id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.11 Rolnummer: P.23.0778.N Zaak: Ö. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2023-11-24 Raadplegingen: 859 - laatst gezien 2026-06-19 04:30 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 6 De rechter die uit het enkele gegeven dat een vraag om inlichtingen is verstuurd naar de zetel van de persoon die gehouden is de inlichtingen te verstrekken of naar zijn woonplaats, zelfs als dit bij herhaling is gebeurd en zelfs als aan dit versturen bij toepassing van artikel 62 Wegverkeerswet een bijzondere bewijswaarde kleeft, het vermoeden afleidt dat die persoon daardoor alleen kennis heeft van de vraag om inlichtingen of dat hij die kennisname zelf onmogelijk heeft gemaakt en die op grond daarvan oordeelt dat het hem dan ook toekomt aannemelijk te maken dat hij de vraag om inlichtingen niet heeft ontvangen en dat hij niet nalatig is geweest, schendt artikel 6.2 EVRM en miskent het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld
(1).
(1)Zie Cass. 8 februari 2022, AR P.21.0909.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.16, AC 2022, nr. 104; Cass. 11 januari 2022, AR P.21.1259.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.8, AC 2022, nr.
- Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 67 - Artikel 67ter Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0778.N
- ALL SERVICES 4U bv, beklaagde,
- A. Ö., beklaagde, eiseressen, met als raadsman mr. Vincent Glas, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 19 april
- De eiseressen voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Het bestreden vonnis verklaart de hogere beroepen van de eiseressen tegen het vonnis van 4 januari 2022 ontvankelijk.
- Het bestreden vonnis spreekt de eiseres 2 vrij voor het feit omschreven onder de telastlegging C.
- In zoverre de cassatieberoepen van de eiseressen tegen die beslissingen zijn gericht, zijn ze voor elk wat hen betreft bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 67ter Wegverkeerswet: uit de motivering van het bestreden vonnis blijkt dat de appelrechters zich voor de schuldigverklaring steunen op het enkele gegeven dat er diverse brieven zouden zijn verstuurd, die ten onrechte als een vraag om inlichtingen worden bestempeld; door de vervolgende partij wordt niet aangetoond dat er effectief een vraag om inlichtingen werd verstuurd en dat de vraag om inlichtingen werd aangeboden aan de zetelplaats van de kentekenplaathouder of aan de natuurlijke persoon die de kentekenplaathouder-rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt; het vermoeden van onschuld wordt miskend indien de rechter uit het enkele gegeven dat een vraag om inlichtingen zou zijn verstuurd, afleidt dat de rechtspersoon en de natuurlijke persoon die hem in rechte vertegenwoordigt daardoor kennis hebben van de vraag en bovendien oordeelt dat het hen toekomt aannemelijk te maken dat zij de vraag om inlichtingen niet hebben ontvangen; het bestreden vonnis stelt niet vast dat de vraag om inlichtingen daadwerkelijk is aangeboden; van de eiseressen wordt een onmogelijk tegenbewijs verwacht. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 5 Strafwetboek: het bestreden vonnis stelt niet vast dat de vraag om inlichtingen daadwerkelijk werd verstuurd en werd aangeboden aan zowel de zetel van de kentekenplaathouder als aan de natuurlijke persoon die de kentekenplaathouder-rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt; de tweede eiseres kan maar schuldig zijn aan een inbreuk op artikel 67ter Wegverkeerswet voor zover zij niet tijdig heeft gereageerd op de vraag om inlichtingen die haar persoonlijk als natuurlijke persoon vertegenwoordigster van de kentekenplaathouder-rechtspersoon werd verstuurd en werd aangeboden; bovendien kan de eerste eiseres maar schuldig zijn aan de inbreuk voor zover wordt vastgesteld dat zij samen met de tweede eiseres dader is van dezelfde feiten of eraan heeft deelgenomen.
- Artikel 67ter, eerste, tweede en derde lid, Wegverkeerswet bepaalt dat: - wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een op naam van een rechtspersoon ingeschreven motorvoertuig en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet werd geïdentificeerd, de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt, ertoe is gehouden de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen, of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig, behalve wanneer zij diefstal, fraude of overmacht kunnen bewijzen; - deze mededeling moet gebeuren binnen de vijftien dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen werd verstuurd; - indien de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten hij eveneens de identiteit van de onmiskenbare bestuurder moet meedelen.
- Artikel 29ter, eerste lid, Wegverkeerswet bestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete van 200,00 euro tot 4.000,00 euro of met een van die straffen alleen hij die de door artikel 67ter Wegverkeerswet bedoelde verplichtingen niet nakomt. Voor rechtspersonen dient de geldboete te worden berekend overeenkomstig artikel 41bis Strafwetboek. Ingeval van herhaling binnen de drie jaar te rekenen vanaf de dag van de uitspraak na een veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, worden de straffen verdubbeld.
- Uit artikel 67ter, eerste, tweede en derde lid, Wegverkeerswet en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat: - de verplichting de gevraagde inlichtingen te bezorgen voortvloeit uit artikel 67ter Wegverkeerswet zelf, dat elkeen geacht is te kennen; - de vraag om inlichtingen niet is onderworpen aan bepaalde vormvereisten: zo kan zij schriftelijk worden geformuleerd door toezending van de vraag samen met het proces-verbaal van overtreding of door voeging van de vraag bij de uitnodiging tot betaling van een onmiddellijke inning of een voorstel van minnelijke schikking of een aanmaning daartoe, maar ze kan ook mondeling worden gesteld; - het noodzakelijk is maar volstaat dat de schriftelijk of mondeling geformuleerde vraag duidelijk het voertuig, het tijdstip en de plaats van overtreding vermeldt, waarop de vraag betrekking heeft.
