id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.1 Rolnummer: P.23.0857.N Zaak: O. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-11-24 Raadplegingen: 818 - laatst gezien 2026-06-15 06:00 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie dient de rechter die een beklaagde schuldig verklaart aan het misdrijf opzettelijke slagen met ziekte of arbeidsongeschiktheid in de bewoordingen van de strafwet zonder daarbij de verschoningsgrond van uitlokking aan te nemen, niet nader te motiveren uit welke gegevens hij het voorhanden zijn van de bestanddelen van het misdrijf en de afwezigheid van alle vereisten van die verschoningsgrond afleidt
(1)Zie ook Cass. 8 november 2022, AR P.22.0743.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.3, AC 2022, nr. 704 met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET. Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Verschoning REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) SLAGEN EN VERWONDINGEN. DODEN - OPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN EN OPZETTELIJK DODEN Tekst van de beslissing Nr. P.23.0857.N G. O. O., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Andy Boermans, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 17 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van de motiveringsplicht: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het verwerpt eisers aanvoering van de verschoningsgrond van uitlokking door enerzijds te oordelen dat de eiser zijn driften niet meer onder controle kon houden naar aanleiding van een banaal incident met een fietser en door anderzijds vast te stellen dat aan eisers geweldpleging slechts een beperkt fysiek contact voorafging dat niet kan worden beschouwd als een zware gewelddaad; het eerste oordeel impliceert immers net dat eisers vrije wil was aangetast zonder te zijn uitgeschakeld.
- Een motivering is enkel tegenstrijdig wanneer zij bestaat uit redenen die elkaar tenietdoen en bijgevolg opheffen.
- Eensdeels verwerpt het arrest het door de eiser gevoerde verweer over uitlokking onder meer omdat de eiser zelf de gewelddadige confrontatie zocht en het beperkt fysiek contact bij de aanrijding met de fiets niet kan worden beschouwd als een zware gewelddaad in de zin van artikel 411 Strafwetboek. Anderdeels oordeelt het arrest dat, ondanks de banaliteit van dat voorafgaand incident, de eiser daarna zijn zelfbeheersing verloor. Die redenen doen elkaar niet teniet en heffen elkaar niet op, zodat zij niet tegenstrijdig zijn. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert in zijn beide onderdelen schending aan van artikel 411 Strafwetboek en miskenning van de motiveringsplicht: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastlegging A en verwerpt eisers aanvoering van de verschoningsgrond van uitlokking, maar het laat na in de motivering daarvan meerdere essentiële verklaringen en andere elementen uit het strafdossier te vermelden; aldus miskent het arrest de bewijskracht van die stukken van het strafdossier (eerste onderdeel); bovendien houdt het arrest geen rekening met de hevigheid van de reactie die de voorafgaande aanrijding met de fiets bij de eiser heeft veroorzaakt en met zijn subjectieve beleving, noch worden de feiten getoetst aan wat een normaal en zorgvuldig persoon zou hebben gedaan wanneer hij in dezelfde omstandigheden zou zijn geplaatst (tweede onderdeel).
- Artikel 411 Strafwetboek bepaalt dat doodslag, verwondingen en slagen verschoonbaar zijn indien zij onmiddellijk worden uitgelokt door zware gewelddaden tegen personen. Onder zware gewelddaden tegen personen in de zin van die bepaling wordt verstaan zwaar fysiek of moreel geweld, in de regel uitgaand van het slachtoffer van de verschoonbare misdaad of het verschoonbare wanbedrijf. Het betreft geweld dat de vrije wil van een normaal en redelijk persoon aantast, wat inhoudt dat de gemoedsgesteldheid van de uitgelokte dader en diens bijzondere gevoeligheid geen uitsluitend toetsingscriterium kunnen zijn. Bovendien beoordeelt de rechter de zwaarwichtigheid van het geweld niet uitsluitend rekening houdend met de intensiteit van de reactie die dat geweld heeft veroorzaakt, maar ook rekening houdend met de ernst van het uitgelokte misdrijf. De ernst van het uitgelokte misdrijf moet namelijk proportioneel zijn met de ernst van het fysieke of morele geweld.
- Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie dient de rechter die een beklaagde schuldig verklaart aan het misdrijf opzettelijke slagen met ziekte of arbeidsongeschiktheid in de bewoordingen van de strafwet zonder daarbij de verschoningsgrond van uitlokking aan te nemen, niet nader te motiveren uit welke gegevens hij het voorhanden zijn van de bestanddelen van het misdrijf en de afwezigheid van alle vereisten van die verschoningsgrond afleidt.
- In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen zij naar recht.
- Het arrest verwijst voor het bekritiseerde oordeel niet naar de verklaringen en elementen van het strafdossier die de onderdelen vermelden. Het kan bijgevolg de bewijskracht van die stukken van het strafdossier niet miskennen. In zoverre missen de onderdelen feitelijke grondslag.
- Het arrest (p. 8-9) oordeelt zoals het eerste middel vermeldt en bovendien dat de eiser bij zijn uitgebreid verhoor ter rechtszitting geen plausibele uitleg kon geven waarom hij door zijn slachtoffers zou zijn geprovoceerd en zijn handelen toeschreef aan de omstandigheid dat hij op het ogenblik van de feiten dronken was. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
- Gelet op de hierna uit te spreken verwerping van het cassatieberoep verkrijgt het arrest kracht van gewijsde. Daaruit volgt dat eisers cassatieberoep in zoverre gericht tegen de beslissing over zijn onmiddellijke aanhouding, geen bestaansreden meer heeft. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 104,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 14 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div