id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 18 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Straf - Schorsing Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 18 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 18 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: STRAF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 18 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0985.N A. B. V. D. P., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Lies Meuwissen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 25 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 187 en 208 Wetboek van Strafvordering en artikel 18 Probatiewet: met het oordeel dat de bij verstekarrest van 25 januari 2011 uitgesproken straf inmiddels verjaard is, verantwoordt het arrest de beslissing om eisers verzet wegens laattijdigheid onontvankelijk te verklaren, niet naar recht; die straf was immers voorwaardelijk uitgesproken en het verleende uitstel werd van rechtswege herroepen door een nieuwe veroordeling van de eiser bij arrest van het hof van beroep te Gent van 27 april 2021; bijgevolg kan de termijn voor de bij verstek opgelegde straf slechts aanvatten op hetzelfde ogenblik als voor de nieuw opgelegde straf en was eisers verzet tijdig aangetekend.
- Artikel 187 Wetboek van Strafvordering, zoals hier toepasselijk, bepaalt dat, indien niet blijkt dat de bij verstek veroordeelde kennis heeft gekregen van de betekening van die veroordelende beslissing, hij daartegen slechts in verzet kan komen totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn.
- Overeenkomstig artikel 92 Strafwetboek verjaren correctionele straffen, behoudens in hier niet toepasselijke gevallen, door verloop van vijf jaren. De verjaringstermijn is tien jaren indien de uitgesproken gevangenisstraf drie jaar te boven gaat.
- In geval van een veroordeling tot een straf met uitstel van tenuitvoerlegging is de verjaring van de straf krachtens artikel 18 Probatiewet geschorst gedurende de termijn van het uitstel.
- Het arrest stelt vast dat: - de eiser bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 25 januari 2011 bij verstek werd veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van twaalf maanden, met uitstel van tenuitvoerlegging voor een termijn van vijf jaar, een geldboete van 1.000,00 euro, na verhoging met opdeciemen gebracht op 5.500,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, alsook tot een bestuurdersverbod voor een periode van vijf jaar; - dit verstekarrest op 3 februari 2011 bij toepassing van artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek regelmatig werd betekend aan het openbaar ministerie; - de eiser op 3 maart 2023 in de gevangenis op strafgebied verzet heeft aangetekend tegen het arrest van 25 januari 2011; - niet blijkt dat de eiser meer dan vijftien dagen vóór het aantekenen van dat verzet kennis had gekregen van de betekening op 3 februari 2011 van het verstekarrest.
- Het arrest oordeelt vervolgens dat de eiser slechts tot 25 januari 2016 tegen het verstekarrest van 25 januari 2011 in verzet kon komen en dat het op 3 maart 2023 aangetekende verzet bijgevolg laattijdig en niet-ontvankelijk is.
- Door aldus te oordelen houdt het arrest geen rekening met het vaststaand gegeven dat de verjaring van de aan de eiser bij verstekarrest van 25 januari 2011 opgelegde hoofdgevangenisstraf geschorst was gedurende de uitsteltermijn van vijf jaar. Die verjaring kon dan ook niet intreden op 25 januari
- Het oordeel dat eisers verzet onontvankelijk is omdat het werd aangetekend na de verjaring op 25 januari 2016 van de bij verstek uitgesproken straf, is bijgevolg niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 14 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260310.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div