id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.9 Rolnummer: P.23.1191.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2023-11-24 Raadplegingen: 590 - laatst gezien 2026-06-15 06:00 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 5 Indien een beklaagde een grond inroept waaruit moet blijken dat hij zich niet aan het hem ten laste gelegde misdrijf heeft schuldig gemaakt, kan hij zich niet beperken tot een blote bewering, maar moet hij die aanvoering enigszins aannemelijk maken en de rechter oordeelt onaantastbaar of een beklaagde slaagt in die verplichting; uit het enkele feit dat de rechter oordeelt dat een beklaagde niet slaagt in de verplichting zijn aanvoering enigszins aannemelijk te maken, kan geen miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld worden afgeleid. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Tekst van de beslissing Nr. P.23.1191.N
- B. C. A. D., beklaagde,
- VAN HOOREBEKE EN ZOON bv, met zetel te 9990 Maldegem, Mevrouw Courtmanslaan 87, burgerrechtelijk aansprakelijke partij, eisers, met als raadsman mr. Koen Van Zandweghe, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 16 juni
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiseres
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres haar cassatieberoep heeft laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het appelgerecht, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissing waarbij de eiseres burgerrechtelijk aansprakelijk werd verklaard voor de geldboeten en de kosten ten laste van de eiser, is haar cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 2 Strafwetboek en artikel 33, § 1, Wegverkeerswet, alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel: het bestreden vonnis is niet naar recht verantwoord; het volstaat niet vast te stellen dat geen dienstige vaststellingen werden gedaan om te besluiten dat de eiser de intentie had aan de vaststellingen te ontsnappen; de appelrechters laten na na te gaan of de eiser dit bijzonder opzet had.
- Het door artikel 33, § 1, 1°, Wegverkeerswet strafbaar gestelde vluchtmisdrijf vereist dat de bestuurder de vlucht neemt om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken, zijnde de vaststellingen die nodig zijn om de aansprakelijkheid voor het ongeval te bepalen en betreffende de toestand van de bestuurder.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de bestuurder het opzet had om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken, waarbij hij de wijze waarop de bestuurder de vlucht heeft genomen in aanmerking kan nemen.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt onder meer dat: - de getuige D.S. verklaarde dat de bus de vrachtwagen raakte en deze daarop verder reed, waarbij hij vermoedde dat de chauffeur de aanrijding niet had gemerkt; - dit evenwel wel het geval was; - de eiser aangaf dat hij gelet op de drukte en de omvang van zijn voertuig niet onmiddellijk langs de kant kon gaan staan; - dit niet blijkt uit de strafinformatie en evenmin wordt bevestigd door de getuige; - de eiser zelf aangaf in paniek te zijn geraakt; - nergens uit blijkt dat de eiser zijn werkgever en de politie verwittigde; - door de handelwijze van de eiser geen dienstige vaststellingen konden gebeuren noch wat betreft de omstandigheden van het ongeval noch wat betreft de persoon van de eiser; - vluchtmisdrijf een aflopend misdrijf is en het feit dat later die dag contact werd opgenomen met het slachtoffer geen afbreuk doet aan het voorgaande; - als wettelijk principe geldt dat diegene die, zoals de eiser, er kennis van heeft dat zijn of haar voertuig oorzaak of aanleiding is geweest van een verkeersongeval, ter plaatse blijft ten einde niet alleen de dader van het ongeval te kunnen identificeren, maar ook om zo precies en volledig mogelijk, alle nuttige vaststellingen te laten verrichten die de beoordeling van het ongevalsgebeuren op waarheidsgetrouwe wijze toelaten met het oog op de latere verantwoordelijkheidsbepaling, de aard en de omvang van de schade en de gebeurlijke toestand van de bestuurder; - de eiser zich niet mocht onttrekken aan de dienstige vaststellingen die zowel betrekking hebben op het nagaan van de objectieve en materiële gegevens van het ongeval, alsook op de houding en toestand van de bestuurder betreffende zijn geschiktheid om te sturen; - de rechter het vereiste opzet om zich te onttrekken, kan afleiden uit de wijze waarop de bestuurder de vlucht heeft genomen; - door vrijwillig weg te gaan, na een dergelijke aanrijding, was de eiser zich voldoende bewust van de concrete situatie; - de eiser zich heeft willen onttrekken aan dienstige vaststellingen, doordat hij nagelaten heeft melding te maken bij de verbalisanten, dan wel zijn gegevens achter te laten bij het door hem aangereden voertuig; - door dat niet te doen en door zich zonder wettige reden van de plaats van de feiten te verwijderen, de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan vluchtmisdrijf, wat een aflopend misdrijf is. Op grond van die redenen, die niet beperkt zijn tot het oordeel dat er geen dienstige vaststellingen zijn gedaan, kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat het voor het vluchtmisdrijf vereiste opzet bewezen is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- De aangevoerde schending van artikel 2 Strafwetboek en de miskenning van het legaliteitsbeginsel zijn afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel “in dubio pro reo”: het bestreden vonnis is niet naar recht verantwoord; elke twijfel dient de beklaagde ten goede te komen; de eiser heeft aangevoerd dat hij onmiddellijk melding heeft gemaakt bij zijn werkgever die het schadegeval dezelfde dag heeft afgehandeld, en dat het voor hem door het verkeer niet mogelijk was zijn gegevens achter te laten; het verwerpen van deze aanvoeringen die niet van alle ongeloofwaardigheid waren ontbloot, miskent het recht van verdediging van de eiser; de onjuistheid ervan wordt bovendien door het openbaar ministerie niet weerlegd.
- Indien een beklaagde een grond inroept waaruit moet blijken dat hij zich niet aan het hem ten laste gelegde misdrijf heeft schuldig gemaakt, kan hij zich niet beperken tot een blote bewering, maar moet hij die aanvoering enigszins aannemelijk maken.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of een beklaagde slaagt in die verplichting.
- Uit het enkele feit dat de rechter oordeelt dat een beklaagde niet slaagt in de verplichting zijn aanvoering enigszins aannemelijk te maken, kan geen miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld worden afgeleid.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat eisers aanvoering dat hij zijn werkgever heeft verwittigd uit niets blijkt, alsook dat zijn bewering dat hij gelet op de drukte en de omvang van zijn voertuig niet onmiddellijk langs de kant kon gaan staan, niet blijkt uit het strafdossier en ook niet wordt bevestigd door de getuige. Daarmee geven de appelrechters te kennen dat de eiser niet slaagt in de op hem rustende verplichting zijn aanvoeringen enigszins aannemelijk te maken. In zoverre het middel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling door de appelrechters, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Begroot de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 14 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div