← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.9 Rolnummer: P.23.1465.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-11-27 Raadplegingen: 956 - laatst gezien 2026-06-16 11:50 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Uit de bepaling van artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering volgt dat de strafuitvoeringsrechtbank een verzoek tot toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit van voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied die aan de vorm- en tijdsvoorwaarden voldoet, slechts kan afwijzen indien zij ondubbelzinnig het bestaan vaststelt van één of meerdere tegenaanwijzingen, zonder dat zij daarbij de letterlijke bewoordingen van artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering moet gebruiken maar wel de feitelijke elementen dient te vermelden op grond waarvan zij tot het bestaan van één of meerdere van de tegenaanwijzingen besluit; uit artikel 149 Grondwet of uit artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering volgt niet de verplichting voor de strafuitvoeringsrechtbank die oordeelt dat een of meerdere van de wettelijk bepaalde tegenaanwijzingen bestaan, om opgave te doen van de bijzondere voorwaarden die aan die tegenaanwijzing of tegenaanwijzingen zouden kunnen tegemoet komen, behoudens bij daartoe strekkende conclusie; ingeval van een daartoe strekkende conclusie, verplicht geen enkele bepaling de strafuitvoeringsrechtbank het oordeel dat de voorgestelde bijzondere voorwaarden niet volstaan om aan de tegenaanwijzing of tegenaanwijzingen te verhelpen, afzonderlijk te motiveren en die motieven kunnen blijken uit de redenen die de strafuitvoeringsrechtbank in aanmerking neemt op de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit af te wijzen

(1).
(1)Cass. 30 november 2021, AR P.21.1398.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211130.2N.18, AC 2021, nr. 760; Cass. 9 maart 2021, AR P.21.0225.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.12, AC 2021, nr. 173; Cass. 5 januari 2021, AR P.20.1271.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.7, AC 2021, nr. 4; Cass. 27 oktober 2020, AR P.20.0996.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.13, AC 2020, nr. 665; Cass. 29 september 2020, AR P.20.0918.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200929.2N.10, AC 2020, nr.
  1. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1465.N T. P. D. B., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Laura Otte, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 16 oktober
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering: het vonnis omkleedt de afwijzing van eisers verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied niet regelmatig met redenen; een dergelijke afwijzing is enkel regelmatig met redenen omkleed, indien de strafuitvoeringsrechtbank vaststelt dat er tegenaanwijzingen bestaan die betrekking hebben op één of meerdere van de in artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering vermelde gronden, de van toepassing zijnde gronden uitdrukkelijk worden vermeld en uitdrukkelijk wordt vermeld waarom aan deze tegenaanwijzingen niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; het vonnis oordeelt dat gelet op eisers gerechtelijk verleden en zijn persoonlijkheid in samenhang met de drugproblematiek een verhoogd risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten wordt aangenomen, alsook dat de geleverde inspanningen wat betreft de afbetaling van de burgerlijke partijen ondermaats zijn; voor zover het vonnis daarmee uitdrukkelijk vaststelt dat er tegenaanwijzingen zijn die betrekking hebben op één of meerdere van de in artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering vermelde gronden en daarmee die gronden uitdrukkelijk vermeldt, motiveert het vonnis niet waarom aan deze tegenaanwijzingen niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden zoals die werden voorgesteld op de rechtszitting van 3 oktober 2023; zo motiveert het vonnis niet waarom de voorgestelde drugbegeleiding noch de voorgestelde verdere afbetaling van de burgerlijke partijen als bijzondere voorwaarden niet tegemoet kunnen komen aan de vermelde tegenaanwijzingen.
  4. Volgens artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering kan aan de veroordeelde de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied worden toegekend voor zover er bij hem geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op: het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten (2°); het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen (3°); de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partijen te vergoeden, rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij werd veroordeeld (4°).
