id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 492bis- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN.
BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen:
Art. 492bis
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 8 - 10 De persoonlijke schade waarvoor een individuele schuldeiser los van de boedel vergoeding kan vragen lastens de bestuurder die frauduleus het vermogen van de failliete vennootschap onbeschikbaar heeft gemaakt voor de schuldeisers van die vennootschap, bestaat in schade die voortspruit uit de krenking van het rechtmatige belang op spoedige betaling, waardoor bijzondere kosten en eventueel morele schade zijn ontstaan; het oorzakelijk verband tussen de fout en die schade vereist niet dat zonder de fout de schuldeiser zijn volledige schuldvordering of een groter deel daarvan had kunnen innen; aldus neemt het enkele feit dat achteraf blijkt dat de schuldvordering van een schuldeiser ook zonder de fout niet volledig had kunnen worden geïnd, niet weg dat de schuldeiser de vermelde persoonlijke schade kan hebben geleden. Thesaurus CAS: BANKBREUK EN BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Wettelijke bepalingen:
Art. 490bis- 01 ELI link Pub nr 1867060850 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art.
1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - MISDRIJVEN IN VERBAND MET FAILLISSEMENT, BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Wettelijke bepalingen:
Art. 490bis- 01 ELI link Pub nr 1867060850 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art.
1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Morele schade. Elementen en grootte Wettelijke bepalingen:
Art. 490bis- 01 ELI link Pub nr 1867060850 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art.
1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 11 - 14 De rechter oordeelt onaantastbaar of een schuld op het moment van de aan een beklaagde verweten organisatie van het bedrieglijk onvermogen van hemzelf of een ander voldoende vaststaand en niet voor ernstige betwisting vatbaar is; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt
(1).
(1)Over art. 490bis Sw. zie T. BYL, B. DE BIE, K. NEVENS, B. VERSTRAETEN en F. VAN VOLSEM, Financieel rechercheren, Politeia, 2020, 275-286. Thesaurus CAS: BANKBREUK EN BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Wettelijke bepalingen:
Art. 490bis
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - MISDRIJVEN IN VERBAND MET FAILLISSEMENT, BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Wettelijke bepalingen:
Art. 490bis
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Beoordelingsbevoegdheid. Raming. Peildatum Wettelijke bepalingen:
Art. 490bis
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:
Art. 490bis
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 15 Het enkele feit dat de bestuurder van een vennootschap weet dat die vennootschap nooit alle schuldeisers zal kunnen betalen, impliceert niet dat die vennootschap op dat moment voldoet aan de voorwaarden om failliet te worden verklaard in de zin van artikel XX.99, eerste lid, WER. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEGRIP. VEREISTEN VAN HET FAILLISSEMENT Wettelijke bepalingen:
Art. 490bis
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.99, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 16 De algemene opdracht van de curator, zoals die voortvloeit uit artikel XX.98 WER, bestaat erin de activa van de gefailleerde te gelde te maken en het provenu te verdelen; wanneer de curator namens de boedel optreedt, oefent hij de gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers uit; hiertoe behoren ook de rechten die voortvloeien uit de schade aan de boedel ingevolge de fout van wie ook, waardoor het passief van het faillissement wordt vermeerderd, het actief wordt verminderd of het actief dat ter beschikking moest staan van de schuldeisers niet effectief voorhanden is in de boedel. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Wettelijke bepalingen:
Art. 490bis- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art.
XX.98, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0713.N
- L. L. L. B., beklaagde,
- M. A. A. V., beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Johan Bally, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
- H. P. LAND- EN TUINBOUW bv, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Philip Daeninck, advocaat bij de balie Limburg,
- Benny BACKX, met kantoor te 2300 Turnhout, Campus Blairon 427, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement MYLITI nv, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 20 april
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, dertien middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 63 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek: het arrest verklaart de klacht met burgerlijkepartijstelling (hierna klacht) van de verweerster 1 ontvankelijk omdat de verweerster 1 hoedanigheid en belang aantoont; de verweerster 1 heeft in haar klacht echter niet verduidelijkt op welke manier zij persoonlijke schade zou lijden in oorzakelijk verband met de aan de eisers verweten misdrijven, noch dergelijke schade aannemelijk gemaakt of ondubbelzinnig vergoeding ervoor gevraagd; de schuldvordering van de verweerster 1, toegekend bij het vonnis van de rechtbank van koophandel Antwerpen, afdeling Turnhout, van 31 oktober 2018, is slechts opeisbaar geworden na het faillissement van Myliti nv, dat dateert van 10 oktober 2017; de verweerster 1 heeft haar klacht, die hoogstens strekte tot betaling van haar schuldvordering op Myliti nv, pas na dat faillissement ingediend; bijgevolg was de klacht niet ontvankelijk omdat de verweerster 1 als individuele schuldeiser tijdens het faillissement geen rechtsvordering tot vergoeding voor haar aandeel in de collectieve schade van de boedel kon instellen; hoe dan ook kon de verweerster 1 als individuele schuldeiser geen persoonlijke schade los van de collectieve schade lijden wegens de niet-tijdige betaling van haar schuldvordering; aldus is de op de klacht gebaseerde strafvordering niet ontvankelijk; de verweerster 1 kon dat in het verdere verloop van de procedure niet rechtzetten.
- In zoverre het middel verplicht tot een kennisname van gegevens uit dossierstukken, die niet zijn opgenomen in het arrest zelf of in enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, is het niet ontvankelijk.
- Uit artikel 63 Wetboek van Strafvordering volgt dat de burgerlijke partij die een gerechtelijk onderzoek opent haar schade aannemelijk moet maken, zonder op dat moment het bewijs te moeten leveren van de schade en het oorzakelijk verband met de aangeklaagde feiten.
