id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 1
- 01 ELI link Pub nr 1921022450 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -
Art. 2bis
- 01 ELI link Pub nr 1921022450 KB 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen - 06-09-2017 - Art. 2 - 03 ELI link Pub nr 2017031231 KB 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen - 06-09-2017 - Art. 6, § 2 - 03 ELI link Pub nr 2017031231 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -
Art. 1
- 01 ELI link Pub nr 1921022450 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -
Art. 2bis
- 01 ELI link Pub nr 1921022450 KB 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen - 06-09-2017 - Art. 2 - 03 ELI link Pub nr 2017031231 KB 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen - 06-09-2017 - Art. 6, § 2 - 03 ELI link Pub nr 2017031231 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 6 - 7 De verbeurdverklaring van het vermogensvoordeel dat de dader van de teelt van cannabis heeft verkregen, vereist niet dat die dader ook wordt vervolgd voor het bezit of de verkoop van de uit die teelt verkregen oogst, noch dat de rechter vaststelt dat die oogst is verkocht. Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -
Art. 1
- 01 ELI link Pub nr 1921022450 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -
Art. 2bis- 01 ELI link Pub nr 1921022450 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 43bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -
Art. 1
- 01 ELI link Pub nr 1921022450 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -
Art. 2bis- 01 ELI link Pub nr 1921022450 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 43bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0960.N I M. L. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Brecht Vanderstraeten, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3590 Diepenbeek, Lutselusplein 1, waar de eiser woonplaats kiest, II T. S. A., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Abdel Belkouribchia, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Plantenstraat 57, waar de eiseres woonplaats kiest, de cassatieberoepen I en II tegen
- M. D.,
- M. G.,
- I. P.,
- G. P.,
- M. T.,
- M. M.,
- P. M.,
- K. P.,
- FLUVIUS LIMBURG, met zetel te 3500 Hasselt, Trichterheideweg 8,
- FLUVIUS ANTWERPEN, met zetel te 2100 Antwerpen (Deurne), Merksemsesteenweg é,
- IVERLEK, met zetel te 3012 Leuven (Wilsele), Aarschotsesteenweg 58, in eigen naam en als rechtsopvolgster van de PROVINCIALE BRABANTSE ENERGIEMAATSCHAPPIJ,
- IVEKA, met zetel te 2300 Turnhout, Koningin Elisabethlei 38, burgerlijke partijen, verweerders. III A. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Fatih Karabayir, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Thonissenlaan 98A, waar de eiser woonplaats kiest, tegen K. P., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 10 mei
- De eiser I, II en III voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Krachtens artikel 424 Wetboek van Strafvordering moet het cassatieberoep tegen een beslissing die bij verstek is gewezen en die vatbaar is voor verzet, worden ingesteld binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn voor verzet.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het arrest is betekend aan de verweerder I-II.7, tegenover wie het bij verstek is gewezen. In zoverre gericht tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder I-II.7, zijn de cassatieberoepen I en II niet ontvankelijk.
- In zoverre gericht tegen de vrijspraak van de eiser III voor de telastlegging B.1, is het cassatieberoep III bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers I en III
- De middelen voeren schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR, artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 47sexies, 163 en 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht van verdediging: de verbalisanten hebben tijdens de observatie vastgesteld dat deze een internationaal karakter had, maar zij niet hebben voldaan aan de vereisten van een stelselmatige observatie door geen schriftelijke machtiging te vragen waarin de ernstige aanwijzingen van het strafbaar feit zijn vermeld die de observatie wettigen (eerste onderdeel); de verbalisanten zijn ook overgegaan tot de observatie op grond van onregelmatig verkregen bewijsmateriaal, namelijk de verklaring van de verhuurder dat hij binnen de loods is gaan kijken, terwijl er geen beschikking tot huiszoeking voorhanden was (tweede onderdeel); aangezien bijgevolg het aanvankelijk proces-verbaal, dit is de eerste akte in de procedurele keten, door nietigheid is aangetast, is de strafvordering ontoelaatbaar.
