id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.16 Rolnummer: P.23.1374.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-11-10 Raadplegingen: 723 - laatst gezien 2026-06-18 00:36 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Het staat aan de strafuitvoeringsrechtbank onaantastbaar te oordelen of bij de herroeping van een strafuitvoeringsmodaliteit wegens het niet-naleven van één of meerdere bijzondere voorwaarden de proeftijd goed is verlopen en of de veroordeelde inspanningen heeft geleverd om de hem opgelegde voorwaarden te respecteren, maar uit het loutere feit dat er een ruim tijdsverloop zit tussen de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit en het aanhangig maken van de vordering tot herroeping ervan, volgt niet dat de strafuitvoeringsrechtbank niet kan aannemen dat de proeftijd voor het geheel niet goed is verlopen; bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie moet de strafuitvoeringsrechtbank de bepaling van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat de veroordeelde nog moet ondergaan, rekening houdend met de proeftijd die goed is verlopen en de inspanningen die de veroordeelde heeft geleverd om de voorwaarden te respecteren die hem waren opgelegd, niet nader motiveren. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 68, § 5, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 68, § 5, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1374.N T. I. A. D. W., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Benjamin Van Waes, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 29 september 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het eerste en tweede onderdeel voeren schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de bewijskracht van akten: met het oordeel dat de eiser een inbreuk zou hebben gepleegd op de hem bij zijn voorwaardelijke invrijheidstelling opgelegde voorwaarden door te rijden spijts verval, door zware gewelddaden te hebben gepleegd op zijn partner en door de feiten niet te hebben besproken met de justitieassistent, geeft het vonnis van het meldingsverslag van de justitieassistent een uitlegging die met bewoordingen ervan niet verenigbaar is; uit dit meldingsverslag blijkt wel degelijk dat het sturen spijts verval en de vermeende agressie tegenover zijn partner werden besproken met de justitieassistent. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de bewijskracht van akten: met het oordeel dat niet is geweten hoe het is gesteld met de begeleiding en de tewerkstelling van de eiser?+ miskent het vonnis de bewijskracht van een door de eiser op de rechtszitting ingediend stuk en het meldingsverslag van de justitieassistent; uit dit stuk en uit dit meldingsverslag blijkt het tegendeel. 2. Het vonnis grondt de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet op de door het middel bekritiseerde redenen, die overigens in de voorwaardelijke wijze zijn omschreven, maar wel op de inhoud van het proces-verbaal van 14 januari 2023 van de politiezone Wetteren-Laarne-Wichelen betreffende het zich verplaatsen met het voertuig van zijn huidige partner, de bevestiging daarvan door de eiser tegenover de verbalisanten, het toegeven door de eiser op de rechtszitting dat hij op 14 januari 2023 met dit voertuig heeft gereden en het door de eiser op de rechtszitting niet betwiste gegeven dat hem een rijverbod en een verval wegens lichamelijke ongeschiktheid was opgelegd. Het is op grond van die elementen dat het vonnis oordeelt dat de eiser minstens de hem bij het vonnis van 23 september 2022 bij zijn voorwaardelijke invrijheidstelling opgelegde voorwaarde 10 heeft geschonden en dat bijgevolg de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt herroepen. Het middel dat geheel berust op die onjuiste lezing van het vonnis, mist feitelijke grondslag. Tweede middel 3. Het middel voert schending aan van artikel 68, § 5, tweede lid, Wet Strafuitvoering en artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de bewijskracht van akten; het vonnis oordeelt dat het strafrestant niet wordt verminderd omdat de proeftijd in het geheel niet goed verliep, maar het duidt niet aan waaruit dit concreet zou blijken; uit het meldingsverslag van de justitieassistent blijkt dat de eiser wel degelijk inspanningen heeft geleverd om de hem opgelegde voorwaarden te respecteren, zodat het vonnis de bewijskracht van dit verslag miskent; bovendien liep de voorwaardelijke invrijheidstelling al vanaf 23 september 2022 en werd pas op 30 augustus 2023 een eerste verzoek tot herroeping aanhangig gemaakt; het vonnis kan dan ook niet wettig oordelen dat de proeftijd in het geheel niet goed verliep. 4. Het vonnis verwijst voor het bekritiseerde oordeel niet naar het meldingsverslag van de justitieassistent. Het kan dan ook de bewijskracht van die akte niet miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 5. Uit artikel 68, § 5, tweede lid, Wet Strafuitvoering volgt dat de strafuitvoeringsrechtbank bij de herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling het gedeelte van de vrijheidssstraf bepaalt die de veroordeelde nog moet ondergaan rekening houdend met de proeftijd die goed is verlopen en de inspanningen die de veroordeelde heeft geleverd om de voorwaarden te respecteren die hem waren opgelegd. 6. Het staat aan de strafuitvoeringsrechtbank onaantastbaar te oordelen of bij de herroeping van een strafuitvoeringsmodaliteit wegens het niet-naleven van één of meerdere bijzondere voorwaarden de proeftijd goed is verlopen en of de veroordeelde inspanningen heeft geleverd om de hem opgelegde voorwaarden te respecteren. 7. Uit het loutere feit dat er een ruim tijdsverloop zit tussen de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit en het aanhangig maken van de vordering tot herroeping ervan, volgt niet dat de strafuitvoeringsrechtbank niet kan aannemen dat de proeftijd voor het geheel niet goed is verlopen. 8. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie moet de strafuitvoeringsrechtbank de bepaling van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat de veroordeelde nog moet ondergaan, rekening houdend met de proeftijd die goed is verlopen en de inspanningen die de veroordeelde heeft geleverd om de voorwaarden te respecteren die hem waren opgelegd, niet nader motiveren. 9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek 10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 24 oktober 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.16 Gerelateerde publicatie(
- s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250219.2F.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.