Obsah (6)
Art. 61Art. 63Art. 66Art. 67Art. 135Art. 235id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 61
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 63
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 135
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 61
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 63
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 135
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 61
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 63
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 135
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 61
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 63
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 135
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 7 Overeenkomstig artikel 235 Wetboek van Strafvordering kunnen de kamers van inbeschuldigingstelling in alle zaken, zolang zij niet beslist hebben of de inbeschuldigingstelling dient te worden uitgesproken, om het even of de eerste rechters al dan niet een onderzoek hebben ingesteld, ambtshalve vervolgingen gelasten, zich de stukken doen overleggen, de zaak onderzoeken of doen onderzoeken, en daarna beschikken zoals het behoort; de kamer van inbeschuldigingstelling oefent deze bevoegdheid naar eigen goedvinden uit; een partij kan dit niet vorderen, zodat die kamer niet hoeft te beslissen over een door een partij gevorderde toepassing van artikel 235 Wetboek van Strafvordering, noch redenen moet vermelden waarom ze op een desbetreffende vraag niet ingaat; neemt de kamer van inbeschuldigingstelling over een dergelijke vraag toch een gemotiveerde beslissing, dan mag zij niettemin uit haar vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleiden
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 235
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 235
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 235- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.0739.N I C. D. S., burgerlijke partij, met als raadslieden mr. Joris Van Cauter en mr. Karel De Meester, advocaten bij de balie Gent, II C. C., burgerlijke partij, met als raadslieden mr. Joris Van Cauter en mr. Karel De Meester, advocaten bij de balie Gent, III
- B. H.,
- M. M., burgerlijke partijen, met als raadslieden mr. Joris Van Cauter en mr. Karel De Meester, advocaten bij de balie Gent, IV
- M. B.,
- C. S.,
- C. S.,
- G. G., burgerlijke partijen, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, V
- W. V. D. B.,
- GARAGE V. D. B. W. bv,
- R. P.,
- P. L., burgerlijke partijen, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel, tegen
- T. J. B.,
- M. E. A. D. B.,
- J. P. D.,
- S. G. D.,
- CE DE BRUIN VERMOGENSBEHEER bv, met zetel te 2801 AA Gouda (Nederland), Van Bergen IJzerdoornpark 7/202,
- ABERFELD ASSET MANAGEMENT, met zetel te 2012 KB Haarlem (Nederland), Wilhelminapark 17, beklaagden, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 april
- De eisers I tot IV voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, telkens twee gelijkluidende middelen aan. De eisers V voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Op 27 september 2023 heeft advocaat-generaal Bart De Smet ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op de rechtszitting van 7 november 2023 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eisers I tot IV
- Het middel voert schending aan van de artikelen 61bis, tweede lid, en 63 Wetboek van Strafvordering: in antwoord op het verweer van de eisers I tot IV dat een aantal personen die nominatim werden vermeld in hun klacht met burgerlijkepartijstelling ten onrechte niet zijn opgenomen in de eindvordering van de procureur des Konings, oordeelt het arrest dat de inverdenkingstelling door een burgerlijke partij enkel wettig kan gebeuren in het proces-verbaal van burgerlijkepartijstelling en dus niet in de schriftelijke toelichting die de benadeelde persoon naar aanleiding van zijn klacht met burgerlijkepartijstelling aan de onderzoeksrechter overhandigt, alsook dat alle tijdens het gerechtelijk onderzoek in verdenking gestelde personen wel degelijk in de eindvordering van de procureur des Konings zijn opgenomen; evenwel kent artikel 61bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering dezelfde rechten als de inverdenkinggestelde toe aan eenieder die rechtstreeks en zeker als verdachte wordt genoemd in de klacht met burgerlijkepartijstelling, zelfs zonder hierin nominatim te worden vermeld; bij de beoordeling van wie rechtstreeks en zeker in een klacht met burgerlijkepartijstelling wordt genoemd, kan de rechter niet enkel rekening houden met de inhoud van het proces-verbaal van burgerlijkepartijstelling, maar ook met de inhoud van de schriftelijke klacht overhandigd naar aanleiding van de klacht met burgerlijkepartijstelling; de burgerlijke partij kan immers naar aanleiding van de burgerlijkepartijstelling stavingstukken aan de onderzoeksrechter overhandigen die de klacht kunnen toelichten, aanvullen of ondersteunen; bijgevolg kan het proces-verbaal van burgerlijkepartijstelling samen worden gelezen met deze stukken teneinde de juiste draagwijdte van de klacht met burgerlijkepartijstelling te bepalen.
