← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 6 De kamer voor de bescherming van de maatschappij, als multidisciplinair en gespecialiseerd rechtscollege, moet toezicht houden op de wijze van uitvoering van de interneringsbeslissingen binnen het geldende verdragsrechtelijke en wettelijke kader en het staat aan deze kamer erover te waken dat de geïnterneerde binnen een redelijke termijn wordt geplaatst in een aangepaste instelling waar hij de meest gepaste zorg ontvangt en die regel geldt evenzeer voor geïnterneerden die reeds een of meerdere keren hebben genoten van uitvoeringsmodaliteiten, zoals een invrijheidstelling op proef, maar die wegens de niet-naleving van voorwaarden opnieuw worden opgesloten; de redelijkheid van die termijn, die niet in absolute termen is uit te drukken, hangt onder meer af van de aard van de geestesziekte, de mogelijke behandelwijzen, de wijze waarop de geïnterneerde desgevallend in het verleden reeds werd behandeld, de wijze waarop de uitvoering van de internering in het verleden is verlopen, de beschikbaarheid van de voorzieningen die zijn gericht op de specifieke noden van de geïnterneerde en de bereidheid van de geïnterneerde om mee te werken met voorgestelde behandelingen

(1).
(1)Zie Cass. 23 juni 2020, AR P.20.0582.N, AC 2020, nr. 441, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.
  1. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Tekst van de beslissing Nr. P.23.1354.N M. M. J. B., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 26 september
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Artikel 78 Interneringswet vermeldt op limitatieve wijze de beslissingen van de kamer tot bescherming van de maatschappij waartegen cassatieberoep openstaat. Beslissingen inzake uitgaansvergunningen worden daarbij niet vermeld. In zoverre ook gericht tegen de beslissingen over de uitgaansvergunningen, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Middelen
  4. Het eerste middel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM: de eiser moet als geïnterneerde worden opgesloten in een hospitaal, kliniek of aan zijn geestesziekte aangepaste instelling en deze plaatsing moet gebeuren binnen een redelijke termijn; op geen enkele manier zijn de opsluitingsomstandigheden van de eiser aan zijn geestesziekte aangepast; een wachttijd om te worden opgenomen in een aangepaste instelling van zes maanden overstijgt de redelijke termijn; de eiser verblijft reeds sinds 24 maart 2021 in de gevangenis, waar nooit enige behandeling werd opgestart; eisers opsluiting is onrechtmatig door de nalatigheid van de fod Justitie; de Belgische Staat miskent eisers mensenrechten door hem op te sluiten in een gevangenis in plaats van in een aangepaste instelling; de vereiste van een redelijke termijn is eenmalig; er begint geen nieuwe redelijke termijn te lopen na een wederopsluiting; de Belgische Staat heeft geen wettelijk kader opgezet om ervoor te zorgen dat een wederopgesloten geïnterneerde terecht kan in een aangepaste instelling; de eiser vraagt vast te stellen dat artikel 5 EVRM is geschonden. Het tweede middel voert aan dat het vonnis niet antwoordt op de aanvoering dat de omstandigheid dat de eiser niet aannemelijk maakt dat zijn geestestoestand wel voldoende is gestabiliseerd, niet wegneemt dat de Belgische Staat een aanhoudende mensenrechtenschending begaat en dat hieraan een einde moet komen. Het derde middel voert schending aan van de artikelen 5.4 en 13 EVRM: de verdere opsluiting van de eiser zonder enig verder vooruitzicht, in niet aan zijn psychiatrische noden aangepaste omstandigheden, is niet regelmatig en er moet onmiddellijk een einde aan worden gemaakt; in zoverre het vonnis oordeelt dat slechts een overplaatsing kan worden bevolen binnen de Interneringswet, moet worden vastgesteld dat dit kader niet voldoet aan artikel 5.4 EVRM.
  5. In zoverre de middelen zijn gericht tegen het nalaten van de Belgische Staat of de fod Justitie en dus niet tegen het vonnis, zijn ze niet ontvankelijk.
  6. In zoverre de middelen zijn gericht tegen de Interneringswet zelf en niet tegen het vonnis, zijn ze niet ontvankelijk.
  7. In zoverre de middelen aanvoeren dat de eiser sinds 24 maart 2021 in een gevangenis verblijft, terwijl uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat hij op 18 januari 2023 werd vrijgelaten op proef en die invrijheidstelling op 25 april 2023 werd herroepen, missen ze feitelijke grondslag.
  8. Een door artikel 3, 4°, b), Interneringswet bedoelde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij waar een geïnterneerde op grond van artikel 19 Interneringswet kan worden geplaatst of waarnaar hij kan worden overgeplaatst, is geen gevangenis.
  9. De internering is volgens artikel 2, eerste lid, Interneringswet een veiligheidsmaatregel die ertoe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde de zorg wordt verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij. Een vrijheidsberoving als gevolg van een interneringsbeslissing is in beginsel niet strijdig met artikel 5.1.e EVRM.
  10. Uit artikel 5.1.e EVRM volgt dat een vrijheidsberoving van een geesteszieke die strafbare feiten heeft gepleegd en op die grond is geïnterneerd, rechtmatig is indien hij binnen een redelijke termijn wordt geplaatst in een aangepaste instelling waar hem aangepaste zorg wordt verstrekt.
