← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 4 Overmacht veronderstelt een omstandigheid buiten de wil van de appellant, die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden en die hem heeft belet zijn hoger beroep tijdig in te dienen; de vonnisrechter oordeelt onaantastbaar in feite of er sprake is van een materiële vergissing van een griffier bij het noteren van een verklaring van hoger beroep en of die vergissing, indien zij bestaat, overmacht voor een partij uitmaakt

(1).
(1)Cass. 22 september 2015, AR P.14.1118.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.4, AC 2015, nr. 541. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 203- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.0665.N M.S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Johan Cambier, advocaat bij de balie Oudenaarde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 23 maart

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “De partij die cassatieberoep instelt, moet het cassatieberoep laten betekenen aan de partij tegen wie het gericht is. De vervolgde persoon is daartoe evenwel enkel verplicht in zoverre zijn cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de tegen hem ingestelde burgerlijke rechtsvordering”.
  3. Met deze bepaling heeft de wetgever aan de eisers in cassatie een algemene verplichting tot betekening opgelegd, met als enige en dus strikt te interpreteren uitzondering het geval waarbij het cassatieberoep uitgaat van een vervolgde partij tegen een beslissing op de strafvordering zelf en daarmee gelijk te stellen gevallen.
  4. Volgens artikel 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: - beveelt de rechtbank, ambtshalve of op vordering van een bevoegde overheid, een herstelmaatregel zoals nader bepaald in dat artikel (§ 1, eerste lid); - wordt onder bevoegde overheid onder meer de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur in naam van het Vlaams Gewest verstaan (§ 2); - wordt de herstelvordering van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur ingeleid met een gewone brief bij het openbaar ministerie (§ 3, eerste lid).
  5. Het openbaar ministerie is bevoegd om de door de herstelvorderende overheid per brief geformuleerde herstelvordering voor de strafrechter uit te oefenen, inclusief het aanwenden van rechtsmiddelen en dit ongeacht of de herstelvorderende overheid zich als procespartij heeft gemanifesteerd.
  6. De beslissing van de strafrechter over een door de herstelvorderende overheid ingediende herstelvordering is een maatregel van burgerlijke aard, die niettemin onder de strafvordering valt.
  7. Uit het voorgaande volgt dat hij tegen wie op grond van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een herstelmaatregel is bevolen, zijn cassatieberoep wat betreft die beslissing niet alleen moet laten betekenen aan de eiser tot herstel, in zoverre deze zich als procespartij heeft gemanifesteerd, maar ook aan het openbaar ministerie bij het gerecht dat die beslissing heeft gewezen.
  8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het appelgerecht.
  9. In zoverre ook gericht tegen de beslissing waarbij lastens de eiser een herstelmaatregel werd bevolen, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat het hoger beroep van de eiser niet ontvankelijk is omdat de akte van hoger beroep van 11 mei 2021 niet de eiser maar enkel eisers medebeklaagde als appellant vermeldt en omdat een akte van hoger beroep niet kan worden verbeterd of aangevuld door de vermeldingen op het grievenformulier; het grievenformulier dat tegelijk met de verklaring van hoger beroep op dezelfde griffie werd ingediend, vermeldde echter ook de eiser als appellant; de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering moeten samen worden gelezen; de akte van hoger beroep en het grievenschrift zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, met dien verstande dat de akte van hoger beroep wordt opgesteld door de griffier zonder mogelijkheid tot inmenging van de appellant, terwijl het grievenschrift wordt opgesteld door de appellant of zijn raadsman; het niet-vermelden van de eiser in de akte van hoger beroep berust op een materiële vergissing van de griffier, die voor de eiser overmacht uitmaakt, waardoor hij niet kan worden vervallen verklaard van zijn hoger beroep; de eiser heeft na de ontdekking van de vergissing van de griffier op 24 augustus 2021 onmiddellijk een nieuwe verklaring van hoger beroep afgelegd, die het arrest ten onrechte laattijdig en dus niet ontvankelijk verklaart; het arrest onderzoekt niet het bestaan van een materiële vergissing van de griffier (eerste onderdeel); door zijn overdreven formalisme ontneemt het arrest aan de eiser het recht op de toegang tot de rechter en op een ontvankelijk rechtsmiddel (tweede onderdeel).
  11. Het arrest verklaart de eiser niet vervallen van zijn hoger beroep, maar oordeelt dat de eiser op 11 mei 2021 geen hoger beroep heeft ingesteld en dat zijn op 24 augustus 2021 ingestelde hoger beroep laattijdig en dus niet ontvankelijk is. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  12. De griffier stelt de akte van hoger beroep in strafzaken niet op zonder mogelijkheid tot inmenging van de appellant. De appellant ondertekent immers samen met de griffier de akte van hoger beroep en bevestigt met zijn handtekening dat die akte overeenstemt met zijn verklaring van hoger beroep.
  13. De rechter kan een verschrijving in een akte slechts rechtzetten wanneer hij uit de hem voorliggende stukken met zekerheid kan afleiden dat die verschrijving een materiële vergissing uitmaakt. Hij mag daarentegen een akte niet wijzigen door een vermelding te verbeteren die geen louter materiële vergissing uitmaakt.
  14. Overmacht veronderstelt een omstandigheid buiten de wil van de appellant, die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden en die hem heeft belet zijn hoger beroep tijdig in te dienen.
