id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 43bis
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 43bis, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.0916.N I K. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg. II J. V. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sam Vlaminck, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kasteelpleinstraat 30, waar de eiser woonplaats kiest. III H. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Romain Delcoigne, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1060 Sint-Gillis, Afrikastraat 92, waar de eiser woonplaats kiest. IV C. M. A. N., eiser, met als raadsman mr. Manu Bande, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 31 mei
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser IV voert geen middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I, II en III
- In zoverre gericht tegen de vrijspraak van de eiser I voor de telastleggingen D.1 en G, de eiser II voor de telastleggingen D.2 en G en de eiser III voor de telastleggingen B en C, telkens in de zaak 1, zijn de cassatieberoepen I, II en III bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM: het arrest oordeelt ten onrechte dat het recht van verdediging van de eiser I niet is miskend omdat de eiser I zowel tijdens het vooronderzoek als op de rechtszittingen van de eerste rechter en de appelrechters op toereikende en behoorlijke wijze in de gelegenheid was om betwisting te voeren over zowel de verklaringen die tijdens het vooronderzoek werden afgelegd door V. en de eiser IV als over de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van deze medebeklaagden; anders dan het arrest oordeelt, heeft de eiser I tijdens het vooronderzoek wel degelijk verzocht om een confrontatie met V. en de eiser IV, maar heeft de onderzoeksrechter dat verzoek afgewezen; bovendien volstaat de mogelijkheid voor de eiser I om ter rechtszitting te worden geconfronteerd met de eiser IV niet om aan het gebrek aan confrontatie te remediëren, aangezien de eiser I ook heeft verzocht om een confrontatie met V.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser I tijdens het strafonderzoek heeft verzocht om een confrontatie te organiseren met V. of met de eiser IV. Het enkele feit dat de eiser I dit in zijn appelconclusie heeft aangevoerd, doet daaraan geen afbreuk. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Wanneer een beklaagde zijn recht van verdediging miskend acht omdat hij nog niet in de gelegenheid is gesteld om een getuige à charge of à décharge te ondervragen of te doen ondervragen, waartoe hij overeenkomstig artikel 6.3.d EVRM het recht heeft, dan staat het hem een verzoek daartoe te richten aan de rechter en in laatste instantie aan de vonnisrechter waarvoor hij verschijnt. De rechter moet een dergelijke ondervraging niet ambtshalve bevelen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 59) stelt vast dat de eiser I op de rechtszitting van 23 maart 2023 de gelegenheid had om rechtstreeks vragen te stellen aan de eiser IV en dat voor het overige geen van de partijen nog om andere rechtstreekse confrontaties heeft verzocht. Aangezien aldus het recht van verdediging van de eiser I werd gevrijwaard voor wat betreft de verklaringen die tijdens het strafonderzoek zijn afgelegd door de eiser IV en de eiser I de appelrechters niet heeft verzocht hem de gelegenheid te geven om V. te ondervragen, oordeelt het arrest wettig dat eisers recht van verdediging niet is miskend voor wat betreft het gebruik als bewijs te zijnen laste van de belastende verklaringen afgelegd door zowel V. als de eiser IV. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: aangezien de appelrechters de veroordeling van de eiser I wel degelijk in belangrijke mate steunen op de verklaring van V., wat in strijd is met het recht van verdediging zoals vastgelegd door artikel 6 EVRM, miskennen zij hun motiveringsplicht.
- Het onderdeel is in zijn geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser I Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek en de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest beveelt lastens de eiser I de bijzondere verbeurdverklaring (hierna verbeurdverklaring) van een vermogensvoordeel dat het ex aequo et bono bepaalt op 50.000,00 euro wegens zijn schuldigverklaring aan de telastlegging D.2 (invoer van een onbepaalde hoeveelheid cocaïne, in vereniging) op basis van vaststellingen gedaan ter gelegenheid van een eerdere invoer van cocaïne; aldus legt het arrest aan de eiser I een willekeurige verbeurdverklaring op die niet is gesteund op objectieve elementen uit het strafdossier.