- Een schuldigverklaring van de kentekenplaathouder-rechtspersoon, van de natuurlijke persoon die de kentekenplaathouder-rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt of de voor het voertuig verantwoordelijke persoon die niet de bestuurder is (hierna de persoon die gehouden is de inlichtingen te verstrekken) aan het door artikel 67ter, eerste, tweede en derde lid, Wegverkeerswet bedoelde wanbedrijf vereist dat indien de vraag om inlichtingen schriftelijk aan de persoon die gehouden is de inlichtingen te verstrekken is verstuurd, redelijkerwijze kan worden aangenomen dat die vraag door die persoon daadwerkelijk is ontvangen dan wel dat de niet-ontvangst een gevolg is van zijn nalatig handelen.
- Artikel 6.2 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld verzetten zich niet ertegen dat de rechter uit de vaststelling dat de vraag om inlichtingen daadwerkelijk werd verstuurd, afleidt dat die vraag ook daadwerkelijk is ontvangen door de persoon die gehouden is de inlichtingen te verstrekken dan wel dat de niet-ontvangst een gevolg is van zijn nalatig handelen, mits die persoon, gelet op de zware sanctie die hij kan oplopen, over een daadwerkelijke mogelijkheid beschikt om dit vermoeden van ontvangst of nalatigheid voor het niet-ontvangen te weerleggen. Dit veronderstelt dat de vervolgende partij aantoont dat de vraag om inlichtingen werd aangeboden aan de persoon die gehouden is de inlichtingen te verstrekken.
- De rechter die uit het enkele gegeven dat een vraag om inlichtingen is verstuurd naar de zetel van de persoon die gehouden is de inlichtingen te verstrekken of naar zijn woonplaats, zelfs als dit bij herhaling is gebeurd en zelfs als aan dit versturen bij toepassing van artikel 62 Wegverkeerswet een bijzondere bewijswaarde kleeft, het vermoeden afleidt dat die persoon daardoor alleen kennis heeft van de vraag om inlichtingen of dat hij die kennisname zelf onmogelijk heeft gemaakt en die op grond daarvan oordeelt dat het hem dan ook toekomt aannemelijk te maken dat hij de vraag om inlichtingen niet heeft ontvangen en dat hij niet nalatig is geweest, schendt artikel 6.2 EVRM en miskent het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld.
- Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - het voertuig waarmee de overtreding werd begaan is eigendom van een leasingmaatschappij en werd geleasd door de eiseres 1, waarvan de eiseres 2 de bestuurder is; - op 30 december 2020 werd een afschrift van het proces-verbaal met antwoordformulier verzonden aan de eiseres 1; - op 27 januari 2021 werd een nieuw antwoordformulier verzonden, met verzoek de identiteit van de bestuurder te laten kennen, evenals een uitnodiging tot verhoor, aan de eiseres 1; - op 17 mei 2021 werd een uitnodiging tot verhoor verzonden aan de eiseres 2 met als reden: “Foutief parkeren met niet gekeurd voertuig te (…) op 29/12/2020 om 14.25 uur”; - op 3 juni 2021 werd opnieuw een uitnodiging tot verhoor verzonden aan de eiseres 2 met als reden: “Foutief parkeren met niet gekeurd voertuig te (…) op 29/12/2020 om 14.25 uur” en “Gelet op art. 67ter van de Wegverkeerswet van 16/03/1968 zijn de natuurlijke personen die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen ertoe gehouden de identiteit van de bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen of indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die het voertuig onder zich heeft. De straf op de overtreding van art. 67ter vindt u terug in dezelfde wet onder art. 29ter, nl. een geldboete van minstens 200 euro x 8 = 1600 euro”; - zowel de maatschappelijke zetel van de eiseres 1 als de inschrijving van de eiseres 2 in het bevolkingsregister betreffen hetzelfde adres, namelijk (…); - uit de vaststellingen van de verbalisanten blijkt dat een vraag tot mededeling van de identiteit van de bestuurder aan beide eiseressen werd aangeboden; - deze vaststellingen hebben bij toepassing van artikel 62 Wegverkeerswet bewijswaarde zolang het tegendeel niet is bewezen; - de eiseressen bewijzen niet, noch maken ze aannemelijk dat geen enkel van de vier verstuurde brieven hen heeft bereikt.
- Het bestreden vonnis leidt dan ook het vermoeden dat de eiseressen 1 en 2 kennis hadden van de vraag om inlichtingen en hun schuld aan de feiten omschreven onder de telastleggingen B en D, louter af uit de verzending van de vraag om inlichtingen en daarop volgende uitnodigingen tot verhoor en de bijzondere bewijswaarde die kleeft aan die verzendingen. Die beslissing schendt artikel 6.2 EVRM en miskent het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld. Bijgevolg is de schuldigverklaring van de eiseressen 1 en 2 niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet betreffende de aan de eiseres 1 verweten feiten omschreven onder de telastlegging B en betreffende de aan de eiseres 2 verweten feiten omschreven onder de telastlegging D. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiseres 1 tot de helft van de kosten van haar cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres 2 tot een tiende van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 197,40 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 14 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.8 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.16 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div