← België

T. contra R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.13 Rolnummer: P.23.1030.N Zaak: T. contra R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-11-23 Raadplegingen: 720 - laatst gezien 2026-06-15 05:59 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Artikel 371/1, § 1, 2°, Strafwetboek, zoals hier toepasselijk, bestraft degene die beelden of een beeld– of geluidsopname van een ontblote persoon of een persoon die een expliciete seksuele daad stelt zonder diens toestemming of buiten diens medeweten toont, toegankelijk maakt of verspreidt, ook al heeft die persoon ingestemd met het maken ervan; het gegeven dat een persoon toestemming geeft om naaktbeelden te plaatsen op een website, zelfs als die website vrij raadpleegbaar is, houdt niet in dat deze beelden zonder zijn toestemming verder mogen worden verspreid; voor elke verdere verspreiding moet toestemming zijn verleend

(1).
(1)Cass. 5 oktober 2021, AR P.21.0859.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.7, AC 2021, nr. 615, NC 2021, 523, T. Strafr. 2022, 156 noot M. GIACOMETTI en C. VAN DE HEYNING, “Misbruik van intieme beelden online: Straatsburg en Cassatie verduidelijken”. Over oud art. 371/1 Sw. zie ook L. DELBROUCK, “Voyeurisme” in Comm. Strafr.; losbl., F. DERUYCK en A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer, 2020, 204-207; B. SPRIET, S. CAREEL en M. WALGRAEVE, “Actualia seksueel strafrecht: aanranding van de eerbaarheid, verkrachting, voyeurisme”, in Themis. Straf– en strafprocesrecht, Intersentia, 2022, 44-
  1. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 371/1, § 1, 2° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: AANRANDING VAN EERBAARHEID EN VERKRACHTING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 371/1, § 1, 2° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Nota: Art. 371/1, § 1, 2° Strafwetboek, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van art. 10 Wet van 21 maart 2022, thans art. 417/9 Strafwetboek. Tekst van de beslissing Nr. P.23.1030.N N. J. W. T., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Yen Buytaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen
  2. N. R., burgerlijke partij,
  3. K. V., burgerlijke partij,
  4. S. Z., burgerlijke partij, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 mei
  5. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 2 Strafwetboek: het arrest beantwoordt niet het door de eiser in syntheseconclusie opgeworpen middel dat er geen bewijs voorligt dat de beelden van M.V.G. na 29 februari 2016 online zouden zijn gezet en zouden zijn verspreid (eerste onderdeel); dit wordt niet weerlegd of tegengesproken (tweede onderdeel).
  7. Het arrest (randnummers 5 en 6.1, p. 10) stelt vast dat de eiser pornografische video’s of naaktfoto’s van M.V.G. op pornowebsites plaatste en dat hij ook tijdens de incriminatieperiode, dit is volgens de telastlegging A van 29 februari 2016 tot en met 13 mei 2020, aan derden toegang heeft verleend tot alle beveiligde beelden op zijn accounts, met inbegrip van de beelden van M.V.G. Aldus beantwoordt en verwerpt het arrest het bedoelde verweer. Het eerste onderdeel mist feitelijke grondslag.
  8. De schending van artikel 2 Strafwetboek is afgeleid uit het vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. Het tweede onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van de door de eiser regelmatig neergelegde stukken 4 (bewijs verspreiding video’s account ”(…)”), 5 (e-mail dd. 13/04/2020 m.b.t. gehackt account van de eiser en ransomware) en 6 (meerdere e-mails m.b.t. hacking account van de eiser + verzoeken van de eiser om beeldmateriaal te verwijderen) door te stellen dat enkel de beweerde hacking van eisers mailaccount geen verklaring zou bieden voor de ettelijke keren dat de video’s op zijn eigen profiel zijn bekeken.
  10. De rechter miskent de bewijskracht van een akte, indien hij van die akte, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. De rechter miskent de bewijskracht van de akten niet indien hij louter de bewijswaarde ervan beoordeelt.
  11. Met de redenen die het arrest (p. 11, eerste en tweede alinea) bevat betreffende de voorgehouden hacking, geven de appelrechters van de bedoelde stukken geen uitlegging, maar beoordelen ze louter de bewijswaarde ervan. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel
  12. Het middel voert schending aan van de artikelen 371/1, § 1, 2°, en § 4, Strafwetboek: door te oordelen dat de door de verweerster voorafgaandelijk verleende toestemming met de verspreiding van de beelden door tijdsverloop niet meer geldt, voegt het arrest een voorwaarde toe aan de wetsbepaling; er ligt geen bewijs voor van de intrekking van de verleende toestemming.
  13. Artikel 371/1, § 4, Strafwetboek is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
  14. Artikel 371/1, § 1, 2o, Strafwetboek, zoals hier toepasselijk, bestraft degene die beelden of een beeld- of geluidsopname van een ontblote persoon of een persoon die een expliciete seksuele daad stelt zonder diens toestemming of buiten diens medeweten toont, toegankelijk maakt of verspreidt, ook al heeft die persoon ingestemd met het maken ervan.
  15. Het gegeven dat een persoon toestemming geeft om naaktbeelden te plaatsen op een website, zelfs als die website vrij raadpleegbaar is, houdt niet in dat deze beelden zonder zijn toestemming verder mogen worden verspreid. Voor elke verdere verspreiding moet toestemming zijn verleend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  16. Het arrest oordeelt dat: - het gegeven dat de verweerster 2 in mei 2012 zou hebben ingestemd met de publicatie van pornografische beelden op een pornowebsite, niet betekent dat de eiser dergelijke beelden ook na de relatiebreuk en tijdens de incriminatieperiode mocht blijven verspreiden; - de toestemming altijd vooraf moet worden gegeven en bij elke verspreiding aanwezig moet zijn; - uit niets blijkt dat de verweerster 2 er in 2016 en 2017 ermee instemde dat de eiser pornografische video’s van haar online plaatste en daarna ook telkens opnieuw toegankelijk maakte. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
  17. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsook de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel “actori incumbit probatio”: door te stellen dat de eiser het bewijs zou moeten leveren van de toestemming door de verweerster 2, keert het arrest de bewijslast om en miskent het het vermoeden van onschuld.
  18. Met de reden dat “Uit niets blijkt dat [de verweerster 2] er in 2016 en 2017 mee instemde dat [de eiser] pornografische video’s van haar online plaatste en daarna ook telkens opnieuw toegankelijk maakte”, oordeelt het arrest niet dat de eiser het bewijs moet leveren van die toestemming en legt het hem geen bewijslast op. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 107,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 7 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.