- In zoverre het onderdeel niet preciseert hoe en waarom het arrest artikel 6 EVRM schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag aan vermogensvoordelen als bedoeld door artikel 42, 3°, Strafwetboek of de geldwaarde ervan als bedoeld door artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek exact vast te stellen, mag de rechter dit bedrag ex aequo et bono bepalen. Die bepaling mag evenwel niet willekeurig zijn. De rechter dient ook voor een ex aequo et bono-bepaling die gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen, die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van de vermogensvoordelen of een raming van de geldwaarde ervan toelaten. Daarbij kan de rechter in het kader van zijn onaantastbare beoordeling van de feiten gebruik maken van een feitelijk vermoeden om uit gekende gegevens van een voorheen gepleegd misdrijf onbekende gegevens met betrekking tot een voorliggend misdrijf af te leiden. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk te verantwoorden zijn. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het beroepen vonnis (p. 53) oordeelt: “Het Openbaar Ministerie vordert tevens schriftelijk de verbeurdverklaring overeenkomstig de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek van een bedrag van 3.000.000 euro, naar redelijkheid en billijkheid geraamd wat betreft de feiten onder de tenlasteleggingen A.2 en D.2, en naar evenredigheid te verdelen naar ieders aandeel onder [M.], [de eiser III], [P.], [C.V.], [M.V.], [de eiser II], [C.], [de eiser I] en [de eiser IV]. De rechtbank zal, rekening houdende dat de strafvordering vervallen is lastens [P.], een bedrag verbeurd verklaren van 2.300.000 euro, dat evenredig zal verdeeld worden naar ieders aandeel (tegen wie de verbeurdverklaring gevorderd wordt) in de bewezen verklaarde feiten.”
- Het arrest oordeelt: “Concreet houdt het hof (van beroep) rekening met de aangetroffen hoeveelheid cocaïne die bij een eerder transport onderschept werd (443,60 kg., rekening houdend met de gangbare prijs van 50,00 EUR per gram cocaïne, goed voor een straatwaarde van circa 22.180.000,00 EUR), het gegeven dat de hoeveelheid cocaïne onder tenlastelegging D.2 onbepaald is, de gehanteerde werkwijze (nl. verbergen van de verdovende middelen tussen de deklading papier met het oog op recuperatie op een discrete locatie, hetgeen is gebleken uit het feit dat de container na afwending van zijn normaal traject en overbrenging naar het terrein gehuurd door beklaagde [C.] volledig werd leeggemaakt) waardoor een beduidend omvangrijkere partij drugs kon worden ingevoerd en vervoerd dan in geval van een snelle uithaling van slechts enkele tassen met cocaïne die vooraan in de container geplaatst waren (zgn. rip off), de rol en het aandeel van [de eiser I], alsook met artikel 43bis, zevende lid Strafwetboek teneinde geen onredelijk zware straf op te leggen. Rekening houdende met alle voormelde dossiergegevens, is het hof (van beroep) van oordeel dat de beslissing van de eerste rechter tot verbeurdverklaring van deze naar redelijkheid en billijkheid begrote vermogensvoordelen dient te worden bevestigd.”
- Op grond van die gegevens kan het arrest wettig en zonder aan de eiser I een willekeurige straf op te leggen, het bedrag van de wederrechtelijke vermogensvoordelen verkregen uit de telastleggingen A.2 (invoer cocaïne als leidend persoon van een vereniging, lastens onder meer de eiser III) en D.2 ex aequo et bono bepalen op een totaal dat hier 2.300.000,00 euro bedraagt. Aldus beantwoordt het arrest ook eisers verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek en de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest bepaalt het wederrechtelijk vermogensvoordeel van de eiser I op 50.000,00 euro en dit met verwijzing naar zijn rol en zijn aandeel bij de feiten; het arrest oordeelt weliswaar dat het om een omvangrijke lading drugs ging, maar bepaalt het totale bedrag van het vermogensvoordeel niet; bijgevolg kan de verdeling van dat voordeel en derhalve de wettigheid van de verbeurdverklaring ten aanzien van de eiser I niet worden gecontroleerd.
- In zoverre het onderdeel niet preciseert hoe en waarom het arrest artikel 6 EVRM schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het arrest, met verwijzing naar het beroepen vonnis, het vermogensvoordeel verkregen uit de telastleggingen A.2 en D.2 bepaalt op 2.300.000,00 euro. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser II geen afdoende elementen aanreikt om toe te laten te besluiten dat het opleggen van de bestraffing zijn toekomst op overdreven wijze, in wanverhouding tot de aard en de ernst van de gepleegde feiten, zou hypothekeren; bij appelconclusie heeft de eiser II immers uitdrukkelijk gevraagd rekening te houden met onder meer zijn persoonlijke toestand, in het bijzonder zijn professionele toestand en verantwoordelijkheden; het arrest neemt die elementen echter niet mee in overweging, minstens blijkt dat niet uit de motivering; bijgevolg beantwoordt het arrest niet nauwkeurig het door eiser II gevoerde verweer betreffende de straftoemeting.
- Uit de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering volgt voor de rechter de verplichting om de keuze voor de uitgesproken straffen en hun maat, die de wet aan zijn vrije beoordeling overlaat, nauwkeurig te motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn. Die verplichting houdt geen verband met het beantwoorden van het verweer van de beklaagde over de straftoemeting.
