← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 6 - 10 Artikel 6 EVRM en het daarin vervatte recht op een eerlijk proces, waarvan het recht van verdediging deel uitmaakt, verzet zich niet ertegen dat informatie louter als inlichting in aanmerking wordt genomen om het onderzoek in een bepaalde richting te oriënteren en vervolgens op autonome wijze bewijzen te verzamelen, voor zover niet blijkt dat die informatie op onregelmatige wijze is verkregen en wanneer een beklaagde aanvoert dat dergelijke informatie op onregelmatige wijze is verkregen, dient hij die aanvoering enigszins aannemelijk te maken en moet die aanvoering het niveau van een loutere bewering overstijgen, zodat het louter in vraag stellen van de regelmatigheid van de informatie niet volstaat om de beweerde onregelmatigheid ervan enigszins aannemelijk te maken; de verplichting om de aanvoering dat informatie onregelmatig is verkregen enigszins aannemelijk te maken is niet strijdig met artikel 6 EVRM en maakt het recht op een eerlijk proces met inbegrip van het recht van verdediging niet theoretisch of illusoir en het staat aan de rechter te oordelen of een beklaagde slaagt in de verplichting de aanvoering dat informatie onregelmatig is verkregen enigszins aannemelijk te maken en dat die het niveau van een loutere bewering overstijgt

(1).
(1)Cass. 15 november 2022, AR P.22.0745.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.1, AC 2022, nr. 730; Cass. 17 mei 2022, AR P.22.0101.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.6, AC 2022, nr. 351; B. VANGEEBERGEN, Het gebruik van inlichtingen in het strafproces, Intersentia, 2017; A. WINANTS, “Staatsveiligheid, strafvordering en strafproces”, in Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Preadviezen 2009, Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2009, pp. 242-246; Cass. 18 april 2017, AR P.16.1292.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.12, AC 2017, nr. 264; Cass. 23 september 2015, AR P.13.1451.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150923.7, AC 2015, nr. 545. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.0893.N M. N. S. A., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Christian Clement, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 mei

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM: het arrest laat na het niet-horen van M.M. te toetsen aan de drie criteria die gelden voor het niet-horen van een getuige à charge; deze getuige is wel degelijk een getuige à charge; het gegeven dat het door M.M. ondertekende document slechts als inlichting in aanmerking wordt genomen doet daaraan geen afbreuk; de mogelijkheid die de eiser heeft om de inhoud van het document tegen te spreken, volstaat niet om te besluiten tot de afwezigheid van een miskenning van het recht op een eerlijk proces.
  3. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en het daardoor gewaarborgde het recht om een getuige à charge onder eed te horen op de rechtszitting, volgt dat de drie criteria ter beoordeling van het al dan niet bestaan van de verplichting om de getuige te horen en meer bepaald de juridische of feitelijke onmogelijkheid om de getuige te horen, het doorslaggevende karakter van de verklaring van de getuige bij de schuldbeoordeling en de aan- of afwezigheid van compenserende factoren, enkel gelden voor een getuige die tijdens het vooronderzoek belastende verklaringen heeft afgelegd betreffende de schuld van de beklaagde aan de hem ten laste gelegde feiten.
  4. Indien een beklaagde verzoekt om een getuige te horen louter betreffende de regelmatigheid van de procedure, waaronder de bewijsverzameling, dient de rechter dit verzoek niet te toetsen aan de drie voormelde criteria.
  5. De rechter oordeelt in dat geval onaantastbaar of het horen van de getuige noodzakelijk is voor de beoordeling van de regelmatigheid van de procedure.
  6. De omstandigheid dat de partij die om het verhoor van de getuige verzoekt niet slaagt in de op haar rustende verplichting het bestaan van een aangevoerde onregelmatigheid enigszins aannemelijk te maken, kan de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige verantwoorden.