- Met de in het middel aangehaalde redenen oordeelt het arrest (p. 30-31) onder meer: “De gedwongen tenuitvoerlegging kan belemmerd worden door het feit dat de schuldenaar zowel voor als tijdens zijn faillissement zijn bezit feitelijk of juridisch onttrekt aan die tenuitvoerlegging, waardoor de schuldeisers kunnen worden benadeeld zodat zij een rechtmatig belang hebben om ook tijdens de periode van het faillissement van de gefailleerde klacht met burgerlijke partijstelling neer te leggen wegens bedrieglijk onvermogen en misbruik van vennootschapsgoederen. Wanneer de schuldeiser die klacht neerlegt en kan aannemelijk maken dat hij schade geleden heeft door dit misdrijf, is zijn vordering ontvankelijk” en “In casu maakt [de verweerster 1] aannemelijk dat zij schade lijdt ingevolge de bewezen verklaarde feiten van de tenlasteleggingen A en B, waardoor zij moeilijkheden ondervonden heeft in de uitvoering van haar titel. De vordering van [de verweerster 1] is dan ook ontvankelijk”. Aldus stelt het arrest vast dat de verweerster 1 in haar klacht wel degelijk ook vergoeding voor persoonlijke schade ingevolge de aan de eisers ten laste gelegde misdrijven heeft gevraagd. In zoverre het middel opkomt tegen die onaantastbare vaststelling van het arrest, is het niet ontvankelijk.
- De schuldeiser van een vennootschap kan ingevolge een fout gepleegd door een bestuurder van die vennootschap persoonlijke materiële of morele schade lijden die niet samenvalt met zijn schuldvordering op de vennootschap en die hij, ook tijdens de afhandeling van het faillissement van die vennootschap, zelf kan vorderen van die bestuurder. Dergelijke individuele schade kan ontstaan wanneer de bestuurder wederrechtelijk activa aan de vennootschap onttrekt of dergelijke activa wederrechtelijk besteedt en daarmee bedrieglijk de betaling van de schuldvordering, in zoverre mogelijk op het moment van de fout, belemmert.
- Het arrest (p. 31) oordeelt verder: “De stelling dat de vordering strekkende tot schadevergoeding ingevolge het bedrieglijk bewerken van onvermogen en misbruik van vennootschapsgoederen een vordering zou zijn die uitsluitend zou toebehoren aan de curator van het faillissement in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van het collectief van schuldeisers van het faillissement, kan niet bijgetreden worden. De individuele schuldeiser die ingevolge misbruik van vennootschapsgoederen bij zijn schuldenaar en het organiseren van bedrieglijk onvermogen van zijn schuldenaar moeilijkheden ondervindt bij de verhaalbaarheid van zijn schuldvordering, heeft belang bij het stellen van een vordering lastens de strafrechtelijk verantwoordelijken hiervoor en lijdt een persoonlijke schade, die los staat van de collectieve schade van de boedel van de gefailleerde. Deze vordering uit dit misdrijf kan evenwel niet strekken tot herstel van het vermogen van de gefailleerde, aangezien dat een vordering is die toekomt aan de curator. Het middel dat aanvoert dat tijdens een faillissement enkel de curator een ontvankelijke vordering kan stellen wegens bedrieglijk onvermogen, faalt dan ook naar recht.” “[De verweerster 1] bewijst dat zij individuele schade lijdt, die los staat van de schade van de boedel van schuldeisers, ingevolge de lastens [de eisers 1 en 2] bewezen verklaarde feiten sub A en B en die voor haar voortspruit uit de krenking van het rechtmatige belang op spoedige betaling, waardoor bijzondere kosten zijn ontstaan en haar vertrouwen ernstig geschaad is. De schade van de individuele schuldeiser, in casu [de verweerster 1], bestaat in de vertraging en kosten die ze gehad heeft omdat haar vordering niet tijdig werd betaald, de schade door de administratieve en juridische opvolging van haar dossier gedurende meerdere jaren en de schade door krenking van haar vertrouwen. De schade van het buiten bezit gestelde vermogen, in casu het faillissement van de NV MYLITI en haar boedel van schuldeisers vertegenwoordigd door de curator, bestaat in de vermindering van het netto-actief of vermeerdering van het netto-passief, hetgeen niet gelijk is aan de som van de door de individuele schuldeisers geleden verliezen.”
- Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de schade die de verweerster 1 kan hebben geleden ingevolge de aan de eisers ten laste gelegde feiten een persoonlijke schade uitmaakt, waarvoor zij zelf een ontvankelijke rechtsvordering kan instellen tijdens de afhandeling van het faillissement van Myliti nv en die niet samenvalt met de collectieve schade van de boedel die enkel de curator kan vorderen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 129 en 130 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de appelrechters bevoegd ingevolge de verwijzingsbeschikking van 5 maart 2021; Myliti nv werd als inverdenkinggestelde voor de rechtszitting van de raadkamer niet opgeroepen op het kantooradres van de verweerder 2, die daardoor niet aanwezig was bij de behandeling van de zaak; de raadkamer heeft onder meer Myliti nv naar de correctionele rechtbank verwezen; de onregelmatigheid in de oproeping voor de raadkamer leidt tot de nietigheid van de verwijzingsbeschikking; aldus is de strafvordering niet ontvankelijk en dienden de eerste rechter en de appelrechters zich onbevoegd te verklaren.
