← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.22 Rolnummer: P.23.1429.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-11-10 Raadplegingen: 767 - laatst gezien 2026-06-18 20:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Artikel 101, § 2, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek heeft slechts tot doel vast te leggen dat een kamer van een hof van beroep bestaat uit hetzij drie magistraten van dit hof, hetzij één enkele magistraat van dit hof; uit die bepaling volgt niet dat in een meervoudige kamer steeds twee raadsheren en een kamervoorzitter moeten zetelen en niets belet dat een meervoudige kamer van het hof van beroep bestaat uit drie kamervoorzitters, of uit twee kamervoorzitters en een raadsheer, of uit drie raadsheren, waarvan er een optreedt als voorzitter. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 101, § 2, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 101, § 2, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1429.N M. N. S. A., beklaagde verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Christian Clement, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 12 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM, artikel 12 Grondwet en de artikelen 16, § 5, eerste en tweede lid, 21, § 5, 22, zevende lid, 23, 4°, 27, § 2, en 30, § 3, derde lid, en § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet: het oordeel van het arrest dat het verslag van de radicaliseringsconsulente geen afbreuk doet aan het bestaan van recidive- en vluchtgevaar omdat er tussen haar en de eiser eerder beperkte contacten plaatsvonden en het allerminst uit te sluiten is dat de eiser zich daarbij sociaal wenselijk heeft opgesteld, volstaat niet als motivering ter beantwoording van het door de eiser ter zake in zijn conclusie gevoerde verweer; de kamer van inbeschuldigingstelling werd uitgenodigd om rekening houdend met de inhoud van het verslag van de radicaliseringsconsulente te motiveren in welke mate de persoonlijkheid van de eiser de handhaving van de voorlopige hechtenis noodzakelijk maakt; het arrest had het verslag van de consulente inhoudelijk moeten weerleggen; het arrest kon gelet op de inhoud van dit verslag niet oordelen dat er recidive- of vluchtgevaar is; de verwijzing van het arrest naar de beschikkingen van de raadkamer volstaan niet omdat die beschikkingen geen rekening kunnen hebben gehouden met het voor de kamer van inbeschuldigingstelling gevoerde verweer dat was gebaseerd op het verslag van de radicaliseringsconsulente dat dateert van na die beschikkingen.
  3. In zoverre het middel onder het mom van een motiveringsgebrek opkomt tegen de onaantastbare beoordeling door de kamer van inbeschuldigingstelling van het bestaan van recidive- en vluchtgevaar na het arrest waarbij de eiser werd veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van vijf jaar en zijn onmiddellijke aanhouding werd bevolen op het ogenblik van het bestreden arrest, is het niet ontvankelijk.
  4. Indien een beklaagde gegevens aanvoert ter staving van zijn verweer dat er geen recidive- of vluchtgevaar is en de kamer van inbeschuldigingstelling op een met redenen omklede wijze van oordeel is dat gelet op de omstandigheden waarin deze gegevens zijn verkregen, ze niet overtuigend zijn, moet de kamer van inbeschuldigingstelling deze gegevens niet inhoudelijk beoordelen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel
  5. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 1, en § 5, en 27, § 3, Voorlopige Hechteniswet: het arrest kan niet oordelen dat aangezien er slechts beperkte contacten plaatsvonden tussen de eiser en de radicaliseringsconsulente (maximaal 2 uur op twee- of driewekelijkse basis) er geen recidive- of vluchtgevaar is; de eiser is immers reeds in behandeling bij deze consulente sinds 10 februari
  6. Het middel voert weliswaar formeel een onwettigheid aan, maar komt in werkelijkheid geheel op tegen de onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde van het verslag van de radicaliseringsconsulente. Het middel is niet ontvankelijk. Derde middel
  7. Het middel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat uit het verslag van de radicaliseringsconsulente blijkt dat er eerder beperkte contacten waren tussen haar en de eiser, laat het arrest die akte iets anders zeggen dan wat er in is uitgedrukt; in het verslag wordt immers aangegeven dat de begeleiding van de consulente specifiek en intensief is.
  8. De miskenning van de bewijskracht van een akte bestaat erin dat de rechter van een akte, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, of met andere woorden dat hij die akte doet liegen.
  9. De akte bevat onder meer de volgende vermelding: “Ik heb [de eiser] op 2 of 3 wekelijkse basis gezien tijdens contactmomenten van ongeveer 2 u.” Zelfs rekening houdend met de eveneens in de akte voorkomende zinsnede “Dit betreft een specifieke, intensieve begeleiding”, geef het arrest met het oordeel “Immers blijkt uit dat verslag dat er tussen haar en [de eiser] eerder beperkte contacten (maximaal 2 uur op twee- of driewekelijkse basis) plaatsvonden en het valt allerminst uit te sluiten dat [de eiser] zich daarbij sociaal wenselijk heeft opgesteld.” geen uitlegging van de akte die volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 101, § 2, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek: het arrest is gewezen door twee kamervoorzitters en één raadsheer, wat niet verenigbaar is met deze bepaling, die voorschrijft dat de kamer moet zijn samengeteld uit twee raadsheren en een voorzitter.
  11. Artikel 101, § 2, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het hof van beroep bestaat uit een eerste voorzitter, kamervoorzitters en raadsheren. Artikel 101, § 2, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de kamers van het hof van beroep zitting houden ofwel met drie raadsheren in het hof van beroep de voorzitter daaronder begrepen, ofwel met één lid, kamervoorzitter of raadsheer in het hof van beroep.
  12. Artikel 101, § 2, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek heeft slechts tot doel vast te leggen dat een kamer van een hof van beroep bestaat uit hetzij drie magistraten van dit hof, hetzij één enkele magistraat van dit hof. Uit die bepaling volgt niet dat in een meervoudige kamer steeds twee raadsheren en een kamervoorzitter moeten zetelen. Niets belet dat een meervoudige kamer van het hof van beroep bestaat uit drie kamervoorzitters, of uit twee kamervoorzitters en een raadsheer, of uit drie raadsheren, waarvan er een optreedt als voorzitter. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vijfde middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 780, eerste lid, 1°, Gerechtelijk Wetboek: er bestaat een tegenstrijdigheid tussen de vermeldingen in het arrest en in het proces-verbaal van de rechtszitting die maakt dat de regelmatigheid van de procedure niet kan worden nagegaan; het arrest vermeldt dat het is uitgesproken in aanwezigheid van tijdelijk gedelegeerd federaal magistraat W. T.; het proces-verbaal van de rechtszitting vermeldt dat federaal magistraat E. L. aanwezig was op de rechtszitting.
  14. Artikel 780, eerste lid, 1°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis op straffe van nietigheid de naam vermeldt van de magistraat van het openbaar ministerie die advies heeft gegeven. Deze bepaling is niet van toepassing in strafzaken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  15. Het proces-verbaal van de rechtszitting van 12 oktober 2023 en het arrest (negende blad) vermelden dat op de rechtszitting van 12 oktober 2023 E. L., federaal magistraat, werd gehoord in haar verslag en in haar vordering. Het arrest (veertiende blad) vermeldt dat het werd uitgesproken in aanwezigheid van tijdelijk gedelegeerd federaal magistraat W. T.. Die vermeldingen, eensdeels, de vaststelling dat de zaak werd behandeld in aanwezigheid van federaal magistraat E. L., en, anderdeels, de vaststelling dat het arrest werd uitgesproken in aanwezigheid van tijdelijk gedelegeerd federaal magistraat W. T., zijn niet tegenstrijdig. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 94,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 24 oktober 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.