← België

ORANGE BELGIUM nv contra GEMEENTE MAASMECHELEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231109.1N.1 Rolnummer: F.22.0155.N Zaak: ORANGE BELGIUM nv contra GEMEENTE MAASMECHELEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2023-12-08 Raadplegingen: 1750 - laatst gezien 2026-06-18 17:19 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231109.1N.1 Fiches 1 - 2 De Vlaamse decreetgever verplicht de lokale overheid om, als een belastingverordening of -reglement in een aangifteverplichting voorziet, door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering, te dezen de gemeenteraad, een redelijke termijn, minstens een redelijke minimumtermijn te doen vaststellen waarbinnen de belastingplichtige aan de aangifteverplichting kan voldoen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENTE Wettelijke bepalingen: Decr. Vl. 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen - 30-05-2008 - Art. 7, § 1 - 34 ELI link Pub nr 2008202393 Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Wettelijke bepalingen: Decr. Vl. 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen - 30-05-2008 - Art. 7, § 1 - 34 ELI link Pub nr 2008202393 Fiche 3 Een aangifteverplichting zonder uiterlijke aangiftetermijn is onwerkzaam, aangezien de belasting dan mogelijk niet kan worden geheven
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Fiche 4 De gemeente kan geen aanslag vestigen op grond van een aangifteformulier dat haar ter uitvoering van een onwettige aangifteverplichting is bezorgd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Tekst van de beslissing Nr. F.22.0155.N ORANGE BELGIUM nv, met zetel te 1140 Evere, Bourgetlaan 3, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0456.810.810, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen GEMEENTE MAASMECHELEN, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 3630 Maasmechelen, Heirstraat 239, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.691.351, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 7 juni
  1. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 9 oktober 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Ontvankelijkheid van het middel
  2. De verweerster voert twee gronden van niet-ontvankelijkheid van het middel aan: - de eiseres beroept zich op een onwettigheid bestaande in het feit dat het belastingreglement van de verweerster van 20 december 2016 niet bepaalt binnen welke termijn het aangifteformulier moet worden teruggestuurd, terwijl het niet terugsturen van het aangifteformulier binnen de erin bepaalde termijn tot een ambtshalve aanslag leidt, en in de voorliggende zaak geen sprake is van een ambtshalve aanslag, zodat de eiseres door de vermeende onwettigheid niet wordt benadeeld en bijgevolg bij het middel geen belang heeft; - de mogelijke verplichting om te bepalen binnen welke termijn de aangifte moet gebeuren indien een belastingverordening voorziet in een aangifteverplichting vloeit voort uit artikel 4, § 4, van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en niet uit artikel 7, § 1, van datzelfde decreet, zodat het middel dat niet de schending van voormeld artikel 4, § 4, aanvoert, niet ontvankelijk is.
  3. Het onderzoek van de eerste grond van niet-ontvankelijkheid is onlosmakelijk verbonden met het onderzoek van het middel. Anders dan waarvan de tweede grond van niet-ontvankelijkheid uitgaat, volstaat de aanduiding van het als geschonden aangevoerde artikel 7, § 1, van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen om te voldoen aan het voorschrift van artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek. De gronden van niet-ontvankelijkheid kunnen niet worden aangenomen. Gegrondheid
  4. Krachtens artikel 159 Grondwet passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen.
  5. Artikel 170, § 4, Grondwet bepaalt dat geen last of belasting door de agglomeratie, de federatie van gemeenten en de gemeente kan worden ingevoerd dan door een beslissing van hun raad. De wet bepaalt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt.
  6. Artikel 7, § 1, van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen bepaalt dat, als de belastingverordening voorziet in de verplichting van aangifte, de belasting ambtshalve gevestigd kan worden bij gebrek aan aangifte binnen de in de verordening gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige. Met deze bepaling verplicht de Vlaamse decreetgever de lokale overheid om, als een belastingverordening of -reglement in een aangifteverplichting voorziet, door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering, te dezen de gemeenteraad, een redelijke termijn, minstens een redelijke minimumtermijn te doen vaststellen waarbinnen de belastingplichtige aan de aangifteverplichting kan voldoen. Een aangifteverplichting zonder uiterlijke aangiftetermijn is onwerkzaam, aangezien de belasting dan mogelijk niet kan worden geheven. De gemeente kan geen aanslag vestigen op grond van een aangifteformulier dat haar ter uitvoering van een onwettige aangifteverplichting is bezorgd.
  7. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - uit artikel 7 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen volgt dat de termijn om een aangifte in te dienen in de verordening zelf moet worden bepaald; - in het reglement geen mogelijkheid wordt voorzien om deze bevoegdheid te delegeren naar het uitvoerend orgaan, zodat het legaliteitsbeginsel van artikel 170, § 4, Grondwet wordt geschonden wanneer een ander dan het verordenend orgaan van de gemeente de aangiftetermijn bepaalt; - in onderhavig geval dit enkel is gebeurd voor het geval de belastingplichtige geen aangifteformulier heeft ontvangen; - enkel in dat geval in de verordening wordt gesteld dat de voor de vestiging van de aanslag noodzakelijke gegevens ter beschikking van de gemeente moeten worden gesteld uiterlijk op 15 januari van het jaar volgend op het aanslagjaar; - het reglement, in het geval de belastingplichtige wel een aangifteformulier ontving, toelaat dat het gemeentebestuur bepaalt binnen welke termijn de aangifte moet worden ingediend; - in het gemeentereglement zelf daartoe geen termijn wordt bepaald, zelfs geen minimumtermijn; - artikel 7 van het belastingreglement in die mate strijdig is met artikel 7 van het decreet van 30 mei 2008 en met het legaliteitsbeginsel van artikel 170, § 4, Grondwet; - gelet op de strijdigheid van artikel 7, eerste lid, van het belastingreglement met artikel 7 van het decreet van 30 mei 2008 en het legaliteitsbeginsel, deze bepaling derhalve onwettig is; - artikel 7, eerste lid, van het belastingreglement van de verweerster aldus overeenkomstig artikel 159 Grondwet buiten toepassing dient te blijven; - de niet-toepasbaarheid van artikel 7, eerste lid, enkel tot gevolg heeft dat artikel 8 van het reglement gebeurlijk niet zou kunnen worden toegepast; - met andere woorden geen aanslag van ambtswege zou kunnen worden gevestigd, indien de aangifte niet werd ingediend binnen de door het gemeentebestuur bepaalde termijn.
  8. De appelrechter die op grond van deze redenen oordeelt dat de onwettigheid van artikel 7, eerste lid, van het belastingreglement, doordat de aangiftetermijn niet in het reglement zelf wordt bepaald, niet tot gevolg heeft dat het gehele belastingreglement buiten toepassing moet worden verklaard en besluit dat de onwettigheid van artikel 7, eerste lid, van het belastingreglement geen invloed heeft op de geldigheid van de in deze gevestigde aanslag, aangezien in onderhavig geval de aanslag niet van ambtswege is gevestigd, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Sidney Berneman en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 9 november 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231109.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231109.1N.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241003.1F.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.