- De onregelmatige oproeping van een inverdenkinggestelde en diens daaruit volgende niet-verschijning voor de raadkamer ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging leidt niet tot de nietigheid van de verwijzingsbeschikking en dienvolgens de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering ten aanzien van alle verwezen inverdenkinggestelden. De sanctie voor die onregelmatigheid bestaat enkel in het onbestaande houden van de verwijzing naar de vonnisrechter van de niet-verschenen inverdenkinggestelde en dit slechts in zoverre diens recht van verdediging hierdoor onherstelbaar zou zijn miskend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De eisers hebben geen belang om de miskenning van het recht van verdediging van een eveneens naar de vonnisrechter verwezen medebeklaagde aan te voeren omdat deze ingevolge een onregelmatigheid in zijn oproeping niet is verschenen op de rechtszitting van de raadkamer die heeft beslist over de regeling van de rechtspleging. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Derde middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 492bis Strafwetboek: het arrest verklaart de eisers schuldig aan de telastlegging A; het misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen vereist een “gebruik” van goederen of gelden; onder het begrip “gebruik” wordt begrepen “elke handeling waarbij goederen van de vennootschap worden toegeëigend, verduisterd of verspild”; het arrest oordeelt dat het begrip “gebruik” in de zin van artikel 492bis Strafwetboek geen “toe-eigening, verduistering of verspilling” vereist; anders dan de situatie waarnaar het arrest verwijst, hebben de eisers met de gelden van de verkoop van het handelsfonds van Myliti nv geen persoonlijke schuld aangezuiverd, maar wel een exclusief door de vennootschap aangegane schuld. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 492bis Strafwetboek: het arrest oordeelt dat het feit dat het passief van de balans van Myliti nv ten belope van dezelfde waarde als het actief is verminderd, niet ter zake doet en dat het verweer van de eisers dat het nadeel van de vermogensbelangen van de vennootschap voor de toepassing van artikel 492bis Strafwetboek moet worden beperkt tot het boekhoudkundig vermogen, ingaat tegen de wil van de wetgever; van het misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen is slechts sprake wanneer het gebruik van die goederen in het nadeel is van de vermogensbelangen van de vennootschap en cumulatief van de schuldeisers of vennoten; opdat de vermogensbelangen van de vennootschap benadeeld zijn, is een boekhoudkundige benadeling vereist, zoals dat het geval is wanneer een bestuurder privéuitgaven met vennootschapsactiva bekostigt.
- Artikel 492bis Strafwetboek bestraft de bestuurders, in feite of in rechte, van een handelsvennootschap, die met bedrieglijk opzet en voor persoonlijke rechtstreekse of indirecte doeleinden gebruik hebben gemaakt van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon, hoewel zij wisten dat zulks op betekenisvolle wijze in het nadeel was van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten. Het bedrieglijk opzet bestaat erin doeleinden na te streven die vreemd zijn aan de belangen van de rechtspersoon.
- Het woord gebruik dient hier te worden begrepen in zijn gewone taalkundige betekenis en heeft derhalve een ruime draagwijdte. Het omvat zowel daden van beheer als daden van beschikking, opgeleverd door positieve handelingen dan wel onthoudingen die met het vereiste opzet zijn gesteld door onder meer een bestuurder van de rechtspersoon met betrekking tot gelden of goederen van de rechtspersoon die zijn toevertrouwd aan die bestuurder of met betrekking tot het krediet van de rechtspersoon waarover die bestuurder feitelijke zeggenschap heeft. Het misdrijf vereist dan ook niet dat de bestuurder activa van de rechtspersoon heeft verduisterd of verspild of zich persoonlijk dergelijke activa heeft toegeëigend.
- Bijgevolg kunnen ook gedragingen die de betrokkene heeft gesteld in het kader van zijn normale bevoegdheden als bestuurder van de rechtspersoon, zoals de betaling van de schuldvordering van een schuldeiser van de rechtspersoon met de opbrengst van de verkoop van de activa van deze laatste, het misdrijf van misbruik van vennootschapsgoederen opleveren wanneer die gedragingen zijn gesteld met het in artikel 492bis Strafwetboek bepaalde bedrieglijk opzet en een betekenisvol nadeel berokkenen aan de vermogensbelangen van de rechtspersoon en die van zijn schuldeisers of vennoten. Dat laatste kan het geval zijn wanneer door de betaling van een nog niet-opeisbare schuld van de rechtspersoon, diens liquide middelen dermate worden verminderd dat hij niet meer in staat is zijn activiteiten te ontplooien en zijn schuldeisers te betalen. Het feit dat de bestuurder met de betaling van slechts één van de schuldeisers van de rechtspersoon het boekhoudkundig vermogen van deze laatste niet aantast omdat daardoor het passief in gelijke mate daalt met het actief en de rechtspersoon dus formeel niet verarmt, is daarbij niet bepalend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Na te hebben geoordeeld dat Agro Vangeel nv, thans Myliti nv, op korte termijn niet de contractuele verplichting had om de volledige schuld te betalen aan de bank en die schuld nog niet opeisbaar was (arrest, p. 11, voorlaatste alinea), oordeelt het arrest (p. 14) onder meer: “(…) het concreet nadeel dat [de eisers] berokkend hebben aan de NV MYLITI erin bestaat dat zij de beschikbare liquiditeiten van de vennootschap NV MYLITI die voortvloeiden uit de verkoop van het handelsfonds, aangewend hebben om een schuldvordering van [de bank] volledig terug te betalen, terwijl deze bank slechts een beperkt voorrecht had op deze verkoopsom ingevolge de inpandgeving van 250.000,00 euro en een mogelijk bijkomend voorrecht ingevolge de volmacht tot inpandgeving van 250.000,00 euro, en dat [de eisers] dit gedaan hebben omwille van het feit dat zij met hun persoonlijk vermogen zekerheden hadden gesteld aan de bank, terwijl als gevolg hiervan de vennootschap MYLITI NV niet meer over voldoende liquide middelen beschikte om een nieuwe activiteit uit te bouwen of haar andere schuldeisers, waaronder talrijke bevoorrechte