id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.15 Rolnummer: P.23.0759.N Zaak: E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-02-23 Raadplegingen: 812 - laatst gezien 2026-06-18 20:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Wanneer eenzelfde gegeven wordt opgeleverd door meerdere opsporings- of onderzoekshandelingen die niet uit elkaar voortvloeien, dan heeft de enkele vaststelling dat één van die handelingen onregelmatig is niet tot gevolg dat dit gegeven, in zoverre het wordt opgeleverd door een andere, regelmatige handeling, voor de strafrechter geen regelmatig verkregen bewijselement meer kan uitmaken; of de onregelmatigheid verband houdt met het inwinnen van een inlichting dan wel met het inwinnen van bewijs, speelt daarbij geen rol; het Hof gaat wel na of de rechter die in de vermelde omstandigheden besluit tot de regelmatigheid van het bewijs, uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het ... - 09-12-2004 - Art. 13 - 40 ELI link Pub nr 2004009876 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het ... - 09-12-2004 - Art. 13 - 40 ELI link Pub nr 2004009876 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0759.N I I. E. L., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen. II T. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel. III J. C. K. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 26 april 2023. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. Op 9 november 2023 werd namens de eiser II ter griffie een door artikel 1107 Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiser I 1. Het eerste middel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat eisers appelconclusie geen nauwkeurig bepaalde grieven zoals vereist door artikel 210 Wetboek van Strafvordering bevat omdat die conclusie een loutere herneming is van eisers conclusie in eerste aanleg, behoudens de opsomming van een aantal door de eerste rechter aangenomen feitelijke elementen; aldus miskent het arrest de bewijskracht van eisers appelconclusie doordat het aanneemt dat daarin iets niet staat wat er wel in staat, namelijk een verweer tegen de beslissing van de eerste rechter. Het tweede middel voert schending aan van artikel 210 Wetboek van Strafvordering: met het in het eerste middel vermelde oordeel past het arrest dat artikel onjuist toe; enkel de loutere herneming van of de loutere verwijzing naar het in eerste aanleg gevoerd verweer maakt geen nauwkeurig bepaalde grief uit in de zin van dat artikel; de eiser I heeft in hoger beroep echter niet enkel zijn in eerste aanleg gevoerd verweer hernomen, maar hij heeft bijkomende elementen tot staving van zijn verweer aangevoerd en standpunten van de eerste rechter weerlegd. 2. Het arrest beoordeelt het bij appelconclusie gevoerd verweer van de eiser I niet enkel met de redenen die het middel bekritiseert. Met eigen (p. 40-41) en van het beroepen vonnis (p. 21-23 en p. 38-41) overgenomen redenen, waartegen de middelen als dusdanig niet opkomen, oordeelt het arrest eveneens dat de eerste rechter op uitgebreide en pertinente wijze heeft geantwoord op eisers bij appelconclusie gevoerd verweer en dat die door de eiser I niet-weerlegde redenen volstaan voor zijn schuldigverklaring. Aldus onderzoekt het arrest wel degelijk eisers in hoger beroep aangevoerd verweer met inbegrip van zijn kritiek op het beroepen vonnis en verwerpt het op gemotiveerde wijze dat verweer. Bijgevolg kan de in de middelen bekritiseerde reden de eiser I niet grieven. De middelen zijn bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel van de eiser II 3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering, artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 13 van de wet van 9 december 2004 betreffende de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter Wetboek van Strafvordering (hierna Wet Wederzijdse Internationale Rechtshulp Strafzaken): de eiser II heeft voor de appelrechters aangevoerd dat de identificatie van T. bv als huurder van een trekker, die door de Belgische verbalisanten via de verhuurfirma R. bv in Nederland werd verkregen, onregelmatig in Nederland verkregen bewijs betrof, waarbij hij om de toepassing vroeg van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 13 Wet Wederzijdse Internationale Rechtshulp Strafzaken; het arrest stelt de vermelde opvraging van identificatiegegevens weliswaar als feit vast, maar het oordeelt dat deze in Nederland opgevraagde identificatiegegevens enkel een inlichting zijn en dat die gegevens pas bewijs uitmaken van zodra ze nadien in België werden bevestigd; die vaststelling kan die gevolgtrekking niet afdoende verantwoorden; het arrest oordeelt dan ook ten onrechte en zonder de vereiste motivering dat een controle van de wijze waarop deze gegevens in Nederland verkregen werden geen toetsing vereist op grond van voormeld artikel 32 en voormeld artikel 13. 