- Uit de artikelen 63, eerste lid, en 66 en 67 Wetboek van Strafvordering volgt dat een gerechtelijk onderzoek enkel wordt geopend door een klacht met burgerlijkepartijstelling, die door de onderzoeksrechter wordt geacteerd in een proces-verbaal van burgerlijkepartijstelling. Indien er ter gelegenheid van de burgerlijkepartijstelling een schriftelijke toelichting wordt neergelegd waarvan de inhoud niet of niet geheel overeenstemt met het door de onderzoeksrechter opgestelde proces-verbaal van burgerlijkepartijstelling, is het dit proces-verbaal dat de draagwijdte van de klacht met burgerlijkepartijstelling bepaalt.
- Het staat de kamer van inbeschuldigingstelling te onderzoeken welke feiten bij de onderzoeksrechter aanhangig zijn gemaakt en tegen welke personen de strafvordering is ingesteld in de zin van artikel 61, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Slechts wanneer de formulering van het proces-verbaal van burgerlijkepartijstelling redelijke twijfel laat bestaan over die precieze feiten of personen, dient de kamer van inbeschuldigingstelling verduidelijking te zoeken in andere stukken van het strafdossier, waaronder eventueel de schriftelijke toelichting bij de klacht met burgerlijkepartijstelling. Zij dient dat echter niet te doen wanneer zij het proces-verbaal duidelijk acht, wat het geval kan zijn wanneer het proces-verbaal uitdrukkelijk en exhaustief de personen vermeldt waartegen de strafvordering met de klacht met burgerlijkepartijstelling wordt ingesteld.
- Het staat bovendien aan de burgerlijke partij, die het proces-verbaal van burgerlijkepartijstelling mee met de onderzoeksrechter ondertekent, erop toe te zien dat dit proces-verbaal de juiste personen vermeldt waartegen zij haar klacht richt. Daarnaast kan de burgerlijke partij nog in een aanvullende klacht met burgerlijkepartijstelling de strafvordering instellen tegen een persoon die niet in het proces-verbaal van burgerlijkepartijstelling is vermeld.
- De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt onaantastbaar of het proces-verbaal van burgerlijkepartijstelling voldoende duidelijk is voor wat betreft de personen waartegen de strafvordering is gericht, dan wel of daarover nog verdere verduidelijking vereist is. Het Hof gaat wel na of de kamer van inbeschuldigingstelling uit haar vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 37) oordeelt zoals het middel vermeldt en in het bijzonder ook als volgt: “Bij nazicht van de processen-verbaal van burgerlijke partijstelling blijkt dat daarin enkel de volgende personen in verdenking werden gesteld: [de verweerster 1], [de verweerder 3], [de verweerder 2], [de verweerster 6] en [de verweerster 5]. [De verweerder 4] werd t.g.v. zijn verhoor op 29 maart 2017 in verdenking gesteld door de onderzoeksrechter. In enkele processen-verbaal van burgerlijke partijstelling werd ook 'Captra Invest', met zetel (…), in verdenking gesteld. Uit de stukken van het gerechtelijk onderzoek is gebleken dat dit evenwel geen bestaande rechtspersoon betreft, maar enkel een commerciële benaming is waaronder [de verweerster 1], [de verweerder 3] en [de verweerder 2] hun zgn. beleggingsactiviteiten ontplooiden. Bij de keuze van die benaming lieten zij zich kennelijk inspireren door het gegeven dat diezelfde benaming in Nederland officieel was geregistreerd als één van de handelsnamen van [de verweerster 5]. Terecht werd Captra Invest dan ook niet opgenomen in de eindvordering van de procureur des Konings.” Op grond van die redenen kan de kamer van inbeschuldigingstelling wettig oordelen dat het proces-verbaal van burgerlijkepartijstelling geen verdere verduidelijking behoeft. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eisers I tot IV en middel van de eisers V