schuldeisers (o.a. de FOD Financiën, de RSZ, onbetaalde leveranciers) te betalen. Dat het passief van de NV MYLITI ingevolge de betaling van die schuld aan [de bank] boekhoudkundig op het passief van de balans verminderd is met 1.316.784,90 euro (en niet slechts 1.250.000,00 euro zoals [de eisers] voorhouden) ten belope van de zelfde waarde als deze die in het actief wegviel door de betaling, is evident, maar staat daar los van. Het is het gegeven dat hierdoor de liquide middelen opgesoupeerd werden dat ernstig in het nadeel is van de vennootschap NV MYLITI en haar overige schuldeisers. Indien [de eisers] zich beperkt hadden tot het betalen aan [de bank] van het bedrag corresponderend met de waarde van het pand op het handelsfonds, had de NV MYLITI nog voldoende liquide middelen in haar vermogen gehad om andere schuldeisers te vergoeden en om een andere activiteit uit te bouwen. Door “het nadeel van de vermogensbelangen van de vennootschap” voor de toepassing van art. 492bis van het Strafwetboek in hun syntheseconclusies zo eng te interpreteren dat het zich zou beperken tot schade aan het boekhoudkundig vermogen, geven [de eisers] een interpretatie aan art. 492bis van het Strafwetboek die niet strookt met de wens van de wetgever bij de invoering van dit wetsartikel.” Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 492bis Strafwetboek: het arrest kan uit zijn vaststelling dat Myliti nv ten tijde van de telastlegging A, in het bijzonder tijdens de deal met de bank, nooit haar verplichtingen aan alle schuldeisers kon voldoen, niet wettig het rechtsgevolg afleiden dat de vermogensbelangen van Myliti nv zouden zijn benadeeld doordat met de activa van het handelsfonds slechts één schuldeiser, namelijk de bank, en geen andere schuldeisers werden betaald; indien immers het faillissement ten tijde van telastlegging A, waarvan de incriminatieperiode aanving op 14 mei 2017, reeds onvermijdelijk zou zijn geweest omdat Myliti nv nooit haar verplichtingen aan alle schuldeisers kon voldoen, kan de vennootschap geen vermogensrechtelijk nadeel, door het arrest zelfs bepaald op 1.000.000,00 euro, lijden door het feit dat na 14 mei 2017 met het onvoldoende beschikbare geld de ene schuldeiser wordt betaald en de andere niet; voor de vennootschap is het irrelevant welke schuldeiser wordt betaald; dat een bepaalde schuldeiser na faillissement, met name wanneer blijkt dat de boedel ontoereikend is om zijn schuldvordering volledig te voldoen, zijn schuldvordering kan recupereren door het uitvoeren van persoonlijke zekerheidsstellingen op de bestuurders van de vennootschap doet hier geen afbreuk aan, want zulks komt de vennootschap niet ten goede.
- Een middel dat aanvoert dat de rechter uit de door hem vastgestelde feiten niet wettig een bepaald rechtsgevolg kan afleiden, voert geen motiveringsgebrek maar een wettigheidskritiek aan. In zoverre het middel schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt dat de eisers, door de opbrengst van de verkoop van het handelsfonds en de voorraden van Myliti nv, dit is een bedrag van 1.316.784,90 euro, volledig te bestemmen voor de betaling van de schuldvordering van de bank boven haar pandrecht ter waarde van 250.000 euro, dit is voor de betaling aan de bank van een bedrag van 1.066.784,90 euro dat toen nog niet opeisbaar was en waarvoor de bank slechts beschikte over een gewone schuldvordering ten opzichte van Myliti nv, deze vennootschap de mogelijkheid hebben ontnomen om verdere dan wel nieuwe activiteiten te ontwikkelen, wat wel nog mogelijk was geweest indien dat bedrag van 1.066.784,90 euro niet ten onrechte aan de bank was uitgekeerd, maar binnen de vennootschap was gelaten.
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eisers op betekenisvolle wijze in het nadeel van de vermogensbelangen van Myliti nv hebben gehandeld. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Het arrest veroordeelt de eisers om aan de verweerder 2 het bedrag van 1.000.000,00 euro te betalen als vergoeding van de faillissementsboedel ingevolge de door de eisers gepleegde telastleggingen A en B. Dat bedrag becijfert niet het nadeel aan de vermogensbelangen van Myliti nv als constitutief bestanddeel van artikel 492bis Strafwetboek. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eisers schuldig aan de telastlegging A; het oordeelt enerzijds dat Myliti nv reeds aan het begin van de incriminatieperiode van de telastlegging A, dit is op 14 mei 2017, onvoldoende middelen zou hebben gehad om alle schuldeisers te betalen, maar anderzijds dat indien de eisers zich na de verkoop van het handelsfonds in augustus 2017 hadden beperkt tot het betalen aan de bank van het bedrag corresponderend met de waarde van het pand op het handelsfonds, Myliti nv nog voldoende liquide middelen in haar vermogen had gehad om andere schuldeisers te vergoeden, waarbij het arrest vergeet dat als de vennootschap andere schuldeisers zou hebben vergoed, de bank met lege handen zou zijn achtergebleven; nog frappanter is dat het arrest enerzijds oordeelt dat indien de eisers de liquiditeiten afkomstig van de verkoop van het handelsfonds niet hadden aangewend om de bank volledig te vergoeden, het niet vaststaat dat er voldoende activa in Myliti nv waren overgebleven om aan de verweerster 1 een groter deel te betalen dan zij thans uit het faillissement zal kunnen innen, terwijl het anderzijds oordeelt dat, wanneer de eisers zich hadden beperkt tot het betalen aan de bank van het bedrag corresponderend met de waarde van het pand op het handelsfonds, Myliti nv nog voldoende liquide middelen in haar vermogen zou hebben gehad om andere schuldeisers zelfs volledig te vergoeden; vanuit de hypothese dat de eisers zich na de verkoop van het handelsfonds zouden hebben beperkt tot het betalen van een bedrag aan de bank corresponderend met de waarde van het pand op het handelsfonds, oordeelt het arrest aldus de ene keer dat er niet eens voldoende activa zouden zijn overgebleven om een groter deel van de schuldvordering van de verweerster 1 te voldoen dan wat deze thans uit het faillissement zal kunnen innen en de andere keer dat er wel nog voldoende vermogen zou zijn om andere schuldeisers zelfs volledig te vergoeden; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.