  7. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  8. Het arrest (p. 23-24) oordeelt betreffende het verzoek van de eiser om de opsteller van een FBI-document van 20 oktober 2021 te horen als getuige op de rechtszitting onder meer als volgt: - dit document betreft een nota die door de “legal attaché” van de VSA werd bezorgd aan het openbaar ministerie en die werd opgesteld door de FBI; - die nota bevat enkel door een buitenlandse inlichtingendienst verzamelde inlichtingen; - die inlichtingen vormen als dusdanig geen bewijs van de aan de eiser ten laste gelegde misdrijven, die onder meer betrekking hebben op het voorbereiden van een terroristische aanslag en het bezit of vervaardigen van een wapen in een terroristische context; - die inlichtingen hebben hoogstens toegelaten het onderzoek in een bepaalde richting te oriënteren en vervolgens op autonome wijze bewijzen te verzamelen; - de eiser heeft over de betwiste inlichtingen verweer kunnen voeren, wat hij deed zowel in conclusies als op de rechtszitting voor het hof van beroep; - dit document is wel degelijk gehandtekend, aangezien het een digitale handtekening bevat; - het is onjuist dat in dit document melding wordt gemaakt van bijzondere opsporingsmethoden zoals het schaduwen of observeren van personen, het gebruik van technische hulpmiddelen, het afluisteren van gesprekken, personen, groepen, vergaderingen of het gebruik van infiltranten; - uit het document blijkt helemaal niet, zelfs niet impliciet, dat dergelijke opsporingsmethoden werden gebruikt; - geen enkel gegeven laat toe te besluiten dat de informatie op onregelmatige wijze werd verkregen en de eiser maakt dit ook niet aannemelijk; - dat de eiser geen enkele zekerheid heeft over de manier waarop de erin opgenomen informatie is tot stand gekomen, van wie ze afkomstig is en wanneer ze werd verzameld, of dat niet altijd duidelijk is of de informatie betrekking heeft op de eiser dan wel op zijn tweelingbroer, brengt niet mee dat zijn recht op een eerlijk proces en zijn recht van verdediging zijn miskend; - de eiser heeft die informatie kunnen tegenspreken; - de in de nota vermelde inlichtingen zijn geen bewijs van de aan de eiser verweten feiten en het hof van beroept neemt die inlichtingen niet mee in aanmerking ter beoordeling van de schuld van de eiser. Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de afwijzing van eisers verzoek om de ondertekenaar van het document op de rechtszitting te horen als getuige onder eed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.a EVRM: het arrest heromschrijft het feit van de telastlegging I, zonder de eiser te verwittigen; een aanhouding en een gevangenhouding zijn twee onderscheiden misdrijven.
  10. Het arrest oordeelt dat de schuld van de eiser aan de feiten omschreven onder de telastleggingen E, F (met uitzondering van de in artikel 410, eerste lid, Strafwetboek opgenomen verzwarende omstandigheid), G en H vaststaat ingevolge het beroepen vonnis, het verklaart de eiser schuldig aan de feiten omschreven onder de telastlegging I en het veroordeelt de eiser voor de feiten omschreven onder de telastleggingen E, F (met uitzondering van de in artikel 410, eerste lid, Strafwetboek opgenomen verzwarende omstandigheid), G, H en I samen tot een gevangenisstraf van drie jaar. Er blijkt niet dat de appelrechters bij de bepaling van die straf eisers schuldigverklaring aan de feiten omschreven onder de telastlegging I specifiek in aanmerking hebben genomen.
  11. De aan de eiser opgelegde bestraffing is dan ook naar recht verantwoord door zijn schuldigverklaring aan de feiten omschreven onder de telastleggingen E, F (met uitzondering van de in artikel 410, eerste lid, Strafwetboek opgenomen verzwarende omstandigheid), G en H. Het onderdeel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest laat na het document afkomstig van het FBI te weren; de eiser heeft over dit stuk geen tegenspraak kunnen voeren; dit geldt ook voor buitenlands bewijsmateriaal; de relevante machtigingen of procedures op basis waarvan dit stuk werd opgesteld, werden niet aan het dossier gevoegd; de regelmatigheid van dit stuk kon door de appelrechters niet worden nagegaan; de verplichting die regelmatigheid te onderzoeken, geldt ook voor inlichtingen.
  13. Artikel 6 EVRM en het daarin vervatte recht op een eerlijk proces, waarvan het recht van verdediging deel uitmaakt, verzet zich niet ertegen dat informatie louter als inlichting in aanmerking wordt genomen om het onderzoek in een bepaalde richting te oriënteren en vervolgens op autonome wijze bewijzen te verzamelen, voor zover niet blijkt dat die informatie op onregelmatige wijze is verkregen.