4. De grief die een rechterlijke beslissing verwijt uit haar vaststellingen onwettig een bepaald gevolg af te leiden, voert geen motiveringsgebrek aan maar bekritiseert de wettigheid van de beslissing. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 5. Wanneer eenzelfde gegeven wordt opgeleverd door meerdere opsporings- of onderzoekshandelingen die niet uit elkaar voortvloeien, dan heeft de enkele vaststelling dat één van die handelingen onregelmatig is niet tot gevolg dat dit gegeven, in zoverre het wordt opgeleverd door een andere, regelmatige handeling, voor de strafrechter geen regelmatig verkregen bewijselement meer kan uitmaken. Of de onregelmatigheid verband houdt met het inwinnen van een inlichting dan wel met het inwinnen van bewijs, speelt daarbij geen rol. Het Hof gaat wel na of de rechter die in de vermelde omstandigheden besluit tot de regelmatigheid van het bewijs, uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. In zoverre faalt het middel eveneens naar recht. 6. Het arrest oordeelt onder meer als volgt: - naar aanleiding van in het arrest gepreciseerde verdachte handelingen met een trekker hebben de speurders bij Nederlandse nummerplaathouder R. bv, filiaal van de Belgische verhuurfirma A. bv, inlichtingen ingewonnen over de identiteit van de huurder van de trekker, dit is T. bv; - het louter verder informeren door de speurders bij dit Nederlands filiaal naar de huurder van de trekker maakt de daar verkregen inlichting dat die huurder T. bv betreft, geenszins onregelmatig; - het eigenlijke bewijs dat T. bv de huurder was van de trekker volgt uit de gegevens die de speurders hebben verkregen bij de hoofdzetel A. in België en die de in Nederland verstrekte informatie bevestigen. Op grond van die redenen, waarmee het arrest niet vaststelt dat de in België verkregen informatie voortvloeit uit de in Nederland verkregen informatie, konden de appelrechters wettig oordelen dat de opvraging van de verkregen identificatiegegevens over de huurder van de trekker regelmatig is en niet uit het bewijs moet worden geweerd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 7. Voor het overige is het middel gericht tegen overtollige redenen en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Middel van de eiser III Eerste onderdeel 8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek: het arrest beveelt lastens de eiser III de bijzondere verbeurdverklaring ex aequo et bono van vermogensvoordelen ten bedrage van 100.000,00 euro op basis van “voorliggende dossiergegevens”, namelijk “onder meer het gegeven dat [de eiser III] in de weerhouden incriminatieperiode tal van cashgelden had waarvan de herkomst niet gekend was en hogervermelde vennootschappen enkel werden overgenomen om gebruikt te worden voor de criminele feiten waarvan sprake in huidig dossier”; het arrest stelt aldus nergens vast dat de “tal van cashgelden” een wederrechtelijke herkomst kenden, afkomstig uit de bewezenverklaarde feiten; evenmin kan uit de vermelding dat “hogervermelde vennootschappen enkel werden overgenomen om gebruikt te worden voor de criminele feiten waarvan sprake in huidig dossier” worden afgeleid waarom er sprake zou zijn van een wederrechtelijk vermogensvoordeel ex aequo et bono bepaald op 100.000,00 euro; het bepalen van de bijzondere verbeurdverklaring bij equivalent vereist dat de strafrechter eensdeels het bestaan van wederrechtelijke vermogensvoordelen voortvloeiend uit een bewezenverklaard feit vaststelt en anderdeels, om willekeur te vermijden, concrete gegevens aanreikt die zijn beslissing tot het bestaan en het bepalen van de omvang van die vermogensvoordelen onderbouwen. 