← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.3 Rolnummer: P.23.0974.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-11-10 Raadplegingen: 660 - laatst gezien 2026-06-15 08:57 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit artikel 327, tweede lid, Strafwetboek volgt dat de aldus bedoelde bedreiging slechts een algemeen opzet vereist, met name dat bij de dader de wil bestaat gevoelens van schrik te doen ontstaan bij de persoon die hij met een aanslag bedreigt, terwijl hij dat ook weet; een bijzondere beweegreden is niet vereist. Thesaurus CAS: BEDREIGINGEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 327, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 327, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0974.N I. D. W., inverdenkinggestelde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 19 mei 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 327, tweede lid, Strafwetboek en artikel 9, § 1, Interneringswet: met het oordeel dat eisers verontrustend sms-bericht aan zijn vader ook de ontvanger van dat bericht viseerde en dat uit diens aangifte daarvan bij de lokale politie reeds blijkt dat daardoor een ernstige vrees voor een aanslag werd veroorzaakt omdat hij vermoedde dat de eiser nog steeds vuurwapens in bezit had, stelt het arrest de materiële constitutieve bestanddelen van het bedreigingsmisdrijf vast, maar niet dat die feiten ook moreel aan de eiser toerekenbaar zijn; het arrest laat immers na vast te stellen dat de eiser ook de bedoeling had bij zijn vader gevoelens van schrik te doen ontstaan; aldus verantwoordt het arrest de bewezenverklaring van de telastlegging A en de beslissing tot internering niet naar recht en wordt het Hof belet zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. 2. Artikel 327, tweede lid, Strafwetboek bepaalt: “De bedreiging met een aanslag op personen of eigendommen waarop een criminele straf gesteld is, bij naamloos of ondertekend geschrift, zonder bevel of voorwaarde, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van vijftig euro tot driehonderd euro.” 3. Uit die bepaling volgt dat de aldus bedoelde bedreiging slechts een algemeen opzet vereist, met name dat bij de dader de wil bestaat gevoelens van schrik te doen ontstaan bij de persoon die hij met een aanslag bedreigt, terwijl hij dat ook weet. Een bijzondere beweegreden is niet vereist. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 4. Het arrest oordeelt zoals het onderdeel aanhaalt en verder ook dat eisers verontrustend sms-bericht “geenszins kan worden gecatalogeerd als een loutere noodkreet naar zijn vader toe”, maar dat het zijn vader, aan wie het bericht was gericht, met de bedreiging viseerde. Met die redenen, in hun onderlinge samenhang beschouwd, geven de appelrechters te kennen dat de eiser het opzet had bij zijn vader gevoelens van schrik teweeg te brengen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 5. De overige wetsschendingen zijn afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 327, tweede lid, Strafwetboek, de artikelen 5.64, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en artikel 9, § 1, Interneringswet: door te oordelen dat eisers verontrustend sms-bericht ook zijn vader viseerde, stelt het arrest van het bedreigingsmisdrijf het materieel constitutief bestanddeel vast dat de bedreiging door de bedreigde persoon moet zijn gekend of ten minste van zulke aard moet zijn geweest dat ze door hem had kunnen zijn gekend; uit dat bericht en voornamelijk uit de zinsneden “ik ben niks hier, dank u voor alles, ik betaal u alles terug” en “ik maak ze allemaal af, ze maken geen kans” blijkt dat de eiser zijn vader net niet viseerde; aldus miskent het arrest de bewijskracht van eisers sms-bericht en is de bewezenverklaring van de telastlegging A niet naar recht verantwoord. 7. Het arrest leidt het oordeel dat eisers bedreiging zijn vader bekend was niet af uit de vaststelling dat het sms-bericht zijn vader viseerde, maar uit de vaststelling dat zijn vader, na het bericht te hebben ontvangen, aangifte is gaan doen bij de lokale politie. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 8. De miskenning van de bewijskracht van een akte bestaat erin dat de rechter verwijst naar een geschrift en dat zijn beslissing aan dit geschrift een vermelding toeschrijft die niet erin voorkomt dan wel verklaart dat dit geschrift een vermelding niet bevat die wel erin voorkomt, of met andere woorden het geschrift doet liegen. 9. Met het bekritiseerde oordeel schrijft het arrest aan het sms-bericht geen vermelding toe die het niet bevat, maar leidt het er louter een gevolg uit af. Het miskent dan ook de bewijskracht van dat bericht niet. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 327, tweede lid, Strafwetboek: met overname van de redenen van de schriftelijke vordering van de procureur-generaal oordeelt het arrest dat eisers bedreiging niet enkel de directe ontvanger van het sms-bericht viseerde, maar daarnaast expliciet ook schoolkinderen; het arrest stelt evenwel niet vast dat dit privébericht van de eiser aan zijn vader door die bedreigde personen gekend was of ten minste van zulke aard is geweest dat het door hen had kunnen zijn gekend; aldus is de bewezenverklaring van de telastlegging A niet naar recht verantwoord. 11. Het arrest steunt de bewezenverklaring van de telastlegging A en de beslissing tot eisers internering op de bedreiging door de eiser van zijn vader. Het onderdeel dat die bewezen feiten niet in zijn kritiek betrekt, kan, al was het gegrond, niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 133,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 24 oktober 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.3 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.