- De middelen die in hun beide onderdelen enkel de handelwijze van de verbalisanten bekritiseren, zijn niet gericht tegen het arrest en zijn bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel van de eisers I en III en eerste middel van de eiseres II
- De middelen voeren schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR, artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat het recht van verdediging van de eisers I, II en III niet ernstig en onherstelbaar is aangetast; het arrest onderzoekt de overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte enkel in het licht van het recht van de eisers I, II en III op een tijdige uitspraak in hun zaak; door het onnodig lange tijdsverloop tussen de vaststelling van de feiten en de eindvordering van het openbaar ministerie waren de eisers I, II en III niet meer bij machte om bewijselementen à décharge bij te brengen, mede doordat zij in feite ervan uitgingen dat zij zich niet meer dienden te verantwoorden voor de feiten; zelfs indien die eisers thans nog bewijsstukken zouden kunnen verzamelen, is de bewijswaarde ervan aangetast ingevolge het tijdsverloop; bijgevolg is het recht van verdediging van de eisers I, II en III ernstig en onherstelbaar aangetast, zodat het arrest geen toepassing kon maken van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, maar de strafvordering niet ontvankelijk moest verklaren; minstens diende het arrest zich te beperken tot een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring of een grotere strafvermindering toekennen.
- Het arrest (p. 35 en 40) oordeelt dat het mogelijk is gebleven de eisers I en II een eerlijk proces te garanderen onder meer omdat de overschrijding van de redelijke termijn niet ertoe heeft geleid dat bewijsmiddelen teloor gingen, het voorliggende bewijs niet werd aangetast en de uitoefening van het recht van verdediging op geen enkele wijze werd beperkt of bemoeilijkt, laat staan onherstelbaar belemmerd, zodat de strafvordering niet onontvankelijk moet worden verklaard. In zoverre de middelen die redenen niet in de kritiek betrekken, berusten zij op een onvolledige lezing van het arrest en missen zij bijgevolg feitelijke grondslag.
- Voor het overige komen de middelen op tegen de onaantastbare beoordeling van de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn door de appelrechters, verplichten zij tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is of berusten zij op loutere veronderstellingen. In zoverre zijn de middelen niet ontvankelijk. Derde middel van de eisers I en III en tweede middel van de eiseres II
- De middelen voeren schending aan van artikel 6.2 en 6.3.d EVRM en de artikelen 1 (lees 2), 16°, en 6, § 2, van het koninklijk besluit van 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen, in het bijzonder het aangehecht advies onder punt 10.1.1, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld en het recht op een eerlijk proces: het arrest verklaart de eisers I en II schuldig aan de teelt van cannabis met verzwarende omstandigheden zonder de constitutieve bestanddelen van de in die telastleggingen omschreven misdrijven na te gaan; strafbaar is enkel de productie van cannabis met een THC-gehalte van minstens 0,2 procent; uit het strafdossier blijkt niet dat het THC-gehalte van de ontdekte cannabis vaststaat; er is geen analyse uitgevoerd.
- De eiseres II komt enkel op tegen de schuldigverklaring van de eiser I aan de telastleggingen A.1 tot A.7, C.3 en F.
- Zij heeft daarvoor geen belang. Het middel van de eiseres II is niet ontvankelijk.
- Een advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State is geen wet in de zin van artikel 608 Gerechtelijk Wetboek, waarvan de schending aanleiding kan geven tot cassatie. In zoverre het middel van de eiser I schending van dat advies aanvoert, faalt het naar recht.
- Artikel 6.3.d EVRM, dat betrekking heeft op de ondervraging van getuigen, is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre het middel van de eiser III schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- In zoverre de middelen van de eisers I en III aanvoeren dat in het strafdossier niet is vastgesteld dat de aangetroffen cannabis een THC-gehalte van minstens 0,2 procent heeft, verplichten zij tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en zijn zij bijgevolg niet ontvankelijk.
