id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.8 Rolnummer: P.23.1040.N Zaak: L. contra L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-11-10 Raadplegingen: 927 - laatst gezien 2026-06-18 17:40 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Artikel 442quater Strafwetboek stelt strafbaar hij die, terwijl hij kennis had van iemands fysieke of psychische zwakheid die het oordeelsvermogen van de betrokkene ernstig verstoort, bedrieglijk misbruik heeft gemaakt van die zwakheid teneinde hem ertoe te brengen een handeling te verrichten dan wel zich van een handeling te onthouden waarbij zulks diens fysieke of geestelijke integriteit dan wel diens vermogen ernstig aantast; een ernstige aantasting van het vermogen van de betrokkene in de zin van die bepaling vereist dat die laatste tijdens zijn leven zelf hierdoor vermogensschade heeft geleden
(1).
(1)Zie A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de droit pénal spécial, 2018, 582-
- Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 442quater - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1040.N J. L., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Koen De Backer, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen J. F. L., beklaagde, verweerder, met als raadslieden mr. Monica Rodriguez en mr. Tom Bauwens, beiden advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 5 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 182 Wetboek van Strafvordering en miskenning van de kwalificatieplicht van de rechter: het impliciete oordeel dat de feiten moeten worden onderzocht overeenkomstig de kwalificatie zoals die in de verwijzingsbeschikking van de raadkamer werd aangenomen, namelijk als een inbreuk op artikel 442quater Strafwetboek (misbruik van de zwakke toestand van personen), is niet naar recht verantwoord; die kwalificatie is slechts voorlopig en de vonnisrechter heeft de verplichting de noodzaak van een heromschrijving te onderzoeken indien hem daarvoor rechtsgeldig stukken zijn overgelegd; dat is het geval met de klacht met burgerlijkepartijstelling waar de eiser de feiten ook heeft omschreven als onder meer diefstal en misbruik van vertrouwen, alsook met het strafdossier dat mogelijk documenten met valse handtekeningen bevat; bovendien geeft het arrest zelf aan dat de feiten eventueel op een andere grond strafbaar kunnen zijn.
- Onder randnummer 4.5 preciseert het arrest in algemene termen de constitutieve bestanddelen van het misdrijf omschreven onder artikel 442quater Strafwetboek en oordeelt het onder meer: “Om strafbaar te zijn onder artikel 442quater Strafwetboek moet de handeling die het slachtoffer schade heeft berokkend uitgaan van het slachtoffer zelf. Deze bepaling incrimineert niet het rechtstreeks toebrengen van schade door de dader (wat eventueel strafbaar kan zijn op andere gronden), maar wel het toebrengen van schade middels de tussenkomst van het slachtoffer zelf.” Daarmee oordeelt het arrest niet dat de aan de verweerder ten laste gelegde feiten eventueel onder een andere misdrijfomschrijving strafbaar gedrag kunnen uitmaken. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- In correctionele zaken en politiezaken maakt de verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht of de dagvaarding om voor het vonnisgerecht te verschijnen niet de daarin vervatte kwalificatie of omschrijving bij het vonnisgerecht aanhangig, maar wel de feiten zoals zij blijken uit de stukken van het vooronderzoek en die aan de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding ten grondslag liggen.
- De rechter, ook in hoger beroep, is niet gebonden door de kwalificatie van de feiten in de dagvaarding of de verwijzingsbeschikking, maar moet aan de feiten de juiste misdrijfomschrijving geven. Desgevallend moet hij overgaan tot een heromschrijving van de telastlegging, waarvoor slechts vereist is dat het recht van verdediging wordt geëerbiedigd met betrekking tot de nieuwe misdrijfomschrijving en dat die laatste hetzelfde feit tot voorwerp heeft als de materiële gebeurtenis die het voorwerp van de vervolging uitmaakt.
- Uit de loutere omstandigheid dat de rechter niet overgaat tot een heromschrijving van de telastlegging en bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie daarover geen redenen vermeldt, kan niet worden afgeleid dat hij op grond van de hem overgelegde stukken geen onderzoek heeft gevoerd naar de juiste misdrijfomschrijving van de feiten.
