← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.16 Rolnummer: P.23.1551.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2023-11-27 Raadplegingen: 820 - laatst gezien 2026-06-19 00:24 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 5 Bij de beoordeling of de voorlopige hechtenis van een inverdenkinggestelde moet worden gehandhaafd, betrekt het onderzoeksgerecht dat zich daarover moet uitspreken, noodzakelijkerwijze de feiten waarvoor een bevel tot aanhouding is verleend maar het mag daarbij wat betreft die feiten enkel aannemen dat er lastens de inverdenkinggestelde ernstige aanwijzingen van schuld zijn en dus niet vaststellen dat zijn schuld aan die feiten vaststaat; enkel in dat laatste geval ligt een schending voor van artikel 6.2 EVRM en een miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld en dat de in de beslissing van het onderzoeksgerecht gebruikte bewoordingen bij een inverdenkinggestelde een bepaald gevoel teweegbrengen, is daarvoor niet bepalend. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 6 - 7 Artikel 16, § 3, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat het bevel tot aanhouding dadelijk na de eerste ondervraging van de verdachte door de onderzoeksrechter wordt verleend, tenzij de rechter onderzoeksmaatregelen treft om een gegeven van de ondervraging te controleren terwijl de verdachte te zijner beschikking blijft; uit die bepaling volgt enkel het vereiste dat, in het geval de onderzoeksrechter na diens ondervraging beslist de inverdenkinggestelde aan te houden, er zich geen enkel tijdsverloop voordoet tussen het tijdstip van het einde van dat verhoor en het tijdstip waarop het bevel tot aanhouding wordt verleend maar die bepaling verzet zich niet ertegen dat de onderzoeksrechter de inverdenkinggestelde bij afloop van het verhoor reeds meedeelt dat tegen hem een bevel tot aanhouding zal worden verleend, noch dat die mededeling wordt vermeld in het proces-verbaal van verhoor. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2, eerste lid, en § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2, eerste lid, en § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1551.N N. D. A., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Jesse Van den Broeck en mr. Alexander Van Heeschvelde, advocaten bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 9 november 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld: met het van het openbaar ministerie overgenomen oordeel bij de handhaving van eisers voorlopige hechtenis dat het ingevolge zijn strafregister en een veroordelend vonnis dat nog geen kracht van gewijsde heeft verkregen, “op heden duidelijk mag zijn dat [de eiser] geen lessen heeft willen of kunnen trekken uit zijn eerdere aanrakingen met justitie en politie”, geeft het arrest de eiser het gevoel dat hij schuldig is aan het feit waarvoor hij is aangehouden en miskent de beslissing het vermoeden van onschuld. 2. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het middel aanhaalt, maar het stelt ook vast dat niettegenstaande zijn jeugdige leeftijd uit eisers strafregister blijkt dat hij: - reeds bij beslissing van 19 september 2018 onder toezicht van de jeugdrechtbank werd gesteld wegens feiten van diefstal met geweld met verzwarende omstandigheden en opzettelijke slagen of verwondingen met arbeidsongeschiktheid tot gevolg; - op 6 mei 2021 bij verstek werd veroordeeld wegens rijden zonder geldig rijbewijs en diverse overtredingen van het Wegverkeersreglement. Vervolgens oordeelt het arrest dat de eiser niet over een zinvolle dagbesteding lijkt te beschikken en eerdere voorwaarden aan zijn laars lijkt te lappen. In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 3. Bij de beoordeling of de voorlopige hechtenis van een inverdenkinggestelde moet worden gehandhaafd, betrekt het onderzoeksgerecht dat zich daarover moet uitspreken, noodzakelijkerwijze de feiten waarvoor een bevel tot aanhouding is verleend. Het mag daarbij wat betreft die feiten enkel aannemen dat er lastens de inverdenkinggestelde ernstige aanwijzingen van schuld zijn en dus niet vaststellen dat zijn schuld aan die feiten vaststaat. Enkel in dat laatste geval ligt een schending voor van artikel 6.2 EVRM en een miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld. Dat de in de beslissing van het