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motivering van de rechter: het arrest stelt de verweersters 5 en 6 buiten vervolging voor de telastlegging B (illegale uitoefening van een beleggingsonderneming) zonder te antwoorden op het verweer van de eisers I tot V, ondersteund door de juridische analyse van de FSMA, dat de verweersters 5 en 6 geen beroep konden doen op financiële tussenpersonen die niet waren ingeschreven in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten en het geeft niet de voornaamste redenen aan die de eisers I tot V in staat stellen de redenen voor de buitenvervolgingstelling van de verweersters 5 en 6 te begrijpen. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 128 en 130 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 5 en 21, § 1, van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten: het arrest steunt het oordeel dat er lastens de verweersters 5 en 6 onvoldoende bezwaren bestaan inzake de telastlegging B ten onrechte op de van het openbaar ministerie overgenomen redenen dat “de Nederlanders” “zelf niet [dienden] te zorgen dat [de verweerster 1] en consoorten de nodige vergunning hadden” en “er bovendien van uit [konden] gaan dat wat hen betrof er — gelet op het Europees kader van de vrije dienstverlening — geen probleem was”; deze zienswijze is strijdig met de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 5 en 21, § 1, van de vermelde wet van 22 maart 2006; daaruit volgt immers dat gereglementeerde ondernemingen die in België werkzaam zijn geen beroep mogen doen op een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten die niet is ingeschreven in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten.
- Artikel 148, § 4, 1°, van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, thans artikel 107, § 1, 1°, van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, stelt strafbaar de persoon die zonder vergunning het bedrijf van een daar bedoelde beleggingsonderneming uitoefent. Het is dat feit dat het voorwerp uitmaakt van de telastlegging B.
- Op grond van artikel 5, § 2, van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten mogen de gereglementeerde ondernemingen die in België werkzaam zijn geen beroep doen op een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten die niet vooraf is ingeschreven in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten. Artikel 21, § 1, eerste lid, vierde streepje, van die wet stelt de persoon strafbaar die bank- en beleggingsdiensten met bedrieglijk opzet verricht via een niet-ingeschreven tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten.
- Zonder desbetreffend te worden betwist, oordeelt het arrest (p. 18-20 en 23-26) dat de eisers I tot IV zich nooit burgerlijke partij hebben gesteld voor de feiten van de telastlegging B en verklaart daarom de hogere beroepen van die eisers met betrekking tot die telastlegging niet ontvankelijk bij gebrek aan hoedanigheid.
- Hieruit volgt dat het arrest niet dient te antwoorden op het doelloze verweer van de eisers I tot IV over de bezwaren lastens de verweersters 5 en 6 met betrekking tot de telastlegging B en dat de eisers I tot IV evenmin kunnen opkomen tegen het oordeel van het arrest over die bezwaren. In zoverre kan het middel van de eisers I tot IV niet worden aangenomen.
- Het arrest (p. 38-39) verwerpt het verzoek van de eisers I tot V om de verweersters 5 en 6 overeenkomstig artikel 235 Wetboek van Strafvordering bijkomend in verdenking te stellen voor bepaalde feiten.
- Overeenkomstig artikel 235 Wetboek van Strafvordering kunnen de kamers van inbeschuldigingstelling in alle zaken, zolang zij niet beslist hebben of de inbeschuldigingstelling dient te worden uitgesproken, om het even of de eerste rechters al dan niet een onderzoek hebben ingesteld, ambtshalve vervolgingen gelasten, zich de stukken doen overleggen, de zaak onderzoeken of doen onderzoeken, en daarna beschikken zoals het behoort. De kamer van inbeschuldigingstelling oefent deze bevoegdheid naar eigen goedvinden uit. Een partij kan dit niet vorderen, zodat die kamer niet hoeft te beslissen over een door een partij gevorderde toepassing van artikel 235 Wetboek van Strafvordering, noch redenen moet vermelden waarom ze op een desbetreffende vraag niet ingaat. Neemt de kamer van inbeschuldigingstelling over een dergelijke vraag toch een gemotiveerde beslissing, dan mag zij niettemin uit haar vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleiden.
