← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.10 Rolnummer: P.23.1463.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-11-27 Raadplegingen: 753 - laatst gezien 2026-06-15 06:00 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Het staat aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij die moet oordelen over het verder beheer van de internering overeenkomstig de artikelen 47 tot en met 52 Interneringswet, te beslissen of is voldaan is aan de in artikel 26 Interneringswet bepaalde wettelijke voorwaarden om aan een geïnterneerde een uitvoeringsmodaliteit toe te kennen zoals een invrijheidstelling op proef en zij oordeelt onaantastbaar over de aanwezigheid van de in artikel 26 Interneringswet bepaalde tegenaanwijzingen zoals het risico dat de geïnterneerde strafbare feiten zou plegen, die de toekenning van een uitvoeringsmodaliteit beletten en is bij die beoordeling niet gebonden door de aanvoeringen van de geïnterneerde en zijn raadsman en de adviezen die in het kader van de procedure van het verder beheer van de internering worden verstrekt; indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij vaststelt dat er een wettelijk bepaalde tegenaanwijzing bestaat voor de toekenning van de uitvoeringsmodaliteit van de invrijheidstelling op proef, kan zij die modaliteit niet toekennen en noch het gegeven dat de geïnterneerde langdurig verblijft in een afdeling ter bescherming van de maatschappij, in afwachting van zijn plaatsing in een FPC, die volgens de kamer voor de bescherming van de maatschappij de instelling is waar hij gepaste zorg kan ontvangen, noch het gegeven dat de Belgische Staat heeft erkend aansprakelijk te zijn voor een verblijf in een instelling waar niet de gepaste zorg aan de geïnterneerde wordt verstrekt, laten toe anders te oordelen

(1).
(1)H. HEIMANS en T. VANDER BEKEN, “De nieuwe interneringswet van 5 mei 2014” in J. CASSELMAN, R. DE RYCKE en H. HEIMANS (eds.), Internering. Nieuwe interneringswet en organisatie van de zorg, Brugge, Die Keure, 2015, 49-110; H. HEIMANS, T. VANDER BEKEN en A.E. SCHIPAANBOORD, “Eindelijk een echte nieuwe en goede wet op de internering? “Deel 1: De gerechtelijke fase”, RW 2014-15, 1043-1064, “Deel 2: De uitvoeringsfase”, RW 2015-2016, 42-62, “Deel 3: De reparatie”, RW 2016-2017, 603-
  1. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 26 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 47 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 48 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 49 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 50 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 51 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 52 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - UITVOERINGSMODALITEITEN INTERNERING Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 26 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 47 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 48 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 49 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 50 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 51 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 52 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1463.N G. G.-J. V., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Nelson Vanlocke, advocaat bij de balie Gent, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, kamer voor de bescherming van de maatschappij, afdeling Gent, van 16 oktober
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Artikel 78 Interneringswet bepaalt op limitatieve wijze de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij waartegen cassatieberoep kan worden ingesteld. De beslissingen betreffende het verzoek om uitgaansvergunningen worden daarbij niet vermeld. In zoverre het cassatieberoep is gericht tegen de afwijzing van het verzoek om uitgaansvergunningen, is het niet ontvankelijk. Middelen
  4. Het eerste middel voert schending aan van de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 2°, Grondwet en artikel 2 Interneringswet: aan de eiser, die sinds 17 januari 2022 is geïnterneerd, wordt geen gepaste zorg verleend; de Belgische Staat heeft zijn aansprakelijkheid daarvoor erkend en een minnelijke regeling aangeboden voor de periode tot 8 augustus 2023; het verderzetten van de internering binnen de gevangenismuren ontzegt eisers door artikel 2 Interneringswet gewaarborgde recht op zorg; het vonnis laat de eiser niet toe om zich te oriënteren richting Fides Beernem en door middel van medische uitgaansvergunningen op intakegesprek te gaan; de wachtlijsten voor de forensische psychiatrische centra (FPC) geven hem slechts op zeer lange termijn een perspectief op behandeling, waardoor een oriëntering naar een FPC een louter theoretische oplossing is. Het tweede middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de motiveringsplicht: het vonnis weigert af te stappen van de beslissing die met een eerder vonnis van plaatsing is genomen om de eiser te laten opnemen in een high risk-voorziening van het FPC in plaats van zoals door hem wordt voorgesteld een residentiële behandeling uit te werken; dit oordeel is strijdig met alle verslagen en adviezen; het vonnis verwijst enkel naar het recidiveprofiel van de eiser, terwijl de eiser in zijn conclusie, in een handgeschreven brief en in het pleidooi op de rechtszitting heeft aangevoerd dat het gevaar voor recidive is geweken; het vonnis antwoordt niet op dat verweer. Het derde middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 8 EVRM, de artikelen 10, 11, 13 en 149 Grondwet, artikel 5 Gerechtelijk Wetboek en artikel 53 Interneringswet: er is laattijdig geoordeeld over het verzoek van de directeur om uitgaansvergunningen; er is ten onrechte geoordeeld dat er geen hoogdringendheid is; dit doet op een ontoelaatbare manier afbreuk aan het recht op toegang tot de rechter en impliceert rechtsweigering.