- Geen enkele verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel verplicht de rechter die een beklaagde veroordeelt wegens de teelt van cannabis om bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie uitdrukkelijk vast te stellen dat die cannabis een THC-gehalte van minstens 0,2 procent heeft. In zoverre falen de middelen van de eisers I en III naar recht. Vierde middel van de eisers I en III en derde middel van de eiseres II
- De middelen voeren schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR, de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: het arrest beveelt lastens de eisers I, II en III de bijzondere verbeurdverklaring van de geraamde geldwaarde van de opbrengsten van de cannabisplantages als vermogensvoordeel verkregen uit de lastens hen bewezen verklaarde misdrijven; het louter telen van cannabisplanten brengt geen vermogensvoordeel met zich mee; het is pas vanaf het moment dat deze planten worden geoogst en verkocht dat er sprake kan zijn van enig vermogensvoordeel, vermits er op dat moment pas sprake kan zijn van enige “winst”; alle voorgaande en voorbereidende handelingen leveren dergelijke “winst” niet op; in casu blijkt niet uit het strafdossier als zou er enige oogst of verkoop zijn geweest; de eisers I, II en III worden ook niet vervolgd voor bezit of verkoop van cannabis; het arrest brengt het lastens de eiseres II verbeurdverklaarde bedrag niet in verband met enige vergoeding die zij zou hebben genoten voor haar aandeel dat louter bestond in het zoeken naar geschikte panden; de berekening van het vermogensvoordeel is louter theoretisch; de bewezen feitelijke elementen van de zaak stemmen niet overeen met het door het arrest bepaalde vermogensvoordeel; het arrest miskent de bewijskracht van het strafdossier, waarin geen enkele aanwijzing van een effectieve verkoop terug te vinden is.
- In zoverre de middelen schending aanvoeren van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld, zonder te preciseren hoe en waarom het arrest die bepalingen schendt of dat algemeen rechtsbeginsel miskent, zijn zij onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- In zoverre de middelen, al dan niet onder het voorwendsel van een beweerde miskenning van de bewijskracht van akten, verplichten tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, zijn zij evenmin ontvankelijk.
- De verbeurdverklaring van het vermogensvoordeel dat de dader van de teelt van cannabis heeft verkregen, vereist niet dat die dader ook wordt vervolgd voor het bezit of de verkoop van de uit die teelt verkregen oogst, noch dat de rechter vaststelt dat die oogst is verkocht. In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen zij naar recht.
- Met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 27-30) en derhalve de in dat vonnis bijgetreden politionele vaststellingen en berekeningen, bepaalt het arrest het door elke beklaagde verkregen wederrechtelijke vermogensvoordeel per plantage waarvan de verbalisanten hebben vastgesteld dat zij reeds oogst had opgebracht. Het betreft de plantages vermeld in de telastleggingen A.3/B.3 (één oogst ten aanzien van de eisers I, II en III), A.4/B.4 (één oogst ten aanzien van de eisers I en II), A.6/B.6 (drie oogsten ten aanzien van de eisers I en II) en A.7/B.7 (één oogst ten aanzien van de eisers I en II), waarbij de opbrengst van elke oogst per plantage wordt bepaald op het aantal ontdekte planten, vermenigvuldigd met de opbrengst per plant en de prijs per gram cannabis. Met die berekening, die niet louter theoretisch is maar steunt op de vastgestelde feiten getoetst aan proefondervindelijke gegevens, verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing waarmee zij het bedrag bepalen van de vermogensvoordelen die door de eisers I, II en III zijn verkregen uit elke vermelde plantage. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen.
