← België

VANDEPUTTE-VALCKE nv c. BELGISCHE STAAT FINANCIËN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231026.1N.1 Rolnummer: F.21.0129.N Zaak: VANDEPUTTE-VALCKE nv c. BELGISCHE STAAT FINANCIËN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-11-21 Raadplegingen: 1446 - laatst gezien 2026-06-18 10:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231026.1N.1 Fiche 1 Uit de tekst zelf van artikel 537 WIB92 volgt dat de wetgever de tijdelijke gunstmaatregel van het verlaagd tarief van de personenbelasting en de roerende voorheffing slechts heeft willen verlenen op voorwaarde dat de uit de belaste reserves uitgekeerde dividenden waarvoor het verlaagd tarief geldt, worden aangewend voor een kapitaalverhoging die het kapitaal van de vennootschap, minstens gedurende een zekere tijd, versterkt; het doorvoeren van een kapitaalvermindering net voor of gelijktijdig met de dividenduitkering en kapitaalverhoging met toepassing van artikel 537 WIB92, frustreert de doelstelling van deze wetsbepaling

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Roerende voorheffing Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 537 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 Wanneer de belastingplichtige een geheel van rechtshandelingen heeft gesteld dat tot gevolg heeft dat hij een belastingvoordeel geniet of zich buiten het toepassingsgebied van een fiscale bepaling plaatst, kan de strijdigheid van die verrichting met de doelstellingen van de betrokken fiscale bepaling in de zin van artikel 344, § 1, WIB92 enkel worden vastgesteld wanneer die doelstellingen op voldoende duidelijke wijze blijken uit de tekst en, in voorkomend geval, uit de parlementaire voorbereiding van de van toepassing zijnde wetsbepaling; in dat opzicht moet rekening worden gehouden met, onder meer, de algemene context van de relevante fiscale wetgeving, de praktijken die gewoonlijk gangbaar zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de fiscale bepaling waarvan zij het misbruik aanvoert, alsook met het eventuele bestaan van specifieke bepalingen die reeds ertoe strekken bepaalde misbruiken van de betrokken fiscale bepaling tegen te gaan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 344 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.21.0129.N VANDEPUTTE-VALCKE cv, met zetel te 8560 Wevelgem, Groenestraat 57, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0479.029.649, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal KMO Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 24 november
  1. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 07 maart 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel, eerste subonderdeel en tweede en derde onderdeel
  2. Krachtens artikel 344, § 1, eerste lid, WIB92 kan aan de administratie niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat eenzelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de administratie door vermoedens of andere in artikel 340 WIB92 bedoelde bewijsmiddelen en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik. Krachtens artikel 344, § 1, tweede lid, WIB92 is er sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige middels de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt: 1° een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; 2° een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft. Wanneer de belastingplichtige een geheel van rechtshandelingen heeft gesteld dat tot gevolg heeft dat hij een belastingvoordeel geniet of zich buiten het toepassingsgebied van een fiscale bepaling plaatst, kan de strijdigheid van die verrichting met de doelstellingen van de betrokken fiscale bepaling in de zin van artikel 344, § 1, WIB92 enkel worden vastgesteld wanneer die doelstellingen op voldoende duidelijke wijze blijken uit de tekst en, in voorkomend geval, uit de parlementaire voorbereiding van de van toepassing zijnde wetsbepaling. In dat opzicht moet rekening worden gehouden met, onder meer, de algemene context van de relevante fiscale wetgeving, de praktijken die gewoonlijk gangbaar zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de fiscale bepaling waarvan zij het misbruik aanvoert, alsook met het eventuele bestaan van specifieke bepalingen die reeds ertoe strekken bepaalde misbruiken van de betrokken fiscale bepaling tegen te gaan.