  11. De kamer voor de bescherming van de maatschappij, als multidisciplinair en gespecialiseerd rechtscollege, moet toezicht houden op de wijze van uitvoering van de interneringsbeslissingen binnen het geldende verdragsrechtelijke en wettelijke kader. Het staat aan deze kamer erover te waken dat de geïnterneerde binnen een redelijke termijn wordt geplaatst in een aangepaste instelling waar hij de meest gepaste zorg ontvangt. Die regel geldt evenzeer voor geïnterneerden die reeds een of meerdere keren hebben genoten van uitvoeringsmodaliteiten, zoals een invrijheidstelling op proef, maar die wegens de niet-naleving van voorwaarden opnieuw worden opgesloten.
  12. De redelijkheid van die termijn, die niet in absolute termen is uit te drukken, hangt onder meer af van de aard van de geestesziekte, de mogelijke behandelwijzen, de wijze waarop de geïnterneerde desgevallend in het verleden reeds werd behandeld, de wijze waarop de uitvoering van de internering in het verleden is verlopen, de beschikbaarheid van de voorzieningen die zijn gericht op de specifieke noden van de geïnterneerde en de bereidheid van de geïnterneerde om mee te werken met voorgestelde behandelingen.
  13. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  14. Het vonnis oordeelt onder meer dat ongeacht de eventuele onrechtmatigheid van eisers vrijheidsberoving, het feit dat zijn invrijheidstelling een gevaar voor de samenleving uitmaakt, na afweging, een zelfstandige reden kan zijn op grond waarvan kan worden beslist tot het behoud van de detentie. Aldus geeft het vonnis te kennen dat zelfs als eisers vrijheidsberoving in strijd is met artikel 5 EVRM, dit niet tot zijn invrijheidstelling kan leiden.
  15. Het vonnis oordeelt verder als volgt: - de gevangenispsychiater stelt een waanstoornis met middelengebruik als faciliterende factor vast; - een residentiële opname in een laagbeveiligde voorziening volstaat om tegemoet te komen aan het recidiverisico; - de eiser gaat daarmee akkoord en werkte mee aan de veelvuldige aanmeldingen, maar er ligt geen concrete mogelijkheid tot opname voor: de ziekenhuizen PZ Asster, PC Bethanië, Munsterbilzen, Duffel, Alexianen, afdeling VIA in Sint-Kamillus, Multiversum, Rekem, dr. Guislain en het PC Gent-Sleidinge hebben de vraag tot opname negatief beantwoord; in de medium security voorzieningen in Bierbeek en Zelzate was er een aanmeldingsstop en het OPZ Geel heeft nog geen antwoord verstrekt; Sint-Jan in Eeklo zou de eiser uitnodigen voor een intakegesprek en Sint-Alexius in Grimbergen heeft bijkomende vragen gesteld; - op basis van de voorliggende gegevens wordt vastgesteld dat de geestestoestand van de eiser nog niet voldoende is gestabiliseerd en dat er reëel recidivegevaar bestaat en dat hij het tegendeel op geen enkele wijze aannemelijk maakt; - de invrijheidstelling op proef van de eiser werd nog maar recent herroepen, nadat hij was hervallen in zijn psychiatrische problematiek en hij niet erin slaagde om zijn voorwaarden na te leven; - er was sprake van een precair toestandsbeeld en onvoldoende stabiliteit om nieuwe feiten te vermijden; - ter rechtszitting gaf de eiser bovendien aan akkoord te zijn met de overweging dat een residentiële opname nodig was om stabiliteit te verkrijgen; - ondanks de vele initiatieven, is er echter geen geschikte voorziening bereid gevonden om de eiser op te nemen; - de eiser heeft zelf geen enkel concreet voorstel tot reclassering voorgelegd; - een invrijheidstelling op proef is aldus niet mogelijk, omdat er niet is voldaan aan de tegenindicaties daarvoor; - op het verzoek tot plaatsing in een residentiële instelling wordt evenmin ingegaan: de rechtbank zou enkel een plaatsing kunnen bevelen in een hoogbeveiligde voorziening, wat evenwel niet overeenstemt met het risicoprofiel van de eiser en dus niet aan de orde is, rekening houdend met de nog lopende aanmeldingen; - in afwachting van een mogelijkheid tot opname, is een verdere plaatsing in een inrichting tot bescherming van de maatschappij noodzakelijk ter bescherming van de maatschappelijke veiligheid; - de rechtbank plaatst de eiser verder in de afdeling voor de bescherming van de maatschappij te Merksplas, in afwachting van een concrete mogelijkheid tot opname in een residentiële voorziening; - zodra de mogelijkheid voorligt, kan dit aan de rechtbank worden voorgelegd met een hoogdringend verzoek.
  16. Met het geheel van die redenen verantwoordt het vonnis naar recht de beslissing de eiser verder te plaatsen in de afdeling voor de bescherming van de maatschappij te Merksplas in afwachting van een concrete mogelijkheid van een opname in een residentiële voorziening. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 24 oktober 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.8 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.14 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.8 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.26 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.