- Met geen van de redenen die het middel aanhaalt, oordeelt het arrest dat indien de eisers de betaling aan de bank zouden hebben beperkt tot het bedrag van diens pandrecht, Myliti nv alle schuldeisers volledig had kunnen betalen.
- Het is niet tegenstrijdig te oordelen, eensdeels, dat de eisers op 14 mei 2017 wisten dat er ingevolge het plegen van de telastleggingen A en B Myliti nv onvoldoende middelen zou hebben gehad om alle schuldeisers te betalen en, anderdeels, dat mits de eisers aan de bank enkel de tegenwaarde van diens pandrecht zouden hebben betaald, Myliti nv met het ten onrechte aan de bank betaalde saldo andere schuldeisers had kunnen betalen.
- Het is, uitgaande van de premisse dat de eisers aan de bank enkel de tegenwaarde van diens pandrecht zouden hebben betaald, evenmin tegenstrijdig te oordelen, eensdeels, dat de verweerster 1 vanuit de faillissementsboedel van Myliti nv geen volledige betaling van haar schuldvordering of een hogere dividend had kunnen ontvangen dat wat zij thans zal verkrijgen uit die boedel zoals aangevuld met de aan de verweerder 2 toegekende schadevergoeding en, anderdeels, dat er alsdan in Myliti nv nog voldoende vermogen aanwezig zou zijn om ook andere schuldeisers te betalen.
- Het middel mist feitelijke grondslag. Zesde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eisers schuldig aan de telastlegging A op grond van tegenstrijdige redenen; het oordeelt enerzijds dat het bedrag waarvoor het handelsfonds met de voorraden werd verkocht en het saldo van de klantenvorderingen, zijnde de activa, samen, 2.000.000,00 euro beliepen, daar waar de schulden opliepen tot ruim 4.300.000,00 euro met inbegrip van de schuldvordering van de verweerster 1; het oordeelt anderzijds dat indien de eisers zich zouden hebben beperkt tot het betalen aan de bank van het bedrag corresponderend met de waarde van het pand op het handelsfonds, Myliti nv nog voldoende liquide middelen in haar vermogen zou hebben gehad om andere schuldeisers, eventueel zelfs volledig, te vergoeden en om een andere activiteit uit te bouwen; indien de bank zich als schuldeiser zou hebben gemanifesteerd, zouden de totale schulden geen 4.300.000,00 euro maar 5.300.000,00 euro hebben bedragen en waren er evenmin voldoende middelen om de schuldeisers te voldoen; indien de bank haar persoonlijke zekerheidsstellingen had kunnen uitvoeren, was er 4.300.000,00 passief over een actief van 2.000.000,00 euro en aldus ruim onvoldoende om de schuldeisers te voldoen (eerste onderdeel); het arrest kan op grond van haar vaststellingen haar beslissing niet rechtvaardigen (tweede onderdeel).
- Een middel dat aanvoert dat de rechter uit de door hem vastgestelde feiten niet wettig een bepaald rechtsgevolg kan afleiden, voert geen motiveringsgebrek maar een wettigheidskritiek aan. In zoverre het tweede onderdeel schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt niet dat Myliti nv in enig welke omstandigheid alle schuldeisers had kunnen voldoen. Het gaat enkel ervan uit dat, indien de eisers de terugbetaling aan de bank hadden beperkt tot de tegenwaarde van diens pandrecht op het handelsfonds van Myliti nv, de failliete boedel over een groter vermogen zou hebben beschikt om de gewone schuldeisers te betalen, terwijl de bank voor het ten onrechte betaalde saldo geen gewone schuldvordering in het faillissement zou hebben ingediend, maar dat saldo zou hebben verhaald op de eisers zelf wegens het bestaan van hun persoonlijke zekerheidsstellingen. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Voor het overige is de kritiek van het middel afgeleid uit die onjuiste lezing. In zoverre is het eerste onderdeel niet ontvankelijk. Zevende middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eisers schuldig aan de telastlegging A; het oordeelt, enerzijds, dat Myliti nv op 31 december 2016 nog een gezonde vennootschap was met een mooie omzet en, anderzijds, dat Myliti nv reeds vóór de incriminatieperiode, dus vóór 14 mei 2017, in zodanig slechte papieren verkeerde dat zij mogelijks zou afstevenen op een faillissement; dit geldt des te meer aangezien tot en met het eerste kwartaal van 2017 nagenoeg alle schulden werden betaald; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Voor het overige sluiten de redenen die het middel aanhaalt elkaar niet uit noch heffen zij elkaar op. Aldus zijn die redenen niet tegenstrijdig. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Achtste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eisers schuldig aan telastleggingen A en B en verklaart de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders gedeeltelijk gegrond; het oordeelt, enerzijds, dat de persoonlijke schade van de verweerster 1 onder meer bestaat in de vertraging en de kosten die ze heeft gehad wegens de niet-tijdige betaling van haar schuldvordering die verband houdt met het aansprakelijkheidsgeschil dat aanleiding gaf tot de titel van 31 oktober 2018 van de rechtbank van koophandel Antwerpen, afdeling Turnhout, van 31 oktober 2018 en, anderzijds, dat wanneer de eisers de telastleggingen A en B niet zouden hebben gepleegd, de verweerster 1 geen kans had gehad op een volledige terugbetaling van de vermelde vordering of op een terugbetaling van een hoger bedrag dan wat zij thans van de verweerder 2 zal ontvangen ingevolge de hem toegekende schadevergoeding; immers, indien er in de hypothese dat de eisers de telastleggingen A en B niet zouden hebben gepleegd geen kans was op een grotere terugbetaling, dan was er altijd sprake geweest van een niet-tijdige betaling, zodat er geen oorzakelijk verband is tussen de telastleggingen en de niet-tijdige betaling; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.
