id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 7 Uit artikel 6.1.
EVRM dat het recht van toegang tot de rechter met inbegrip van het daaruit afgeleide recht van de toegankelijkheid en de daadwerkelijkheid van een rechtsmiddel waarborgt, volgt dat enkel nadat de rechter heeft vastgesteld dat een versteklatende beklaagde over de voorwaarden en de termijn om verzet aan te tekenen in kennis was gesteld, het verzet door die partij wegens laattijdigheid niet ontvankelijk mag worden verklaard; de kennisgeving moet expliciet het recht om verzet aan te tekenen vermelden, alsook de vorm waarin dit moet gebeuren en de termijn waarbinnen het rechtsmiddel moet worden aangewend
(1).
(1)Zie Cass. 9 maart 2016, AR P.15.1679.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160309.3, AC 2016, nr. 168, met concl. advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., T.Strafr., 2016, afl. 3, 236-239, noot T. DECAIGNY; Cass. 3 juni 2015, AR P.15.0067.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150603.5, AC 2015, nr. 368. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 8 - 11 Noch uit artikel 6.
- EVRM, noch uit artikel 40, vierde lid, Wegverkeerswet, volgt dat de kennisgeving van de rechtsmiddelen die openstaan tegen een verstekvonnis, van de termijnen om die aan te wenden en van de na te leven vormvoorwaarden, aan bepaalde vormvereisten is onderworpen. Thesaurus CAS: VERZET RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 40 Fiches 12 - 14 De rechter oordeelt onaantastbaar of aan de verzetdoende beklaagde kennis werd gegeven van het recht om verzet aan te tekenen, alsmede de vorm waarin dit moet gebeuren en de termijn waarbinnen dit rechtsmiddel moet worden aangewend; het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond hiervan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: VERZET BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Tekst van de beslissing Nr. P.23.1192.N E. R. E., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Brian Stuckens, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 28 juni
- De eiser voert in een memorie, die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.3.d, EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis wijst ten onrechte eisers verzoek tot het horen van de getuige C. af; het oordeelt ten onrechte dat de attestering van deze getuige louter betrekking heeft op de strafuitvoering en niet op het strafonderzoek of de schuldbeoordeling; het is namelijk de betwiste attestering die maakt dat eisers recht op toegang tot de rechter wordt gefnuikt en dat de appelrechters oordelen dat eisers verzet laattijdig is.
- Krachtens artikel 6.3.d EVRM heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en de oproeping van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.
- Het in artikel 6.3.d EVRM bepaalde recht van een beklaagde om getuigen te ondervragen of te doen ondervragen en de criteria die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uit deze bepaling heeft afgeleid ter beoordeling van verzoeken tot het horen van dergelijke getuigen, hebben enkel betrekking op de beslissing over de schuld, maar niet op de vraag of de informatieplicht betreffende het aanwenden van rechtsmiddelen en dus het recht van toegang tot de rechter zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, zijn nageleefd. Het middel dat geheel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, de artikelen 10, 11, 13 en 149 Grondwet, de artikelen 187, § 1 en § 5, 1°, en 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 37 Taalwet Gerechtszaken. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat de mededeling van de rechten voorhanden is, maar alleen een kennisgeving van het verval van het recht op sturen zelf; het bestreden vonnis komt op basis van de vaststelling dat er op die kennisgeving is geattesteerd dat de rechten werden medegedeeld tot de onwettige gevolgtrekking dat er geen twijfel over bestaat dat de rechten waarnaar wordt verwezen, de vormvoorwaarden en de termijnen van de verzetsprocedure conform de artikelen 171 en 187 Wetboek van Strafvordering betreffen; deze gevolgtrekking is op geen enkele feitelijke vaststelling gebaseerd; de eiser kan bij gebrek aan stukken in het strafdossier de inhoud van de hem medegedeelde rechten niet toetsen noch kan hij nagaan of het de meest recente en volledige versie van de rechten betreft; de appelrechters motiveren niet welke feitelijke vaststelling de zekerheid geeft met betrekking tot de inhoud van de medegedeelde rechten, die als voldoende moet worden beschouwd om de buitengewone termijn van verzet te doen lopen.
- Artikel 6.1 EVRM waarborgt het recht van toegang tot de rechter met inbegrip van het daaruit afgeleide recht van de toegankelijkheid en de daadwerkelijkheid van een rechtsmiddel. Uit deze bepaling volgt dat het verzet door een versteklatende beklaagde niet wegens laattijdigheid niet ontvankelijk mag worden verklaard, dan nadat de rechter heeft vastgesteld dat die partij over de voorwaarden en de termijn om verzet aan te tekenen in kennis was gesteld.
- De kennisgeving moet expliciet het recht om verzet aan te tekenen vermelden, alsook de vorm waarin dit moet gebeuren en de termijn waarbinnen het rechtsmiddel moet worden aangewend.
- Artikel 40, vierde lid, Wegverkeerswet bepaalt: “In geval van veroordeling bij verstek, wordt bij de in het eerste lid bedoelde kennisgeving melding gemaakt van de rechtsmiddelen die openstaan tegen een verstekvonnis, van de termijnen om die aan te wenden en van de na te leven vormvoorwaarden, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.”