- Het arrest neemt de volgende redenen over van het beroepen vonnis (p. 27-30): “De rechtbank meent dat dergelijke feiten van grootschalige, industriële cannabisteelt in het kader van een vereniging uitsluitend gepleegd worden met het oog op de verdere verkoop en dus het genereren van illegale vermogensvoordelen in hoofde van eenieder binnen deze vereniging, zodat iedere deelnemer aan deze vereniging ook deelt in de illegaal gegenereerde opbrengsten. Het is niet omdat iemand enkel een bijdrage levert aan de cannabisteelt dat deze persoon geen vermogensvoordeel zou halen uit de navolgende verkoop van deze cannabis door andere leden van de vereniging. Binnen een dergelijke vereniging deelt iedereen immers in de winst en dit al naargelang eenieders specifieke bijdrage. (…) De rechtbank houdt rekening met de ernst van de feiten en met de omstandigheid dat de feiten van cannabisteelt in het kader van een vereniging uitsluitend zijn ingegeven door georganiseerd en illegaal geldgewin.” Vervolgens berekent het arrest in welke mate elke beklaagde heeft gedeeld in de opbrengst van elke vermelde plantage, rekening houdend met de mate van ieders betrokkenheid en specifieke rol zoals die uit het onderzoek blijken. Aldus brengt het arrest het lastens de eiseres II verbeurdverklaarde vermogensvoordeel wel degelijk in verband met haar aandeel in de feiten en verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel van de eiseres II niet worden aangenomen. Vijfde middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt onvoldoende het verweer dat de eiser in zijn appelconclusie heeft aangevoerd; de loutere verwijzing naar de als pertinent beschouwde redenen van het beroepen vonnis volstaat niet.
- De appelrechter kan voldoen aan de motiveringsverplichtingen die krachtens de vermelde artikelen op hem rusten door een ondubbelzinnige overname van de redenen van het beroepen vonnis. Door die overname maakt de appelrechter zich deze redenen eigen en geeft hij te kennen dat ze pertinent blijven om ook het in hoger beroep gevoerde verweer te beantwoorden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige preciseert het middel niet welk niet of onvoldoende beantwoord verweer de eiser I in hoger beroep heeft aangevoerd. In zoverre is het middel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. Zesde middel van de eisers I en II Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: uit het arrest blijkt niet waarom het de eisers I en II schuldig verklaart aan de feiten van de telastleggingen A.3/B.3 (Tessenderlo, teelt cannabis), C.3 (Tessenderlo, diefstal elektriciteit) en F.3 (Tessenderlo, beschadiging andermans onroerende eigendom); er wordt geen rechtstreekse positieve daad van de eisers I en II beschreven; die eisers hebben geen uitstaan met de plantage te Tessenderlo en dat blijkt ook niet uit dossiergegevens of de redenen van het arrest; bijgevolg is de motivering van het arrest onwettig, minstens kan het Hof zijn wettigheidstoezicht niet uitoefenen.