- Het arrest oordeelt, eensdeels, dat de schade van de verweerster 1 ingevolge het plegen van de telastleggingen A en B, in zoverre die bestaat uit het niet kunnen innen van haar schuldvordering op Myliti nv, is vervat in de schadevergoeding die het toekent aan de verweerder 2, alsook dat de verweerster 1 niet bewijst door de fouten van de eisers grotere schade te hebben geleden dat wat zij zal kunnen ontvangen uit de met die schadevergoeding verhoogde boedel.
- Het oordeelt, anderdeels, dat de schade van de verweerster 1 ingevolge het plegen van de telastleggingen A en B, in zoverre die bestaat uit de krenking van haar rechtmatig belang op spoedige betaling, waardoor bijzondere kosten en eventueel morele schade zijn ontstaan, een persoonlijke schuldvordering is van de verweerster 1, die zij los van de boedel kan instellen tegen de eisers.
- De persoonlijke schade waarvoor een individuele schuldeiser los van de boedel vergoeding kan vragen lastens de bestuurder die frauduleus het vermogen van de failliete vennootschap onbeschikbaar heeft gemaakt voor de schuldeisers van die vennootschap, bestaat in schade die voortspruit uit de krenking van het rechtmatige belang op spoedige betaling, waardoor bijzondere kosten en eventueel morele schade zijn ontstaan. Het oorzakelijk verband tussen de fout en die schade vereist niet dat zonder de fout de schuldeiser zijn volledige schuldvordering of een groter deel daarvan had kunnen innen. Aldus neemt het enkele feit dat achteraf blijkt dat de schuldvordering van een schuldeiser ook zonder de fout niet volledig had kunnen worden geïnd, niet weg dat de schuldeiser de vermelde persoonlijke schade kan hebben geleden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit die onjuiste rechtsopvatting. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Negende middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 490bis Strafwetboek: het arrest verklaart de eisers schuldig aan de telastlegging B; de schuldvordering van de verweerster 1 is pas opeisbaar geworden tijdens het faillissement van Myliti nv en na de organisatie van het bedrieglijk onvermogen van Myliti nv; opdat er kon sprake zijn van het misdrijf van bedrieglijk onvermogen diende bijgevolg de schuldvordering van de verweerster 1 ten tijde van de organisatie van het onvermogen onvermijdbaar te zijn, dit wil zeggen niet meer vatbaar voor ernstige betwisting; het arrest kan uit de feiten die het vaststelt niet wettig afleiden dat dit het geval was; dat blijkt immers niet uit het louter bekend zijn van de “claim” van de verweerster 1, uit de teneur van vergaderingen voor de gerechtsdeskundige of uit diens verslag dat slechts een advies uitmaakt; evenmin is het de vraag of de schuldvordering al dan niet effectief betwist werd, maar wel of zij voor ernstige betwisting vatbaar was.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of een schuld op het moment van de aan een beklaagde verweten organisatie van het bedrieglijk onvermogen van hemzelf of een ander voldoende vaststaand en niet voor ernstige betwisting vatbaar is. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
- Het arrest (p. 21-22) verwerpt het verweer van de eisers dat op het moment van de hen verweten handelingen (verkoop van activa, verplaatsing zetel en naamswijziging) het resultaat van de aansprakelijkheidsvordering te onzeker zou zijn geweest opdat er sprake zou zijn van bedrieglijk onvermogen als niet geloofwaardig en feitelijk onjuist op grond van de volgende omstandigheden: - “Het was voor [de eisers] manifest voldoende zeker welke grote schadevergoeding de NV MYLITI zou moeten gaan betalen aan [de verweerster 1]. Er hadden in het kader van de gerechtelijke expertise in het aansprakelijkheidsgeschil toen al meerdere vergaderingen plaats gehad bij [de verweerster 1], ook op het getroffen perceel, waarbij [de eisers] aanwezig of vertegenwoordigd waren en waarbij zij zich, als specialisten ter zake, ook een idee hadden kunnen vormen van de omvang van de schadevergoeding die op de NV MYLITI zou verhaald worden. De claim van [de verweerster 1] in het aansprakelijkheidsgeschil was ook al bekend (2.900.000,00 euro), evenals het voorverslag van de gerechtsdeskundige, waarbij in het advies vervat in het voorverslag een groot aandeel van de aansprakelijkheid ten laste van de NV MYLITI (…) gelegd werd en de schade ten laste van de NV MYLITI begroot werd op meer dan 1.300.000,00 euro. Met andere woorden, de te betalen schadevergoeding was voor [de eisers] al voldoende zeker toen ze de NV MYLITI leeg gemaakt hebben, zodat deze vennootschap niet ging kunnen voldoen aan haar verplichtingen ten opzichte van haar schuldeisers, waaronder [de verweerster 1]. Voor de verwezenlijking van het strafbare feit sub B volstaat het immers dat de betalingsverplichting voldoende zeker is en is het niet vereist dat het gedrag waaruit enerzijds de wil om insolvent