- De rechter oordeelt onaantastbaar wat het feitelijke voorwerp is van de telastlegging zoals bedoeld in de dagvaarding of de verwijzingsbeschikking, alsook onder welke misdrijfomschrijving de erin bedoelde feiten moeten worden gekwalificeerd.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest preciseert onder randnummer 4.6 de concrete gedragingen die aan de verweerder worden ten laste gelegd en oordeelt met betrekking tot de gedragingen b (volmacht doen verlenen en nieuwe bankrekening openen) en c (zes verzekeringsovereenkomsten doen vereffenen, de terugkoop van kasbons en een obligatie aanvragen en de opbrengsten van die transacties op een bankrekening doen terechtkomen) dat “het beweerdelijk vervalsen van documenten door het plaatsen van (beweerde) valse handtekeningen andere feiten vormen dan deze waarvoor de [verweerder] thans wordt vervolgd.” In zoverre het middel opkomt tegen dat onaantastbaar oordeel en voor het overige tegen het onaantastbaar oordeel over de misdrijfomschrijving van de in eisers klacht met burgerlijkepartijstelling vervatte feiten, is het evenmin ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 442quater Strafwetboek: het oordeel dat testamentaire beschikkingen en levensverzekeringen niet kunnen worden beschouwd als een ernstige aantasting van het vermogen van het slachtoffer aangezien de benadeling ervan pas wordt gerealiseerd na diens overlijden, is niet naar recht verantwoord; het arrest legt daarmee een voorwaarde op die de wettelijke misdrijfomschrijving niet bevat.
- Het arrest (p. 6, nr. 4.3) oordeelt dat uit de omschrijving van de enige telastlegging blijkt dat de verweerder niet wordt vervolgd om, misbruik makend van de beweerde zwakke toestand van G.L., deze ertoe te hebben aangezet een testament te laten verlijden dat hem bevoordeelt. De door het onderdeel aangevoerde onwettigheid kan die beslissing niet beïnvloeden. In zoverre het onderdeel betrekking heeft op testamentaire beschikkingen is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- Artikel 442quater Strafwetboek stelt strafbaar hij die, terwijl hij kennis had van iemands fysieke of psychische zwakheid die het oordeelsvermogen van de betrokkene ernstig verstoort, bedrieglijk misbruik heeft gemaakt van die zwakheid teneinde hem ertoe te brengen een handeling te verrichten dan wel zich van een handeling te onthouden waarbij zulks diens fysieke of geestelijke integriteit dan wel diens vermogen ernstig aantast.
- Een ernstige aantasting van het vermogen van de betrokkene in de zin van die bepaling vereist dat die laatste tijdens zijn leven zelf hierdoor vermogensschade heeft geleden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 442quater Strafwetboek: enerzijds oordeelt het arrest dat het in artikel 442quater Strafwetboek bepaalde misdrijf inhoudt dat het slachtoffer een handeling heeft verricht hetzij zich van een handeling heeft onthouden, terwijl het anderzijds oordeelt dat daartoe enkel een effectieve handeling vanwege het slachtoffer in aanmerking kan komen; die redenen zijn tegenstrijdig en de appelrechters hebben nagelaten ook na te gaan of de verweerder zich aan een niet-handeling schuldig heeft gemaakt.
- Het arrest oordeelt niet zoals het onderdeel aanvoert. Onder randnummer 4.5 omschrijft het arrest vooreerst in algemene termen de constitutieve bestanddelen van het misdrijf die in artikel 442quater Strafwetboek zijn bepaald, waarbij het uitdrukkelijk aangeeft dat de strafbaarheid ook kan volgen uit het zich onthouden van een handeling vanwege het slachtoffer. Vervolgens verduidelijkt het dat de schade moet zijn toegebracht door het slachtoffer zelf en niet door de dader van het misdrijf. Door bij die precisering over het verband tussen het strafbaar gedrag en de daardoor veroorzaakte schade niet langer de voormelde onthouding te vermelden, oordeelt het arrest niet dat de strafbaarheid enkel kan volgen uit een effectieve handeling vanwege het slachtoffer. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit die onjuiste lezing en is het niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de geldigheid van het testament van G.L. geen deel uitmaakt van de tussen de eiser en de verweerder gevoerde betwisting; daardoor miskent het arrest de bewijskracht van eisers appelconclusie waarin die geldigheid wel degelijk werd betwist, alsook de motiveringsverplichting.
- De miskenning van de bewijskracht van een akte levert geen motiveringsgebrek op in de zin van artikel 149 Grondwet. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel van het tweede middel, wordt de verweerder niet vervolgd om, misbruik makend van de beweerde zwakke toestand van G.L., deze ertoe te hebben aangezet een testament te laten verlijden dat hem bevoordeelt. De eiser heeft bijgevolg geen belang bij de aangevoerde miskenning van zijn appelconclusie. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 52,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 24 oktober 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251209.2N.24 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div