id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Burgerlijke rechtsvordering (bijzondere regels) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.22.0765.N P. M. H. V. D. E., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij de balie bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen M. V. D. E., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 12 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest stelt de afstand vast van het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen het vonnis dat de eiser had vrijgesproken van de feiten omschreven onder de enige telastlegging. De eiser heeft geen belang om tegen die beslissing op te komen. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep niet ontvankelijk. Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het vermoeden van onschuld: hoewel de appelrechters gelet op de vrijspraak door de eerste rechter en de afstand van hoger beroep door het openbaar ministerie tegen die vrijspraak enkel te oordelen hadden over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster tegenover de eiser, verklaren zij de eiser vanuit een strafrechtelijk oogpunt schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten en zijn de motieven betreffende de beslissing op die burgerlijke rechtsvordering op beslissende wijze gesteund op die beoordeling vanuit een strafrechtelijk oogpunt; door dit te doen miskennen zij, volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende de beoordeling van een burgerlijke rechtsvordering tegen de nabestaanden van een overleden beklaagde, het vermoeden van onschuld.
- Uit artikel 6.2 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een beklaagde in eerste aanleg werd vrijgesproken voor het misdrijf waarvoor hij werd vervolgd en het appelgerecht ingevolge de afwezigheid van een hoger beroep op strafgebied enkel nog te oordelen heeft over de door de burgerlijke partij tegen de beklaagde aanhangig gemaakte burgerlijke rechtsvordering gegrond op het feit waarvoor de vrijspraak werd verleend, het appelgerecht zich niet mag uitspreken over de vraag of de beklaagde zich aan dat misdrijf heeft schuldig gemaakt.
- Het appelgerecht mag in een dergelijk geval uitsluitend oordelen of het gedrag, zoals dat blijkt uit de met de strafvervolging aanhangig gemaakte feiten, een fout oplevert in oorzakelijk verband met de schade die door de burgerlijke partij wordt gevorderd. De strafrechter bevindt zich in een dergelijk geval in dezelfde situatie als de burgerlijke rechter die zich moet uitspreken over een schadevergoedingsvordering die is gesteund op een strafbaar feit.
- De strafrechter moet, wil hij het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld niet miskennen, zich onthouden van bewoordingen waaruit de vaststelling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de betrokkene voor een feit waarvoor hij definitief is vrijgesproken, kan worden afgeleid.
- Het arrest beperkt zich niet tot de beoordeling of het gedrag van de eiser, zoals dat blijkt uit de met de strafvervolging aanhangig gemaakte feiten, een fout oplevert in oorzakelijk verband met de schade die door de verweerster wordt gevorderd, maar het spreekt zich gelet op de gebruikte bewoordingen uit zoals onder meer “het hof (van beroep) acht het in de weergegeven omstandigheden bewezen dat [de eiser] zich specifiek voor wat betreft de afhaling van de bedragen van 14.730 euro en 49.000 euro heeft schuldig gemaakt aan feiten van misbruik van vertrouwen” over de schuld van de eiser aan het hem in eerste aanleg ten laste gelegde misdrijf. Aldus miskent het arrest artikel 6.2 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre het akte verleent van de afstand van het hoger beroep van het openbaar ministerie en dit het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Bepaalt de kosten op 527,67 euro, waarvan 197,40 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 14 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170607.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240305.2N.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.13 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.16 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div