  3. Krachtens artikel 537, eerste lid, WIB92, in de versie zoals van toepassing op het geding, wordt in afwijking van de artikelen 171, 3°, en 269, § 1, 1°, het tarief van de personenbelasting, respectievelijk de roerende voorheffing vastgesteld op 10 pct. voor de dividenden die overeenkomen met de vermindering van de belaste reserves zoals deze ten laatste op 31 maart 2013 zijn goedgekeurd door de algemene vergadering op voorwaarde dat en in de mate dat minstens het verkregen bedrag onmiddellijk wordt opgenomen in het kapitaal en dat deze opneming plaatsvindt tijdens het laatste belastbaar tijdperk dat afsluit voor 1 oktober
  4. Krachtens het vijfde lid van die wetsbepaling wordt bij een latere kapitaalvermindering deze geacht eerst uit de volgens dit regime ingebrachte kapitalen voort te komen. Krachtens het zesde lid wordt, wanneer deze kapitaalvermindering volgens dit regime tot stand komt binnen acht jaar na de laatste inbreng in kapitaal, zij in afwijking van artikel 18, eerste lid, 2°, beschouwd als een dividend. Het tarief van de personenbelasting en van de roerende voorheffing bedraagt, voor de verleende of toegekende dividenden: 1° tijdens de eerste vier jaar volgend op de inbreng, 15 pct.; 2° tijdens het vijfde en zesde jaar volgend op de inbreng, 10 pct.; 3° tijdens het zevende en achtste jaar volgend op de inbreng, 5 pct. In afwijking van het zesde lid wordt de voormelde termijn, krachtens het zevende lid, voor de vennootschappen die op grond van artikel 15 van het Wetboek van vennootschappen als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin de kapitaalinbreng is gedaan, op vier jaar gebracht en het tarief van de personenbelasting, respectievelijk de roerende voorheffing, bedraagt voor de verleende of toegekende dividenden: 1° tijdens de eerste twee jaar volgend op de inbreng, 15 pct.; 2° tijdens het derde jaar volgend op de inbreng, 10 pct.; 3° tijdens het vierde jaar volgend op de inbreng, 5 pct. Uit de tekst zelf van artikel 537 WIB92 volgt dat de wetgever de tijdelijke gunstmaatregel van het verlaagd tarief van de personenbelasting en de roerende voorheffing slechts heeft willen verlenen op voorwaarde dat de uit de belaste reserves uitgekeerde dividenden waarvoor het verlaagd tarief geldt, worden aangewend voor een kapitaalverhoging die het kapitaal van de vennootschap, minstens gedurende een zekere tijd, versterkt. Het doorvoeren van een kapitaalvermindering net voor of gelijktijdig met de dividenduitkering en kapitaalverhoging met toepassing van artikel 537 WIB92, frustreert de doelstelling van deze wetsbepaling.
  5. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat: - op de bijzondere algemene vergadering van de eiseres van 28 januari 2014 achtereenvolgens de volgende beslissingen werden genomen: vermindering van het maatschappelijk kapitaal van 856.000 euro naar 62.000 euro aangerekend op het gestort kapitaal; uitkering aan de aandeelhouders, bij toepassing van artikel 537 WIB92, van een netto dividend van 1.674.000 euro, zijnde een bruto bedrag van 1.860.000 euro verminderd met 10 pct. roerende voorheffing; verhoging van het maatschappelijk kapitaal met 1.674.000 euro; - de verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat niet het volledige als dividend uitgekeerde bruto bedrag van 1.860.000 euro aan het gunsttarief van 10 pct. roerende voorheffing had mogen worden onderworpen, maar dit gunsttarief enkel kon worden toegepast op het deel van de uitgekeerde dividenden dat overeenkomt met de effectieve verhoging van het maatschappelijk kapitaal.
  6. De appelrechter oordeelt dat: - de wetgever het lager tarief van de roerende voorheffing slechts heeft willen toestaan aan de vennootschappen die een kapitaalverhoging deden door de aan de roerende voorheffing onderworpen dividenden aan te wenden, te incorporeren; - het om deze doelstelling te verwezenlijken is dat de wetgever de voorwaarde in artikel 537 WIB92 heeft opgenomen dat het netto dividend dat wordt uitgekeerd in het kader van artikel 537 WIB92 moet worden opgenomen in het kapitaal en daar dient te blijven gedurende een bepaalde periode; - de bedoeling dus was om het tarief van 10 pct. slechts toe te kennen op het bedrag van de kapitaalverhoging dat op een voldoende blijvende manier afkomstig was van dividenden die overeenstemmen met de vermindering van de belaste reserves (verschuiving van belaste reserves naar kapitaal); - door eerst het kapitaal te verminderen en finaal dus op een beperktere kapitaalverhoging uit te komen dan voor het bedrag van de dividenden die overeenstemmen met de vermindering van de belaste reserves, de eiseres een operatie deed die niet beantwoordt aan de bedoeling van de wetgever, althans voor het in de bestreden aanslag bijkomend belast deel van de dividenduitkering.
  7. Door op die gronden te oordelen dat de doelstelling van artikel 537 WIB92 werd miskend en dat bijgevolg is voldaan aan het objectief element van het fiscaal misbruik, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht. De onderdelen en het subonderdeel kunnen niet worden aangenomen. Eerste onderdeel, tweede en derde subonderdeel, en vierde onderdeel
  8. De in ro 4 vermelde, vergeefs bekritiseerde redenen dragen de beslissing dat de doelstelling van artikel 537 WIB92 is miskend en dat bijgevolg is voldaan aan het objectief element van het fiscaal misbruik. Het onderdeel en de subonderdelen die zijn gericht tegen overtollige redenen, kunnen niet tot cassatie leiden en zijn mitsdien bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 255,83 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 26 oktober 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231026.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231026.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.