  5. In zoverre het eerste en derde middel gericht zijn tegen de weigering uitgaansvergunningen toe te kennen en dus tegen een beslissing waartegen eisers cassatieberoep niet ontvankelijk is, behoeven ze geen antwoord.
  6. Het eerste middel verduidelijkt niet op welke wijze het vonnis de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt. In zoverre is het eerste middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  7. In zoverre het eerste middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  8. Artikel 6.1 EVRM is niet van toepassing op de kamer voor de bescherming van de maatschappij die uitspraak doet over de wijze waarop een interneringsbeslissing verder moet worden uitgevoerd.
  9. Het staat aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij die moet oordelen over het verder beheer van de internering overeenkomstig de artikelen 47 tot en met 52 Interneringswet, te beslissen of is voldaan is aan de in artikel 26 Interneringswet bepaalde wettelijke voorwaarden om aan een geïnterneerde een uitvoeringsmodaliteit toe te kennen zoals een invrijheidstelling op proef.
  10. De kamer voor de bescherming van de maatschappij oordeelt onaantastbaar over de aanwezigheid van de in artikel 26 Interneringswet bepaalde tegenaanwijzingen zoals het risico dat de geïnterneerde strafbare feiten zou plegen, die de toekenning van een uitvoeringsmodaliteit beletten. Zij is bij die beoordeling niet gebonden door de aanvoeringen van de geïnterneerde en zijn raadsman en de adviezen die in het kader van de procedure van het verder beheer van de internering worden verstrekt.
  11. Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij vaststelt dat er een wettelijk bepaalde tegenaanwijzing bestaat voor de toekenning van de uitvoeringsmodaliteit van de invrijheidstelling op proef, kan zij die modaliteit niet toekennen. Noch het gegeven dat de geïnterneerde langdurig verblijft in een afdeling ter bescherming van de maatschappij, in afwachting van zijn plaatsing in een FPC, die volgens de kamer voor de bescherming van de maatschappij de instelling is waar hij gepaste zorg kan ontvangen, noch het gegeven dat de Belgische Staat heeft erkend aansprakelijk te zijn voor een verblijf in een instelling waar niet de gepaste zorg aan de geïnterneerde wordt verstrekt, laten toe anders te oordelen.
  12. In zoverre het eerste en het tweede middel uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  13. Het vonnis oordeelt onder meer als volgt: - reeds in het vonnis van 22 juni 2022 werd aangegeven dat de eiser zich bevindt in de groep van plegers met het hoogste hervalrisico en dat gelet op het high risk- profiel met een zeer groot risico op herval in nieuwe seksuele feiten wordt niet ingestemd met het voorstel tot uitwerking van een residentiële behandeling, maar wordt beslist tot plaatsing in een high risk-voorziening, namelijk het FPC Gent of Antwerpen en in afwachting daarvan in de afdeling ter bescherming van de maatschappij; - gezien de eiser herviel in seksuele delicten na een residentiële behandeling blijft de rechtbank bij die beslissing; - het risico op herval in nieuwe seksuele delicten moet worden uitgesloten, minstens beperkt tot een absoluut minimum; - indien de behandeling plaatsvindt in een residentieel centrum, geschiedt dat in de vorm van een invrijheidstelling op proef, waardoor de eiser voor hij wordt behandeld voor een hardnekkige seksuele problematiek opnieuw deel zal uitmaken van de samenleving, met een groot risico op het plegen van nieuwe feiten tot gevolg, wat blijkt uit de eerdere recidive.
  14. In zoverre het tweede middel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling van het recidivegevaar door de kamer voor de bescherming van de maatschappij, is het niet ontvankelijk.
  15. Met die redenen beantwoordt en verwerpt het vonnis eisers betwisting over het bestaan van recidivegevaar. In zoverre mist het tweede middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 21 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.