  14. Indien een beklaagde aanvoert dat dergelijke informatie op onregelmatige wijze is verkregen, dient hij die aanvoering enigszins aannemelijk te maken en moet die aanvoering het niveau van een loutere bewering overstijgen.
  15. Het louter in vraag stellen van de regelmatigheid van de informatie volstaat niet om de beweerde onregelmatigheid ervan enigszins aannemelijk te maken.
  16. De verplichting om de aanvoering dat informatie onregelmatig is verkregen enigszins aannemelijk te maken is niet strijdig met artikel 6 EVRM en maakt het recht op een eerlijk proces met inbegrip van het recht van verdediging niet theoretisch of illusoir.
  17. Het staat aan de rechter te oordelen of een beklaagde slaagt in de verplichting de aanvoering dat informatie onregelmatig is verkregen enigszins aannemelijk te maken en dat die het niveau van een loutere bewering overstijgt.
  18. Het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  19. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  20. Op grond van de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser niet slaagt in de op hem rustende verplichting de beweerde onregelmatige verkrijging van de in de FBI-nota opgenomen informatie enigszins aannemelijk te maken en dat er geen grond is om die nota uit het debat te weren. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede en derde middel
  21. Het tweede middel voert schending aan van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek en het derde middel voert schending van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest kan niet oordelen dat de feiten omschreven onder de telastleggingen A1, B1, C1 en D1 en de feiten omschreven onder de telastleggingen E, F, G, H en I worden gekenmerkt door een afzonderlijk opzet; het legt voor de beide reeksen van feiten twee afzonderlijke straffen op, maar het verwijst voor het oordeel betreffende het opzet voor de feiten omschreven onder de telastleggingen E tot en met I, naar de redenen waarop het de schuld van de eiser aan de feiten omschreven onder de telastlegging B.1 grondt (tweede middel); daardoor is het arrest ook tegenstrijdig gemotiveerd (derde middel).
  22. Uit het loutere feit dat de rechter bij de schuldbeoordeling betreffende een bepaald feit verwijst naar andere feiten waaraan de beklaagde eveneens schuldig wordt verklaard, volgt niet dat hij moet aannemen dat al deze feiten samen werden gepleegd met eenzelfde misdadig opzet. Het tweede middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
  23. Een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet veronderstelt redenen of beschikkingen in eenzelfde rechterlijke beslissing die elkaar teniet of opheffen.
  24. Het arrest (p. 33, randnr. 8.2, tweede alinea) oordeelt dat de eiser de feiten omschreven onder de telastleggingen A1, B1, C1 en D1 heeft gepleegd met eenzelfde misdadig opzet, zodat voor al die feiten samen één straf wordt opgelegd. Het arrest (p. 34, derde alinea) oordeelt verder dat de eiser de feiten omschreven onder de telastleggingen E, F (zonder de in artikel 410, eerste lid, Strafwetboek opgenomen verzwarende omstandigheid), G, H en I heeft gepleegd met eenzelfde misdadig opzet, zodat voor al die feiten samen één straf wordt opgelegd. Het vermeldt geen redenen tot nadere verantwoording van de beslissingen betreffende het aannemen van een afzonderlijke eenheid van opzet voor de beide reeksen van bewezenverklaarde feiten. Het loutere feit dat de appelrechters bij de beoordeling van de schuld van de eiser aan het feit omschreven onder de telastlegging B1 verwijzen naar de feiten omschreven onder de telastleggingen E, F (zonder de in artikel 410, eerste lid, Strafwetboek opgenomen verzwarende omstandigheid), G, H en I, heeft niet tot gevolg dat de beslissingen betreffende het aannemen van een afzonderlijk opzet voor de beide reeksen van bewezenverklaarde feiten elkaar teniet doen of opheffen. Het derde middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  26. Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van eisers cassatieberoep, verkrijgt de beslissing op de strafvordering kracht van gewijsde. In zoverre het cassatieberoep ook is gericht tegen de beslissing waarbij de onmiddellijke aanhouding van de eiser werd bevolen, heeft het geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 179,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 31 oktober 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150923.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.12 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.10 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.5 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240123.2N.9 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.2 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.8 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.