- Met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 17-21), oordeelt het arrest onder meer als volgt: - in de gsm van de eiser I trof de politie rechtstreekse verwijzingen aan naar een woning in Diest, zoals foto's van de garage/loods en een document dat verwees naar de huur van het pand door (…); - enkele dagen daarvoor had de eigenaar van de woning, de verweerder I-II.4, de politiediensten verwittigd van een vermoeden van drugteelt in het pand. Hij verhuurde het pand sinds 1 december 2017 aan (…); - bij een huiszoeking werd vervolgens in de loods een quasi volautomatische en operationele cannabisplantage aangetroffen; - na de ontdekking van de plantage in Diest verklaarde de dochter van de verweerder I-II.4 dat zij vermoedde dat er in haar huurwoning in Tessenderlo iets gelijkaardigs aan de hand was. De beide woningen werden in dezelfde periode verhuurd. Het pand in Tessenderlo verhuurde zij met ingang van 1 oktober 2017 aan de oorspronkelijke achtste beklaagde. Vervolgens kreeg ze telefoon van een vrouw die zei dat ze het nummer had gekregen via de oorspronkelijke achtste beklaagde. Deze vrouw kwam nadien samen met (…) naar de woning van haar vader in Diest kijken. De verweerster I-II.8 herkende de eiser I en de eiseres II als zijnde (…) en diens vriendin; - bij een huiszoeking in de woning te Tessenderlo werd op de eerste verdieping een operationele plantage aangetroffen; - in het gsm-toestel van de eiseres II werden in de applicatie Whatsapp berichten aangetroffen met oplijstingen van woningen die te huur stonden. Het adres in Tessenderlo werd hierbij meermaals vermeld. Het telefonieonderzoek bevestigt de aanwezigheid van de eiser III onder de zendmast van de plaats van de feiten. Met die redenen oordeelt het arrest dat de positieve daad van de eisers I en II voor wat betreft de telastleggingen A.3/B.3, C.3 en F.3 alleszins bestaat in hun actieve tussenkomst bij het sluiten van de huurovereenkomst voor het pand te Tessenderlo, die het arrest onaantastbaar afleidt uit de soortgelijke tussenkomst die de eisers I en II hebben geleverd bij het sluiten van de huurovereenkomst voor het pand te Diest. Aldus is de beslissing begrijpelijk voor de eisers I en II en de samenleving, kan het Hof zijn wettigheidscontrole op de beslissing uitoefenen, is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en is zij naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld: het arrest stelt de schuld van de eisers I en II aan de telastleggingen A.3/B.3, C.3 en F.3 vast in zeer algemene en gestandaardiseerde bewoordingen en het draait de facto de bewijslast op een ongeoorloofde wijze om.
- Het vermoeden van onschuld zoals gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM en door artikel 14.2 IVBPR wordt niet miskend door de rechter die uit de hem overgelegde en aan tegenspraak onderworpen feitelijke gegevens waarvan hij de bewijswaarde vrij beoordeelt, met opgave van redenen afleidt dat een beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde misdrijf. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel stelt het arrest de schuld van de eisers I en II aan de telastleggingen A.3/B.3, C.3 en F.3 niet op een algemene of gestandaardiseerde wijze vast noch keert het de bewijslast om, maar beoordeelt het onaantastbaar de door het strafonderzoek opgeleverde gegevens. In zoverre mist het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde middel van de eiseres II
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering: enerzijds oordeelt het arrest dat de eiseres II en het openbaar ministerie op de rechtszitting van 29 maart 2023 afstand hebben gedaan van hun grieven met betrekking tot de telastleggingen C.1, C.2, C.4 tot C.7, F.1, F.2 en F.4 tot F.7; anderzijds oordeelt het arrest, met verwijzing naar de redenen van het beroepen vonnis, dat de telastleggingen B.1 tot B.7, C.1 tot C.7 en F.1 tot F.7 lastens de eiseres II bewezen zijn gebleven; een rechterlijke beslissing moet minstens een eigen redengeving bevatten, waarin alle elementen in feite en in rechte worden weergegeven die de overtuiging van de rechter hebben bepaald, die het dictum verantwoorden en die het wettigheidstoezicht van het Hof mogelijk maken; een rechter kan zich niet zomaar ertoe beperken te verwijzen naar redenen die in een andere beslissing voorkomen zonder duidelijk aan te geven wat daarin als motieven wordt beschouwd en deze motieven, zo nodig gedeeltelijk, te citeren; minstens moet de rechter de voornaamste redenen vermelden waarom de telastlegging al dan niet bewezen is; de eiseres II heeft nooit afstand gedaan van haar grieven met betrekking tot de telastleggingen C.1, C.2, C.4 tot C.7, F.1, F.2 en F.4 tot F.7; dat blijkt ook nergens uit; ook blijkt uit niets dat de appelrechters de schuld van de eiseres II aan die telastleggingen hebben onderzocht; dat blijkt niet uit de loutere overname van de redenen van het beroepen vonnis; het arrest dat tegelijk de afstand van het hoger beroep van de eiseres II voor bepaalde feiten vaststelt en haar vervolgens schuldig verklaart aan die feiten, is bovendien tegenstrijdig, minstens dubbelzinnig gemotiveerd.