te worden en anderzijds de wil om niet aan zijn verplichtingen te voldoen, blijkt, gelijktijdig plaatsvindt. Het volstaat dat op een bepaald moment de frauduleus georganiseerde staat van insolventie en het daarmee samenhangende feit van niet-nakoming van de verplichtingen naast elkaar bestaan (…). In casu is zulks het geval in de ten laste gelegde periode.” - de bewering van de eisers dat zij nog de intentie hadden het voorverslag van de gerechtsdeskundige te betwisten door middel van het verslag van hun persoonlijke deskundige en dat het aansprakelijkheidsgeschil bijgevolg nog zeer betwistbaar was, is ongeloofwaardig aangezien de eisers dat verslag niet hebben ingeroepen tegen het voorverslag van de gerechtsdeskundige, hoewel zij daarover reeds geruime tijd beschikten, maar wel Myliti nv grotendeels hebben leeggemaakt en gedumpt op een postbusadres waar er quasi geen actief was van de vennootschap.
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig beslissen dat de eisers de hen verweten gedragingen hebben gesteld op een moment waarop de schuldvordering van de verweerster 1 vaststaand en niet meer voor ernstige betwisting vatbaar was, zodat de vermelde handelingen wel degelijk te kwalificeren zijn als de bedrieglijke organisatie van het onvermogen van Myliti nv. Het middel kan niet worden aangenomen. Tiende middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eisers schuldig aan de telastleggingen A en B en verklaart de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders gedeeltelijk gegrond; het oordeelt, enerzijds, dat Myliti nv ten tijde van de telastlegging A, dit is vanaf 14 mei 2017, nooit haar verplichtingen aan alle schuldeisers zou kunnen voldoen en, anderzijds, dat Myliti nv pas vanaf 10 oktober 2017 in staking van betaling was; die redenen zijn tegenstrijdig; immers van zodra vaststaat dat een vennootschap haar verplichtingen aan alle schuldeisers “nooit” zou kunnen voldoen, bevindt zij zich in staking van betaling.
- Het enkele feit dat de bestuurder van een vennootschap weet dat die vennootschap nooit alle schuldeisers zal kunnen betalen, impliceert niet dat die vennootschap op dat moment voldoet aan de voorwaarden om failliet te worden verklaard in de zin van artikel XX.99, eerste lid, WER. Aldus zijn de vermelde redenen niet tegenstrijdig. Het middel mist feitelijke grondslag. Elfde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 23 en 24 Gerechtelijk Wetboek: met het oordeel dat Myliti nv ten tijde van de telastleggingen A en B en dus reeds vanaf 14 mei 2017 nooit haar verplichtingen aan alle schuldeisers zou kunnen voldoen, miskent het arrest het gezag van gewijsde van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 juni 2019, dat heeft beslist de datum van staking van betaling van Myliti nv niet te vervroegen in de tijd.
- De artikelen 23 en 24 Gerechtelijk Wetboek zijn niet van toepassing in strafzaken.
- Voor het overige heeft het vonnis van de ondernemingsrechtbank of in hoger beroep van het hof van beroep over het al dan niet vervroegen in de tijd van de datum van staking van betaling door de gefailleerde geen gezag van gewijsde ten aanzien van de strafrechter die oordeelt over de schuldvraag.
- Het middel faalt naar recht. Twaalfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest verklaart de eisers schuldig aan de telastleggingen A en B en verklaart de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders gedeeltelijk gegrond; het oordeelt dat Myliti nv een schade van 1.000.000,00 euro in oorzakelijk verband met de telastleggingen A en B heeft geleden; de schade zou erin bestaan dat, indien de eisers de telastleggingen A en B niet zouden hebben gepleegd en zich aldus zouden hebben beperkt tot het betalen aan de bank van het bedrag corresponderend met de waarde van het pand op het handelsfonds, dit is 250.000,00 euro, er zich in het actief van het faillissement zeker nog een bedrag van 1.000.000,00 euro zou hebben bevonden; deze beoordeling is onjuist en kan alleszins niet voortspruiten uit de in het arrest vastgestelde feiten; ook zonder die misdrijven was er immers een bedrag van 1.066.784,90 euro, dit is de opbrengst van het handelsfonds en de voorraden, verminderd met het bedrag van het pand op de handelszaak, te verdelen tussen de schuldeisers van Myliti nv, terwijl deze laatste reeds sinds 14 mei 2017 niet meer al haar schuldeisers kon betalen en er een deficit bestond van, al naar gelang het geval, van 2.000.000,00 euro of 3.000.000,00 euro; aldus is er geen sprake van onttrekking van actief aan Myliti nv en kan die vennootschap geen vermogensrechtelijk nadeel hebben geleden aangezien het voor de vennootschap geen verschil maakte welke schuldeiser zij uitbetaalde; bijgevolg kan het arrest uit de feiten die het vaststelt niet afleiden dat Myliti nv vermogensschade leed en die schade ex aequo et bono bepalen op 1.000.000,00 euro.