9. Uit de in het onderdeel aangehaalde redenen blijkt dat het arrest voor het bepalen van het bedrag van de illegale vermogensvoordelen die de eiser III heeft verkregen uit de lastens hem bewezenverklaarde feiten van de telastleggingen A (invoer van cocaïne in vereniging), D.1, 2, 5 en 6 (valsheid in geschriften en gebruik) en E.1 (deelname aan een criminele organisatie) rekening houdt met de desbetreffende beoordeling door de eerste rechter. Deze vermeldt wat volgt: - “Het staat vast dat met internationale drugtrafieken gigantische winsten gemaakt worden op de kap van verslaafde druggebruikers. Gelet op de grote winsten die met de invoer van grote partijen cocaïne gepaard gaan, de vaststellingen van de verbalisanten, ieders aandeel in de bewezen verklaarde feiten en de resultaten van de verschillende bankonderzoeken, worden volgende bedragen verbeurd verklaard op grond van de artikelen 42, 3°, 43bis en 43quater Sw.”; - “Er werd een uitvoerig financieel onderzoek gevoerd naar de diverse beklaagden, waaruit blijkt dat bij een aantal onder hen een zeer duidelijke discrepantie bestond tussen hun legale inkomsten en de aangetroffen cashgelden en/of cash uitgaven. Sommige beklaagden beschikten over zeer beperkte inkomsten in België. Het is dan ook gepast om, bij equivalent, volgende bedragen verbeurd te verklaren: (…) [de eiser III] (…) 117.352,91 euro” (…)”. 10. Het arrest (p. 47) oordeelt onder meer: “In tegenstelling tot de eerste rechter, is het hof (van beroep) van oordeel dat er geen zekerheid bestaat over het feit dat dit ganse bedrag gerealiseerd werd mits hoger vermelde bewezen verklaarde feiten, nu in [proces-verbaal (…)/2020] verwezen wordt naar een periode die een aanvang neemt vanaf 1 januari 2016 daar waar de vroegste incriminatieperiode slechts start vanaf 2 juni 2017 en er verder geen ernstige en concrete aanwijzingen voorhanden zijn dat deze afkomstig zijn uit feiten die aan de basis van hoger vermelde tenlasteleggingen liggen, uit identieke feiten of daarmee gelijk te stellen feiten in een relevante periode van vijfjaar voordien. Gezien evenwel op basis van de voorliggende dossiergegevens, onder meer het gegeven dat [de eiser III] in de weerhouden incriminatieperiode tal van cashgelden ter beschikking had waarvan de herkomst niet gekend was en hogervermelde vennootschappen enkel werden overgenomen om gebruikt te worden voor de criminele feiten waarvan sprake in huidig dossier, staat naar het oordeel van het hof (van beroep) vast dat een wederrechtelijk vermogensvoordeel werd gegenereerd door [de eiser III] dewelke door het hof (van beroep) in redelijkheid en billijkheid wordt geraamd op 100.000 euro.” 11. Met die redenen oordeelt het arrest dat de eiser III wederrechtelijke vermogensvoordelen heeft verkregen uit de lastens hem bewezenverklaarde feiten en neemt het als uitgangspunt voor het bepalen van de omvang van die vermogensvoordelen het bedrag aan contante gelden zonder gekende herkomst dat de eiser III tijdens de incriminatieperiode ter beschikking had. Aldus stelt het arrest de concrete gegevens vast waaruit het bij wijze van feitelijk vermoeden wettig en zonder enige willekeur kan afleiden dat de illegale vermogensvoordelen die de eiser III uit de lastens hem bewezenverklaarde feiten heeft verkregen, ex aequo et bono te bepalen zijn op 100.000,00 euro. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: uit de redenen van het arrest kan niet worden afgeleid dat er wederrechtelijke vermogensvoordelen afkomstig zouden zijn uit een bewezenverklaard feit, noch hoe het bedrag van 100.000,00 euro ex aequo et bono wordt bepaald. 13. De grief die een rechterlijke beslissing verwijt uit haar vaststellingen onwettig een bepaald gevolg af te leiden, voert geen motiveringsgebrek aan maar bekritiseert de wettigheid van de beslissing. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 14. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste onderdeel en kan het om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 326,22 euro, waarvan elke eiser 108,74 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 14 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.15 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.17 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.