. Op de onregelmatigheid van het verzoekschrift ten gevolge van een gebrekkige of onvolledige vermelding van de identiteit van de op te roepen partij, zonder dat de identificatie en oproeping door de griffier van die partij hierdoor onmogelijk wordt en zonder dwaling omtrent diens persoon, is de nietigheidssanctie van de artikelen 861 en 864 Gerechtelijk Wetboek van toepassing. De nietigheid kan bijgevolg slechts worden uitgesproken indien de exceptie van nietigheid tegelijk en vóór enig ander middel wordt voorgedragen, de onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt en deze belangenschade niet kan worden hersteld. 9. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat: - het “verzoekschrift tot hoger beroep inzake gemeentelijke administratieve sanctie” van de eiseres van 4 april 2019 vermeldt dat het beroep wordt ingesteld tegen “de beslissing van de Sanctieambtenaar te Gent gedateerd 08/03/2019, bekend onder de referte 765741.00”; - op het verzoekschrift, na de vermelding dat het beroep wordt ingesteld tegen “de beslissing van de Sanctieambtenaar te Gent gedateerd 08/03/2019, bekend onder de referte 765741.00”, het adres van de bestuurszetel van de verweerster, zijnde “Botermarkt 1, 9000 Gent”, werd vermeld; - aan het verzoekschrift een kopie is gehecht van het proces-verbaal, de beslissing van de sanctionerend ambtenaar tot het opleggen van een administratieve geldboete, het schriftelijke verweer hiertegen van de eiseres en de beslissing van de sanctionerend ambtenaar van 8 maart 2019 waarin deze verweermiddelen ongegrond worden verklaard; - de verweerster bij gerechtsbrief van 4 april 2019 door de griffier in kennis werd gesteld van het verzoekschrift van de eiseres en werd opgeroepen om te verschijnen op de zitting van 6 mei 2019; - bij gewone brief van 4 april 2019 het administratief dossier werd opgevraagd bij de verweerster, aan welk verzoek zij gevolg heeft verleend bij brief van 9 april 2019; - bij brief van 11 april 2019 de raadsman van de verweerster zijn tussenkomst in de procedure heeft gemeld; - de verweerster zowel in haar conclusie van 1 juli 2019 als in haar conclusie van 30 september 2019 uitsluitend verweer ten gronde heeft gevoerd aangaande de in het verzoekschrift aangevoerde middelen en vorderde om het beroep van de eiseres “af te wijzen als ontvankelijk, doch ongegrond”; - de verweerster in haar conclusie van 24 februari 2020 besloot dat het beroep van de eiseres niet-toelaatbaar is omdat het is “ingesteld tegen de Sanctionerend ambtenaar als verwerende partij”; - de eiseres in haar conclusie van 27 maart 2020 aanvoerde dat zij beroep heeft ingesteld tegen “de beslissing van de sanctieambtenaar te Gent” en niet tegen de sanctionerend ambtenaar zelf, dat de verweerster werd opgeroepen bij gerechtsbrief en dat zij schriftelijk en voorbehoudloos is verschenen en in haar eerste conclusies heeft gevraagd het beroep als ontvankelijk maar ongegrond af te wijzen. 10. De rechter stelt vast en oordeelt dat: - het verzoekschrift van de eiseres vermeldt dat het beroep is ingesteld “tegen de ‘Beslissing van de Sanctieambtenaar te Gent (…)’. Noch tegen de Stad Gent, noch tegen de sanctionerend ambtenaar zelf”; - het beroep tegen deze beslissing ingesteld moet worden tegen de rechtspersoon voor en namens wie een administratieve sanctie werd opgelegd; - het verzoekschrift “geen andere procespartij” aanduidt en “deze fout (…) doorheen de procedure niet rechtgezet [kan] worden”, zodat het beroep onontvankelijk is. Door aldus het beroep van de eiseres niet-ontvankelijk te verklaren zonder na te gaan of het gebrek of de onvolledigheid in de vermeldingen in het verzoekschrift betreffende de identiteit van de op te roepen partij, tegelijk en vóór enig ander middel door de verweerster werd voorgedragen en of de belangen van de verweerster hierdoor werden geschaad en, indien dat het geval was, of deze belangenschade niet kon worden hersteld, verantwoordt de rechter zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de politierechtbank West-Vlaanderen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 16 oktober 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231016.3N.1 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241004.1N.7 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241122.1N.6 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260326.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.