- Artikel 149 Grondwet verplicht de rechter om het verweer van de beklaagde te beantwoorden, met inbegrip van zijn verweer over de straftoemeting. Dat artikel verplicht de rechter evenwel niet om te antwoorden op elk argument dat een beklaagde aanvoert ter ondersteuning van zijn verweer over de straftoemeting, maar dat zelf geen zelfstanding verweer uitmaakt.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Na een algemene motivering in verband met de noodzaak tot zware bestraffing van feiten van internationale georganiseerde drugtrafiek en van lidmaatschap van een criminele organisatie (p. 124-125, nr. 4.6.2), beoordeelt het arrest (p. 128-130, nr. 4.6.2.2) de aan de eiser III opgelegde straf onder meer rekening houdend met de ernst en de aard van de gepleegde feiten, de belangrijke rol van de eiser II in de feiten, het streefdoel van de eiser II naar gemakkelijk en grof geldgewin, het tijdsverloop sedert de feiten, het strafverleden van de eiser II, de persoonlijke en sociale toestand van de eiser II en zijn persoonlijkheid voor zover deze uit het strafdossier en uit de behandeling ter rechtszitting zijn gebleken. Het arrest oordeelt verder dat een mildere toepassing maken van de strafwet onder de vorm van een straf waarvan het effectieve gedeelte van de gevangenisstraf beperkt blijft tot de reeds ondergane voorhechtenis, zoals in appelconclusie en ter rechtszitting gevraagd, mede gelet op de aard en de ernst van de feiten, een onvoldoende krachtig maatschappelijk signaal op deze feiten inhouden, alsook dat alleen het opleggen van een effectieve bestraffing van aard is om de eiser II het ontoelaatbare van zijn handelen te doen inzien en herhaling te voorkomen. Ten slotte oordeelt het arrest dat de eiser II in gebreke blijft om afdoende elementen aan te reiken die de appelrechters kunnen toelaten te besluiten dat het opleggen van de bestraffing zijn toekomst op overdreven wijze, in wanverhouding tot de aard en de ernst van de gepleegde feiten, zou hypothekeren. Daarmee oordeelt het arrest dat het in het middel vermelde verweer van de eiser II niet van die aard is om de appelrechters ertoe te bewegen de hem op te leggen straf te milderen.
- Uit die redenen blijkt dat het arrest wel degelijk het verweer van de eiser II beantwoordt, zonder elk argument ter ondersteuning van dat verweer te moeten beantwoorden, en dat de motivering van de aan de eiser II opgelegde straf voldoet aan de vereisten van de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser III
- Het middel voert schending aan van de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest veroordeelt de eiser III tot een gevangenisstraf van acht jaar en een geldboete van 80.000,00 euro op grond van redenen die gelijk zijn aan de redenen voor de bestraffing van de medebeklaagden, waardoor het getuigt van een automatisme; de redenen om tot de opgelegde straf te komen, kunnen daarnaast gehanteerd worden bij om het even welke andere veroordeling voor om het even welke strafbare feiten tot om het even welke effectieve straffen.
- Uit de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering volgt voor de rechter de verplichting om de keuze voor de uitgesproken straffen en hun maat, die de wet aan zijn vrije beoordeling overlaat, nauwkeurig te motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn.
- Het arrest (p. 124-125, nr. 4.6.2) motiveert eerst waarom de appelrechters van oordeel zijn dat feiten van internationale georganiseerde drugtrafiek en lidmaatschap van een criminele organisatie zwaar moeten worden bestraft. Het verwijst hiervoor naar de bedreigingen voor de volksgezondheid en de openbare veiligheid, alsook naar de ontwrichting van maatschappelijke structuren die met dergelijke misdrijven gepaard gaat. Aangezien alle beklaagden in de mate van hun schuldigverklaring bij die samenhangende feiten betrokken zijn, kunnen die redenen niet anders dan gemeenschappelijk zijn voor alle bedoelde beklaagden. Vervolgens beoordeelt het arrest (p. 125-128, nr. 4.6.2.1) de aan de eiser III opgelegde straf, rekening houdend met niet enkel elementen die noodzakelijkerwijze gemeenschappelijk zijn voor alle veroordeelde beklaagden, maar ook met elementen die de eiser III specifiek betreffen, namelijk zijn leidinggevende rol in de feiten, zijn strafverleden, zijn persoonlijkheid en zijn individuele situatie.
- Hieruit volgt dat de redenen op grond waarvan het arrest de straf van de eiser III bepaalt, niet gelijk zijn aan de redenen op grond waarvan het de andere beklaagden tot straf veroordeelt en dat die redenen geenszins getuigen van enig automatisme of van een standaardmotivering die op elke straftoemeting van toepassing is, maar dat die redenen voldoen aan de motiveringsvereisten bepaald in de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
- Gelet op de verwerping van het cassatieberoep van de eiser III, heeft het arrest kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissing over de onmiddellijke aanhouding van die eiser, zijn cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 704,59 euro, waarvan de eiser I 176,14 euro is verschuldigd en de eisers II, III en IV elk 176,15 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 7 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221206.2N.17 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.7 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div