- Een middel dat aanvoert dat de rechter uit de door hem vastgestelde feiten niet wettig een bepaald rechtsgevolg kan afleiden, voert geen motiveringsgebrek maar een wettigheidskritiek aan. In zoverre het middel schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het vierde middel, behoeft het om de daar vermelde redenen geen antwoord.
- De algemene opdracht van de curator, zoals die voortvloeit uit artikel XX.98 WER, bestaat erin de activa van de gefailleerde te gelde te maken en het provenu te verdelen.
- Wanneer de curator namens de boedel optreedt, oefent hij de gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers uit. Hiertoe behoren ook de rechten die voortvloeien uit de schade aan de boedel ingevolge de fout van wie ook, waardoor het passief van het faillissement wordt vermeerderd, het actief wordt verminderd of het actief dat ter beschikking moest staan van de schuldeisers niet effectief voorhanden is in de boedel.
- Het arrest oordeelt dat de eisers, door de opbrengst van de verkoop van het handelsfonds en de voorraden van Myliti nv, dit is een bedrag van 1.316.784,90 euro, volledig te bestemmen voor de betaling van de schuldvordering van de bank boven haar pandrecht ter waarde van 250.000,00 euro, dit is voor de betaling aan de bank van een bedrag van 1.066.784,90 euro dat toen nog niet opeisbaar was en waarvoor de bank slechts beschikte over een gewone schuldvordering ten opzichte van Myliti nv, actief aan die vennootschap heeft onttrokken dat effectief ter beschikking diende te staan van de gezamenlijke schuldeisers. Het bepaalt het bedrag van dat ontbrekend actief in billijkheid op 1.000.000,00 euro, dat het als schadevergoeding toekent aan de verweerder 2 opdat deze het juiste onder de gewone schuldeisers te verdelen actief terug kan samenstellen.
- Die beslissing kan het arrest wettig nemen op grond van de feiten die het vaststelt. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen. Dertiende middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest stelt vast dat de schuld uit de aansprakelijkheidsvordering ten belope van meer dan 1.000.000,00 euro van de verweerster 1 pas opeisbaar is geworden ingevolge het definitieve vonnis van de rechtbank van koophandel Antwerpen, afdeling Turnhout, van 31 oktober 2018; indien de eisers zich in augustus 2017 hadden beperkt tot het betalen aan de bank van het bedrag corresponderend met de waarde van het pand op het handelsfonds, hadden met de overgebleven gelden weliswaar andere schuldeisers gedeeltelijk betaald geweest, maar niet de verweerster 1, die op dat moment immers nog geen opeisbare schuldvordering had; in dat geval had de verweerster 1 nooit enige betaling ontvangen, zodat haar persoonlijke schade niet kan bestaan uit een vertraging in betaling; het arrest oordeelt verder dat indien de eisers de telastleggingen A en B niet zouden hebben gepleegd, de verweerster 1 geen kans had gehad op een grotere terugbetaling van voormelde schuldvordering; aldus bestaat er geen oorzakelijk verband is tussen de telastleggingen A en B en de niet-tijdige betaling.
- In zoverre het middel aanvoert dat zonder de door de eisers gepleegde misdrijven de verweerster 1 geen enkele betaling zou hebben ontvangen omdat in dat geval het vermogen van Myliti nv zou zijn besteed aan de andere gewone schuldeisers, berust het op een loutere hypothese en is het niet ontvankelijk.
- Voor het overige is het middel afgeleid uit de in het achtste middel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het evenmin ontvankelijk. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling en miskend algemeen rechtsbeginsel - Artikel 202 Wetboek van Strafvordering en de relatieve werking van het hoger beroep
- Op het enkel hoger beroep van een beklaagde vermag het appelgerecht de toestand van een beklaagde niet in zijn nadeel te wijzigen.
- Enkel de eisers hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op tegenspraak gewezen door de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout, van 11 maart 2022, waarbij zij elk wegens hun schuldigverklaring aan de vermengde feiten van de telastleggingen A, in zoverre bewezen, en B, zoals aangepast, werden veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van twaalf maanden met uitstel van tenuitvoerlegging voor drie jaar en een geldboete van honderd euro, na vermeerdering met 70 opdeciemen gebracht op 800,00 euro, of een vervangende gevangenisstraf van dertig dagen.
- Het arrest veroordeelt de eisers wegens dezelfde vermengde feiten tot dezelfde straffen, met dien verstande dat ook uitstel van tenuitvoerlegging voor drie jaar wordt toegekend met betrekking tot de opgelegde geldboetes, maar veroordeelt hen bovendien tot een beroepsuitoefeningsverbod van vijf jaar op grond van artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod. Aldus wijzigt het arrest, ongeacht het in hoger beroep voor de geldboete toegestane uitstel van tenuitvoerlegging, de toestand van de eisers in hun nadeel en miskent het de relatieve werking van hun hoger beroep. Omvang van de cassatie
- De onwettigheid van de beslissing wat betreft het opgelegde beroepsuitoefeningsverbod leidt tot de cassatie van het arrest in zoverre het de eisers tot dat verbod veroordeelt. Het laat de overige beslissingen van het arrest onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het aan de eisers een beroepsuitoefeningsverbod oplegt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot negen tienden van de kosten van hun cassatieberoep. Laat een tiende van de kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 173,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 7 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.15 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.6 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.17 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250603.2N.5 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251021.2N.3 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251021.2N.5 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150930.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200318.2F.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200421.2N.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.14 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210609.2F.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.13 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.13 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250107.2N.4 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260106.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div