- De appelrechter kan voldoen aan de motiveringsverplichtingen die krachtens de als geschonden aangewezen bepalingen op hem rusten door een ondubbelzinnige overname van de redenen van het beroepen vonnis. Die bepalingen vereisen niet dat hij die redenen herhaalt, dat hij de inhoud ervan samenvat of dat hij uitdrukkelijk de overgenomen redenen op hun waarde beoordeelt. De ondubbelzinnige overname van de redenen van een beroepen vonnis houdt immers in dat de appelrechter die redenen op hun waarde heeft getoetst en ze tot de zijne maakt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel dubbelzinnigheid in de motivering van het arrest aanvoert zonder te preciseren in welke lezing het arrest wettig is en in welke lezing het onwettig is, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Het arrest (p. 37-39) beoordeelt de schuld van de eiseres II aan de telastleggingen B.1 tot B.7, C.1 tot C.7 en F.1 tot F.7 door voor elk van die telastleggingen op gelijke wijze te verwijzen naar de specifieke redenen van het beroepen vonnis die het telkens als pertinent beoordeelt. Daaruit, alsmede uit de opsomming van het geheel van de telastleggingen waaraan de appelrechters de eiseres II schuldig verklaren, blijkt dat zij ongeacht de betwiste afstand wel degelijk de schuld van de eiseres II aan alle vermelde telastleggingen integraal opnieuw hebben onderzocht. Aldus kan de aangevoerde onwettigheid met betrekking tot de in het arrest geacteerde afstand de eiseres II niet grieven. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang eveneens niet ontvankelijk.
- De aangevoerde tegenstrijdigheid in de motivering van het arrest is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk. Vijfde middel van de eiseres II
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld: het arrest dat geen eigen redengeving bevat en louter naar de redenen van het beroepen vonnis verwijst, is niet regelmatig gemotiveerd; het arrest oordeelt dat de eiseres II zich ontfermde over de zoektocht naar geschikte huurpanden in België, aangestuurd door de eiser I, hierbij systematisch gebruik makend van valse identiteiten en papieren en dat zij ook de huurachterstallen betaalde, om daaruit te besluiten dat zij kennis had van het hele systeem en dus ook van de diefstal van elektriciteit en de beschadigingen; dit houdt een kennelijk onredelijk en willekeurig motief in; die feiten maken geen bewijs uit van de constitutieve bestanddelen van de misdrijven diefstal van elektriciteit en het beschadigen van andermans onroerend goed (telastleggingen C.1 tot C.7 en F.1 tot F.7), waaraan het de eiseres II schuldig verklaart; een dergelijke motivering eerbiedigt het recht van verdediging niet en tast het vermoeden van onschuld aan.
- In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als de in het vierde middel van de eiseres II vergeefs aangevoerde onwettigheid in verband met de overname door het arrest van de redenen van het beroepen vonnis, kan het om dezelfde reden als vermeld in het antwoord op dat middel niet worden aangenomen.
- De eiseres is voor de haar ten laste gelegde feiten vervolgd als dader of mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek.