- Met verwijzing naar feitelijke omstandigheden die het (p. 31-35) eerder vermeldt, oordeelt het arrest (p. 39) in verband met de verzoeken tot bijkomende inverdenkingstellingen dat er naar het oordeel van de appelrechters geen duidelijke aanwijzingen zijn dat D., V. of bepaalde aan hen gelieerde Nederlandse rechtspersonen (vermogensbeheerders) op een door de strafwet bepaalde wijze zouden hebben deelgenomen aan misdrijven waarbij de eisers I tot V schade hebben opgelopen en dat aanvullend onderzoek naar die personen geen enkel nut heeft. Op grond van die redenen kan het arrest wettig beslissen dat er geen reden is tot de bijkomende inverdenkingstelling van de verweersters 5 en
- In zoverre kan het middel van de eisers I tot V niet worden aangenomen.
- Voor wat betreft het gebrek aan bezwaren tegen de verweersters 5 en 6 voor de telastlegging B leidt het arrest (p. 35-36), met overname van de redenen van de conclusie van de procureur des Konings, uit de vermelde feitelijke omstandigheden af wat volgt: “Vooreerst kan er gesteld worden dat de Nederlandse vermogensbeheerders — gelet op het Europees kader en regelgeving — gerechtigd waren hun beleggingsdiensten aan te bieden in België, zonder bijkomende vergunning/melding. De Nederlanders mochten opereren in België, minstens is er niet aangetoond dat zij dit niet mochten. Het zijn evenwel [de verweerders 1, 2 en 3] die in België een onderneming oprichtten en voerden voor het aanbieden van beleggingen (door weliswaar gebruik te maken van "de Nederlanders" en deze voor hun kar te spannen), en zij deden dit zonder vergunning/erkenning. Er kan ter zake verwezen worden naar de bevindingen van o.m. de FSMA en de eigen verklaringen van “De Nederlanders" ([D.] stelt o.m. dat hij zich bevraagd heeft bij de Nederlandse AFM en dat hij voor kort een Europees paspoort had om financiële producten aan te bieden). De beleggingsonderneming werd t.a.v. de burgerlijke partijen in België uitgeoefend door [de verweerders 1, 2 en 3]. Het is niet zo dat "de Nederlanders" dit zogenaamd zouden hebben toegestaan; zij hebben contracten ter beschikking gesteld maar dienden zelf niet te zorgen dat [de verweerders 1, 2 en 3] de nodige vergunningen hadden. "De Nederlanders" konden er bovendien van uit gaan dat wat hen betreft - gelet op het Europees kader van de vrije dienstverlening - er geen probleem was.” Aldus oordeelt het arrest in essentie dat uit de vastgestelde feiten blijkt, eensdeels, dat het niet de verweersters 5 en 6 maar wel de verweerders 1, 2 en 3 waren die in België zonder vergunning het bedrijf van de beleggingsonderneming hebben gevoerd in het kader waarvan de burgerlijke partijen werden opgelicht en, anderdeels, dat de verweersters 5 en 6 niet moesten instaan voor de vergunning van de verweerders 1, 2 en 3, die inzake het voeren van dit bedrijf niet hun tussenpersonen waren. Aldus beantwoordt het arrest het verweer van de eisers V en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord, zonder dat het arrest nog verder dient in te gaan op het verweer van de eisers V over een voorgehouden schending van de artikelen 5 en 21, § 1, van de voormelde wet van 22 maart 2006, die als dusdanig niet het voorwerp van de vervolging uitmaakte. In zoverre kan het middel van de eisers V niet worden aangenomen.
- De aangevoerde schending van artikel 6.1 EVRM is afgeleid uit het hiervoor vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. In zoverre is het middel van de eisers I tot V niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 349,40 euro, waarvan de eiser I. 34,88 euro is verschuldigd, de eiseres II. 34,88 euro is verschuldigd, de eisers III. 34,88 euro zijn verschuldigd, de eisers IV. 34,88 euro zijn verschuldigd en de eisers V. 34,88 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 7 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231107.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div