  5. De strafuitvoeringsrechtbank kan een verzoek om de vermelde strafuitvoeringsmodaliteit die aan de vorm- en tijdsvoorwaarden voldoet, slechts afwijzen indien zij ondubbelzinnig het bestaan vaststelt van één of meerdere van deze tegenaanwijzingen, zonder dat zij daarbij de letterlijke bewoordingen van artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering moet gebruiken.
  6. De strafuitvoeringsrechtbank dient bovendien de feitelijke elementen te vermelden op grond waarvan zij tot het bestaan van één of meerdere van de tegenaanwijzingen besluit.
  7. Uit artikel 149 Grondwet of uit artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering volgt niet de verplichting voor de strafuitvoeringsrechtbank die oordeelt dat een of meerdere van de wettelijk bepaalde tegenaanwijzingen bestaan, om opgave te doen van de bijzondere voorwaarden die aan die tegenaanwijzing of tegenaanwijzingen zouden kunnen tegemoet komen, behoudens bij daartoe strekkende conclusie.
  8. Ingeval van een wel daartoe strekkende conclusie, verplicht geen enkele bepaling de strafuitvoeringsrechtbank het oordeel dat de voorgestelde bijzondere voorwaarden niet volstaan om aan de tegenaanwijzing of tegenaanwijzingen te verhelpen, afzonderlijk te motiveren. Die motieven kunnen blijken uit de redenen die de strafuitvoeringsrechtbank in aanmerking neemt om de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit af te wijzen.
  9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Het vonnis wijst de gevraagde uitvoeringsmodaliteit af gelet op het verhoogd risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten, rekening houdend met eisers gerechtelijk verleden en zijn persoonlijkheid in samenhang met de drugproblematiek, alsook het ondermaats zijn van de door de eiser geleverde inspanningen sinds zijn opsluiting om de burgerlijke partijen te vergoeden. Het steunt die beslissing op de volgende elementen: de eiser boet een gezamenlijke gevangenisstraf uit wegens diefstallen, al dan niet met braak, informaticabedrog, verboden wapens, inbreuken op de drugwetgeving en verkeersinbreuken, waarbij de feiten werden gepleegd onder invloed van een speedverslaving; de eiser neemt tegenover de feiten een minimaliserende en ontkennende houding aan; de vele veroordelingen van de eiser getuigen van een criminele antisociale ingesteldheid; de eiser houdt weinig rekening met de algemeen geldende waarden en normen; eerdere justitiële interventies hebben weinig invloed gehad op de eiser; de rechtbank gaat niet akkoord met eisers woonstkeuze in Aardenburg aangezien de eiser geen contacten mag onderhouden met (ex-)gedetineerden en negatief aangeschreven personen, de woning wordt gehuurd van een gedetineerde en de verhuurder is veroordeeld wegens huisjesmelkerij en oplichting, waardoor de eiser terug in de problemen kan komen, wat de rechtbank wil vermijden; zolang er geen toepassing wordt gemaakt van het kaderbesluit 947 gebeurt de opvolging door het Bureau Buitenland in Nederland bij het uitwerken van een reclasseringsplan enkel op vrijwillige basis; de eiser zou een drugbegeleiding willen volgen en gaan werken; zolang hij geen werk heeft gevonden, zou hij kunnen terugvallen op een uitkering; hoewel de eiser sinds juni 2020 in de gevangenis verblijft, is het nog maar recent, mogelijks in het licht van de rechtszitting van de strafuitvoeringsrechtbank, dat hij een aanvang nam met de vergoeding van de burgerlijke partijen; de eiser dient zijn inspanningen verder aan te tonen.
  11. Met het geheel van die redenen stelt het vonnis het bestaan vast van de door artikel 47, § 2, 2° en 4°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen, vermeldt het de feitelijke elementen waarop het dat oordeel steunt en motiveert het waarom de op de rechtszitting van 3 oktober 2023 door de eiser voorgestelde bijzondere voorwaarden niet volstaan om aan deze tegenaanwijzingen tegemoet te komen. Aldus is de afwijzing van eisers verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 21 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200929.2N.10 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.13 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.12 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211130.2N.18 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.