- Uit deze bepalingen volgt niet dat die kennisgeving aan bepaalde vormvereisten is onderworpen.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of aan de verzetdoende beklaagde kennis werd gegeven van het recht om verzet aan te tekenen, alsmede de vorm waarin dit moet gebeuren en de termijn waarbinnen dit rechtsmiddel moet worden aangewend.
- Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond hiervan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt onder meer als volgt: - op 6 september 2021 wordt de eiser het verval van het recht tot sturen zoals uitgesproken in het verstekvonnis ter kennis gebracht; - de kennisgeving vermeldt expliciet dat het verstekvonnis op 26 maart 2021 aan woonplaats werd betekend; - daarnaast vermeldt de kennisgeving van het verval van het recht tot sturen van 6 september 2021 het volgende: “Het afschrift van dit bericht en de kennisgeving betreffende de rechten van de persoon die in België bij verstek werd veroordeeld werd door ons, C.S., op 6/9/2021 gegeven aan [de eiser] die samen met ons ondertekent”; - deze rechten zijn niet opgenomen in de akte van kennisgeving zelf en er werd evenmin een kopie van de meegedeelde rechten aan het strafdossier gevoegd; - de in het strafdossier neergelegde kopie van de kennisgeving toont aan dat de rechtsmiddelen daadwerkelijk aan de eiser werden medegedeeld bij de kennisgeving van de vervallenverklaring van het recht tot sturen; - de rechtbank heeft geen enkele reden om aan te nemen dat de eiser zijn rechten niet zou hebben ontvangen zoals dat in de kennisgeving van het verval van het recht tot sturen staat vermeld. Hoewel deze rechten niet zijn opgenomen in de akte zelf en er evenmin een kopie van de meegedeelde rechten werd gevoegd aan het strafdossier, bestaat er geen twijfel over dat de rechten waarnaar wordt verwezen de vormvoorwaarden en de termijnen van de verzetsprocedure conform de artikelen 171 en 187 Wetboek van Strafvordering betreffen. Op grond van deze redenen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat de eiser kennis heeft gekregen van de vorm en de termijn waarbinnen zijn verzet diende te worden aangetekend en dat zijn verzet laattijdig is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser de Franse taal machtig is en zijn verklaringen ook in die taal heeft afgelegd; ook ter rechtszitting werd steeds voorzien in de bijstand van een tolk; hierdoor stellen de appelrechters vast dat de eiser niet bij machte is om Nederlands te verstaan; gelet op de mededeling van eisers recht in een voor hem onverstaanbare taal, is zijn recht op toegang tot de rechter gefnuikt; het bestreden vonnis beschouwt de kennisgeving van de rechten van een bij verstek veroordeelde verkeerdelijk als een akte betreffende de tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten die overeenkomstig artikel 37 Taalwet Gerechtszaken in het Nederlands dient te gebeuren; het beperken van de mededeling van de rechten in de taal van de procedure niettegenstaande men weet dat de betrokkene de andere landstaal machtig is, maakt een ongeoorloofde discriminatie uit en miskent eisers recht van verdediging; het bestreden vonnis verklaart dan ook ten onrechte eisers verzet niet ontvankelijk, wat een onwettige beperking inhoudt van de toegang tot de rechter en maakt dat de beslissing gebrekkig is gemotiveerd. Aan het Grondwettelijk Hof moet de volgende prejudiciële vraag worden gesteld: “Schendt artikel 40 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het niet bepaalt dat tevens moet worden voorzien in een vertaling van de melding aangaande de rechtsmiddelen die openstaan tegen een verstekvonnis, de termijnen om deze aan te wenden en de na te leven vormvereisten, zoals gehecht aan de kennisgeving van het verval van het recht tot sturen dat is uitgesproken in het kader van een procedure bij verstek, wanneer de bij verstek veroordeelde de andere landstaal reeds heeft gekozen, dan wel dat blijkt uit objectieve elementen van het vooronderzoek dat de bij verstek veroordeelde enkel de andere landstaal machtig is. In die zin dat de kennisgeving conform hogervermeld artikel 40 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968 het aanvangspunt is/kan zijn voor de buitengewone verzetstermijn en bijgevolg het recht op toegang tot de rechter manifest kan beperken voor die veroordeelden die de rechten kregen in de andere landstaal, en deze aldus niet zo expliciet mogelijk werden meegedeeld (en dienvolgens hiervan geen effectieve kennis konden nemen), terwijl deze beperking niet geldt voor die veroordeelde die de rechten ontving in de landstaal die hij machtig is?”
- Uit de enkele omstandigheid dat de eiser op de rechtszitting van 31 mei 2023 werd bijgestaan door een tolk, kan niet worden afgeleid dat de eiser enkel de Franse taal machtig is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat de eiser niet bij machte is om Nederlands te verstaan, hij zijn verklaringen in Frans heeft afgelegd en de Salduz-rechten hem louter in de Franse taal werden ter beschikking gesteld, verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
- Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit die vergeefse aanvoering en is het evenmin ontvankelijk.
- Gelet op de onontvankelijkheid van het onderdeel is er geen grond om de voormelde prejudiciële vraag te stellen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 24 oktober 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240903.2N.16 precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150603.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160309.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div