← België

Simple Transport&Rent Service contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 427

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 429

, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn van betekening en-of neerlegging Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 427

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 429

, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 427

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 429, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.0942.N I SIMPLE TRANSPORT & RENT SERVICE bv, met zetel te 2108 Antwerpen, Provinciestraat 4, vrijwillig tussengekomen partij, eiseres, met als raadsman mr. Brandon Saeyvoet, advocaat bij de balie Antwerpen. II M. D., eiser, met als raadsman mr. Kris Masson, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 9 juni

  1. De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie en van het cassatieberoep van de eiseres
  2. Uit artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering volgt voor de eiser in cassatie een algemene verplichting het cassatieberoep te laten betekenen aan de tegenpartijen, met als enige en dus strikt uit te leggen uitzondering het cassatieberoep van de vervolgde partij voor wat betreft de beslissing op de strafvordering. Uit artikel 429, vierde lid, Wetboek van Strafvordering volgt voor de eiser in cassatie verder de verplichting om de memorie in cassatie ter kennis te brengen van de tegenpartijen, tenzij voor wat betreft de memorie van de vervolgde partij en enkel voor wat betreft de beslissing op de strafvordering.
  3. De eiseres die als vrijwillig tussenkomende partij de teruggave vordert van het verbeurdverklaarde voertuig Peugeot 208 met nummerplaat (…) is dan ook gehouden tot de betekening van haar cassatieberoep aan de tegenpartij en kennisgeving van haar memorie aan die tegenpartij, met name aan het openbaar ministerie bij het appelgerecht.
  4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres haar cassatieberoep heeft laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het appelgerecht en haar memorie aan dit openbaar ministerie ter kennis heeft gebracht. De memorie en het cassatieberoep van de eiseres zijn niet ontvankelijk. Middelen van de eiser Eerste middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 6.1, 6.2 en 6.3.c EVRM en artikel 47bis, § 2, en § 4, Wetboek van Strafvordering: het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de eiser werden onherstelbaar miskend; de eiser bevond zich in een kwetsbare positie op het ogenblik van zijn verhoor en kon niet beschikken over de bijstand van een raadsman; dit verhoor vond plaats om 17.33 u en de eiser heeft pas om 20.15 u kennis gekregen van zijn rechten; dit kan geen materiële vergissing zijn; de getuige P.D., mogelijks onder invloed van drugs aangezien hij een notoire druggebruiker is, werd eveneens verhoord zonder bijstand van een advocaat; de fotoherkenning door de getuige P.G. werd beïnvloed doordat het voorgelegde fotodossier de naam van de eiser vermeldde; er kan niet worden volstaan met de weigering rekening te houden met de fotoherkenning; dat impliceert een schending van artikel 6.2 EVRM; het is duidelijk dat de fotoherkenning heeft meegespeeld bij de beoordeling.
  6. Artikel 6.2 EVRM, dat het vermoeden van onschuld waarborgt, is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
  7. Het arrest oordeelt dat uit het aanvankelijk proces-verbaal blijkt dat de eiser de verklaring van zijn rechten als bedoeld door artikel 47bis, § 2, en § 4, Wetboek van Strafvordering heeft ontvangen om 20.15 u en dat hij op 20.30 u een afstandsverklaring heeft ondertekend die het woordelijk citeert. Uit het aanvankelijk proces-verbaal blijkt dat de eiser om 18.15 u werd gearresteerd te Antwerpen, (…), hij om 18.16 u werd gefouilleerd door het aftasten van de kledij en hij om 18.56 u werd onderworpen aan een fouillering door middel van een ontkleden en ten slotte dat er om 20.22 u werd overgegaan tot een huiszoeking op zijn inschrijvingsadres. Uit het verhoor van de eiser blijkt dat deze huiszoeking plaatsvond voor zijn verhoor aangezien hij bij dat verhoor werd geconfronteerd met de resultaten van de huiszoeking.
  8. Op grond van die gegevens oordeelt het arrest dat de vermelding in het proces-verbaal van verhoor dat dit verhoor plaatsvond om 17.33 u duidelijk een materiële vergissing betreft, dat er geen twijfel over kan bestaan dat de eiser wel degelijk voorafgaand aan zijn verhoor kennis heeft gekregen van zijn in artikel 47bis Wetboek van Strafvordering bedoelde rechten en dat hij nadien en weloverwogen afstand heeft gedaan van het recht op bijstand van een advocaat.
  9. In zoverre het middel opkomt tegen deze onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest, is het niet ontvankelijk.
  10. De daaruit afgeleide miskenning van eisers rechten is evenzeer niet ontvankelijk.
  11. Het arrest oordeelt dat de getuige P.D. voorafgaand aan zijn verhoor in kennis werd gesteld van zijn rechten zoals bepaald in artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, dat hij niet van zijn vrijheid werd beroofd en dat uit niets blijkt dat hij zich in een kwetsbare positie bevond die de bijstand van een advocaat noodzaakte. In zoverre het middel opkomt tegen deze onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest, is het evenmin ontvankelijk.
  12. De onregelmatigheid bij een fotoherkenning wordt afdoende geremedieerd door die fotoherkenning uit het debat te weren en de schuldbeoordeling niet erop te steunen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  13. Het arrest bevestigt de door het beroepen vonnis bevolen wering van de fotoherkenning door P.G. uit het debat en stelt vast dat de beslissing over eisers schuld op geen enkele wijze wordt gebaseerd op deze fotoherkenning. In zoverre het middel aanvoert dat de fotoherkenning duidelijk een rol heeft gespeeld, komt het op tegen die onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat de door het openbaar ministerie aangevoerde grief omtrent de strafmaat nauwkeurig is bepaald; de loutere vermelding dat het hoger beroep is gericht tegen de strafmaat verduidelijkt geenszins of de procureur des Konings een strafverzwaring of een strafvermindering beoogt.
  15. Artikel 210 Wetboek van Strafvordering is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
  16. Artikel 204 Wetboek van Strafvordering vereist niet dat het openbaar ministerie dat in zijn grievenschrift een grief aanvoert tegen de beslissing over de bestraffing, bovendien preciseert tegen welke specifieke straf of straffen de grief is gericht en of met de grief een strafverzwaring of een strafvermindering wordt beoogd. Een grievenformulier waarin het openbaar ministerie enkel de rubriek bestraffing aanduidt en verder vermeldt dat de strafmaat wordt bekritiseerd, is voldoende duidelijk en precies. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  17. De schending van artikel 6 EVRM is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 204 Wetboek van Strafvordering. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 145,61 euro, waarvan eiseres I 36,05 euro is verschuldigd en de eiser II 74,56 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 31 oktober 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251001.2F.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.