← België

Gemeente Aartselaar contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231016.3N.2 Rolnummer: C.22.0377.N Zaak: Gemeente Aartselaar contra BELGISCHE STAAT Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-11-09 Raadplegingen: 1054 - laatst gezien 2026-06-17 14:36 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Wanneer het Grondwettelijk Hof bij zijn onderzoek naar de verenigbaarheid van een norm van intern recht met een grondrecht gewaarborgd in titel II van de Grondwet, rekening houdt met een grondrecht dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze is gewaarborgd in een bepaling van Europees of internationaal recht, heeft zijn beslissing niet het gezag dat Artikel 9, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof eraan toekent, in zoverre zij betrekking heeft op de voornoemde rechtstreeks toepasselijke norm van internationaal verdragsrecht

(1).
(1)Zie Cass. 29 september 2017, AR F.15.0010.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170929.3, AC 2017, nr. 514, met concl. van eerste advocaat-generaal Henkes op datum in Pas.. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 9, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0377.N
  1. GEMEENTE AARTSELAAR, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met kantoor te 2630 Aartselaar, Baron van Ertbornstraat 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.508.932,
  2. GEMEENTE BOECHOUT, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met kantoor te 2530 Boechout, Heuvelstraat 91, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.536.448,
  3. GEMEENTE RUMST, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met kantoor te 2840 Rumst, Koningin Astridplein 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.510.021,
  4. GEMEENTE SCHELLE, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met kantoor te 2627 Schelle, Fabiolalaan 55, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.536.547,
  5. GEMEENTE SCHILDE, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met kantoor te 2970 Schilde, Brasschaatsebaan 30, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.501.707,
  6. GEMEENTE RANST, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met kantoor te 2520 Ranst, Gustaaf Peetersstraat 7, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.501.311, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen
  7. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Antwerpen, handelend in hoedanigheid van commissaris van de federale regering, met kantoor te 2018 Antwerpen, Koningin Elisabethlei 22,
  8. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 2, met kantoor te 1000 Brussel, Leuvenseweg 1-3, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 4 april
  9. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 3 augustus 2023 verwezen naar de derde kamer. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  10. Artikel 9, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof bepaalt dat de door het Grondwettelijk Hof gewezen arresten waarbij beroepen tot vernietiging worden verworpen, bindend zijn voor de rechtscolleges wat de door die arresten beslechte rechtspunten betreft.
  11. Wanneer het Grondwettelijk Hof bij zijn onderzoek naar de verenigbaarheid van een norm van intern recht met een grondrecht gewaarborgd in titel II van de Grondwet, rekening houdt met een grondrecht dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze is gewaarborgd in een bepaling van Europees of internationaal recht, heeft zijn beslissing niet het gezag dat voormelde wetsbepaling eraan toekent, in zoverre zij betrekking heeft op de voornoemde rechtstreeks toepasselijke norm van internationaal verdragsrecht.
  12. De eiseressen voerden in hun appelconclusie aan dat artikel 14 van de wet van 9 november 2015 houdende diverse bepalingen Binnenlandse Zaken, als retroactieve interpretatie van de wet van 14 januari 2013 tot wijziging van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, het beginsel van een eerlijk proces en de bescherming van het eigendomsrecht, zoals vastgelegd in artikel 6.1 EVRM en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, miskent omdat het een inmenging is van de wetgevende macht in de rechtsbedeling om de afloop van een hangend gerechtelijk geschil te beïnvloeden.
  13. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - geen discussie kan bestaan dat de gouverneur over een wettelijke grondslag beschikt om de definitieve bijdragen voor de werkingsjaren vanaf 2006 vast te stellen en te innen; - de verzoeken tot vernietiging van de wetswijziging van 14 januari 2013 en van de in artikel 14 van de wet van 9 november 2015 ingevoegde interpretatieve bepaling bij de arresten van het Grondwettelijk Hof van 19 september 2014, respectievelijk van 16 februari en 1 juni 2017 werden verworpen; - in het arrest van 16 februari 2017 het beroep, gesteund op het enige middel afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 84 Grondwet, met het beginsel van niet-retroactiviteit van de wetten, met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, met het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd in artikel 6 EVRM, en met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol, werd verworpen.
  14. De appelrechters die op grond van deze redenen oordelen dat een bijkomende toetsing aan artikel 6 EVRM en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM niet aan de orde is, schenden artikel 9, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof. Het middel is gegrond. (…) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 16 oktober 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231016.3N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170929.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.