onderzoeksgerecht gebruikte bewoordingen bij een inverdenkinggestelde een bepaald gevoel teweegbrengen, is daarvoor niet bepalend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 4. Met de bekritiseerde reden oordeelt het arrest niet dat de eiser schuldig is aan het feit van diefstal met geweld met verzwarende omstandigheden waarvoor het bevel tot aanhouding is verleend, maar stelt het bij de beoordeling of de handhaving van eisers voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid en of er sprake is van recidivegevaar, enkel vast dat hij reeds eerder met justitie en politie in aanraking is geweest en dat dit opnieuw het geval is. Aldus miskent het arrest niet het vermoeden van onschuld en is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 5. Het middel voert schending aan van de artikelen 8.1, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 16, 23, 4°, en 30 Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat tegen de eiser nog geen bevel tot aanhouding werd verleend op het ogenblik dat de onderzoeksrechter zijn ondervraging heeft afgesloten; het proces-verbaal van verhoor vermeldt immers uitdrukkelijk dat de eiser vernam dat hij onder bevel tot aanhouding werd geplaatst, waarna het werd afgesloten om 14.25 uur; doordat de eiser aldus nog tijdens zijn ondervraging onder aanhoudingsmandaat werd geplaatst in plaats van achteraf, is de beslissing niet naar recht verantwoord; met het voormelde oordeel miskent het arrest bovendien de bewijskracht van het proces-verbaal van verhoor en laat het na eisers daarover in appelconclusie aangevoerde verweer te beantwoorden. 6. Artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat tenzij de verdachte voortvluchtig is of zich verbergt, de onderzoeksrechter alvorens een bevel tot aanhouding te verlenen, hem moet ondervragen over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding en zijn opmerkingen moet horen. Bij afwezigheid van deze ondervraging wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld. 7. Die ondervraging, die de onderzoeksrechter zelf moet afnemen en dus niet kan delegeren, heeft tot doel hem in te lichten over het standpunt van de inverdenkinggestelde betreffende de hem verweten feiten zodat zijn recht van verdediging is gewaarborgd. 8. Artikel 16, § 3, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat het bevel tot aanhouding dadelijk na de eerste ondervraging van de verdachte door de onderzoeksrechter wordt verleend, tenzij de rechter onderzoeksmaatregelen treft om een gegeven van de ondervraging te controleren terwijl de verdachte te zijner beschikking blijft. 9. Uit die bepaling volgt enkel het vereiste dat, in het geval de onderzoeksrechter na diens ondervraging beslist de inverdenkinggestelde aan te houden, er zich geen enkel tijdsverloop voordoet tussen het tijdstip van het einde van dat verhoor en het tijdstip waarop het bevel tot aanhouding wordt verleend. Die bepaling verzet zich niet ertegen dat de onderzoeksrechter de inverdenkinggestelde bij afloop van het verhoor reeds meedeelt dat tegen hem een bevel tot aanhouding zal worden verleend, noch dat die mededeling wordt vermeld in het proces-verbaal van verhoor. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 10. Het arrest stelt vast dat: - het proces-verbaal van verhoor van de eiser door de onderzoeksrechter, waarbij de eiser en zijn raadsman opmerkingen konden maken en ook hebben gemaakt over een eventuele aanhouding, werd afgesloten om 14.25 uur; - het bevel tot aanhouding van de eiser door de onderzoeksrechter werd verleend om 14.28 uur en aan de eiser werd betekend om 14.30 uur. 11. Op grond van die vaststellingen oordeelt het arrest (p. 6-7) dat nog geen bevel tot aanhouding was verleend op het ogenblik van het afsluiten van het verhoor en dat de mededeling op het proces-verbaal van verhoor door de onderzoeksrechter dat de eiser verneemt dat hij onder bevel tot aanhouding wordt geplaatst, in die zin moet worden begrepen. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht en beantwoordt het arrest het in het middel bedoelde verweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 12. Voor het overige is het middel afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 21 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.16 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.