  15. De vonnisrechter oordeelt onaantastbaar in feite of er sprake is van een materiële vergissing van een griffier bij het noteren van een verklaring van hoger beroep en of die vergissing, indien zij bestaat, overmacht voor een partij uitmaakt.
  16. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk te verantwoorden zijn.
  17. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  18. Het uittreksel van de akte van hoger beroep vermeldt: “Op 11 mei 2021 ter griffie van de (…) rechtbank van eerste aanleg (…), voor ons [A.], griffier bij deze rechtbank verschijnt meester [B.], loco meester [C.], namens: [de medebeklaagde]. beklaagde, die verklaart hoger beroep in te stellen tegen alle strafrechtelijke beschikkingen van het vonnis door voormelde rechtbank uitgesproken op 15 april 2021 vonnisnummer 2021/51230, kamer 25N. Deze verklaring werd in het Nederlands gedaan. Waarvan akte, die na voorlezing wordt ondertekend. (get.) [A.] Griffier Meester (get.)[B.]”
  19. Het arrest oordeelt onder meer als volgt: - uit de akte van hoger beroep van 11 mei 2021 blijkt dat er uitsluitend hoger beroep werd ingesteld door de medebeklaagde. Daarin wordt geen melding gemaakt van een hoger beroep dat wordt ingesteld door de eiser; - in het op 11 mei 2021 neergelegde grievenformulier wordt zowel verwezen naar de medebeklaagde als naar de eiser als partij die hoger beroep instelt; - een beroepsakte die, als authentiek stuk, uitdrukkelijk vermeldt wie hoger beroep instelt, kan niet worden verbeterd of aangevuld door de vermeldingen in het grievenformulier; - in deze zaak wordt in de beroepsakte van de medebeklaagde niet vermeld dat ook hoger beroep wordt ingediend door de eiser, zodat alleen de medebeklaagde rechtsgeldig hoger beroep heeft ingesteld; - het hoger beroep van de eiser van 24 augustus 2021 is laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk; - het laattijdige hoger beroep van de eiser doet geen bijkomende beroepstermijn van tien dagen voor het openbaar ministerie ontstaan. Het op 27 augustus 2021 ingestelde hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de eiser is laattijdig en niet ontvankelijk.
  20. Met die redenen, die de appelrechters in de plaats stellen van het verweer van de eiser, geven zij te kennen dat uit het feit dat de eiser is vermeld in het grievenformulier dat ter griffie is neergelegd op 11 mei 2021, niet volgt dat zijn niet-vermelding als appellant in de akte van hoger beroep van dezelfde datum voortspruit uit een materiële vergissing van de griffier, die voor de eiser een geval van overmacht uitmaakt waardoor zijn hoger beroep van 24 augustus 2021, ingesteld buiten de wettelijk bepaalde beroepstermijn, ontvankelijk is. Dit is een gevolg dat de appelrechters wettig en zonder blijk te geven van enig overdreven formalisme hebben kunnen afleiden uit de feiten die zij hebben vastgesteld. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  21. Het middel voert schending aan van de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet: het arrest verklaart het hoger beroep van de eiser van 24 augustus 2021 niet ontvankelijk wegens laattijdigheid; de eiser heeft op 11 mei 2021 een verklaring van hoger beroep afgelegd die echter door de Belgische Staat niet werd genoteerd, maar die duidelijk bleek in zijn grievenschrift; dit is geen gelijke behandeling met degenen wiens verklaringen wel correct worden genoteerd door de griffier; de eiser heeft op 11 mei 2021 net hetzelfde heeft gedaan als de medebeklaagde met dit verschil dat van zijn verklaring van hoger beroep geen akte werd opgesteld door toedoen van de griffie, terwijl dit duidelijk zijn wil was zoals blijkt uit het grievenformulier van 11 mei 2021; het arrest motiveert niet waarom er geen overmacht is en de verklaring van 24 augustus 2021 niet kan worden beschouwd als een geldig ingesteld hoger beroep, temeer daar het grievenformulier van 11 mei 2021 zeer duidelijk de namen van beide appellanten bevat; evenmin motiveert het arrest de afwijzing van het hoger beroep van het openbaar ministerie van 27 augustus 2021, waarvan mag verwacht worden dat er geen hoger beroep zou zijn aangetekend wanneer er sprake is van een duidelijk onontvankelijk hoger beroep op 24 augustus 2021; het arrest geeft geen motivering in verband met de materiële vergissing zoals gepleegd op de griffie van de correctionele rechtbank.
  22. In zoverre het middel is afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.
  23. Zoals blijkt uit de redenen vermeld onder het eerste middel, motiveert het arrest wel degelijk de beslissing tot verwerping van eisers verweer dat zijn hoger beroep van 24 augustus 2021 ontvankelijk is wegens het bestaan van overmacht ingevolge een materiële vergissing van de griffier op 11 mei
  24. Met die redenen motiveert het arrest eveneens de beslissing dat het hoger beroep van het openbaar ministerie van 27 augustus 2021 niet ontvankelijk is. Voor het overige moet het arrest niet speculeren over de redenen die het openbaar ministerie hebben bewogen om op 27 augustus 2021 nog eisers hoger beroep van 24 augustus 2021 te volgen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 90,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 17 oktober 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231017.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.13 precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260106.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.