- Het arrest oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 11-12 en 21-22) oordeelt het ook: - de verschillende beklaagden moeten zich voor de strafrechtbank verantwoorden voor hun respectieve betrokkenheid als dader of mededader bij de teelt van cannabisplanten in het kader van een vereniging. In totaal gaat het om zeven cannabisplantages. Voor de eiser I is telkens in de verzwarende omstandigheid voorzien dat hij handelde als leidend persoon van de vereniging (telastleggingen A.1 tot A.7). Voor de overige beklaagden is de verzwarende omstandigheid van de deelneming aan de vereniging opgenomen (telastleggingen B.1 tot B.7). De eisers I en II zouden bij elk van de zeven plantages betrokken zijn. Voor de overige beklaagden gaat het om een wisselende betrokkenheid bij een of meerdere van deze plantages. De eisers I en II dienen zich ook te verantwoorden voor valsheid in geschriften en het gebruik van valse stukken, evenals voor het misdrijf van valse naamdracht. Alle beklaagden worden telkens per plantage ook vervolgd voor de diefstal van elektriciteit en/of water en voor de beschadigingen aan de woningen waarin de plantages werden ondergebracht; - de eiser I oefende bij alle plantages in België een leidende en controlerende rol uit; - de eiseres II speelde een cruciale rol in de georganiseerde zoektocht naar huurpanden in België met de uitsluitende bedoeling om er cannabisplantages in onder te brengen. Zij werd door de eiser I ingezet om actief naar geschikte woningen te zoeken, bij voorkeur met een garage en grote kelder. De eiseres II screende de woningen en maakte in haar zoektocht systematisch gebruik van een valse identiteit en van valse papieren. De eiseres II stelde lijsten op van de panden met een plantage en zorgde op die manier voor een overzicht, hetgeen de opvolging vergemakkelijkte. In opdracht van de eiser I werd zij ook belast met het betalen van de huurachterstallen. Ook in de verdere opvolging bleef zij dus een belangrijke rol vervullen. De eiseres II had kennis van het ganse systeem. Zij dient op basis hiervan verantwoordelijk gesteld te worden voor de diefstal van elektriciteit en/of water bij alle plantages. Hetzelfde geldt voor de beschadigingen die ten gevolge van de installatie en exploitatie van de plantage werden veroorzaakt aan elk van de betrokken panden; - de eiseres II werd aangestuurd door de eiser I en onderhield belangwekkende contacten met de eiser III en een andere oorspronkelijke medebeklaagde. Op grond van die redenen kan het arrest, gelet op de determinerende aard van de betrokkenheid van de eiseres II bij de vereniging die was gericht op de exploitatie van alle cannabisplantages, wettig en zonder te steunen op enige onredelijke of willekeurige reden oordelen dat de eiseres II in de zin van artikel 66, tweede lid, Strafwetboek rechtstreeks heeft meegewerkt aan de misdrijven die inherent samengaan met een dergelijke exploitatie, namelijk de diefstal van elektriciteit of water en de beschadiging van andermans onroerende eigendommen. Aldus is de beslissing tot schuldigverklaring van de eiseres II aan de telastleggingen C.1 tot C.7 en F.1 tot F.7 regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel miskenning aanvoert van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld, is het afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk. Vijfde middel van de eiser III
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de eiser niet schuldig aan de telastlegging B.1 (plantage Diest), maar verklaart hem op grond van soortgelijke gegevens wel schuldig aan de telastleggingen B.2 en B.3; daardoor is het arrest tegenstrijdig, dan wel dubbelzinnig gemotiveerd, is het alleszins onjuist gemotiveerd en verantwoordt het de beslissing aldus niet naar recht.
- Onder het voorwendsel van beweerde onwettigheden of motiveringsgebreken komt het middel in zijn geheel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Zesde middel van de eiser III
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR, de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 8.29 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het begrip “feitelijk vermoeden” in strafzaken: het arrest miskent het begrip feitelijk vermoeden door enerzijds de opgesomde vermoedens op blz. 45 tot 47 als ernstige vermoedens van de schuld van de eiser III aan te nemen voor de telastleggingen B.2 en B.3 en anderzijds deze niet als voldoende zwaarwichtige vermoedens te beschouwen bij de beoordeling van de telastlegging B.I, waarbij de eiser III werd vrijgesproken; deze motivering is tegenstrijdig en kan niet worden bijgetreden.
- Artikel 8.29 Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op het bewijs in strafzaken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 408,72 euro, waarvan op elk cassatieberoep 136,24 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 21 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div