id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.11 Rolnummer: F.22.0034.N Zaak: D. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2023-12-18 Raadplegingen: 1199 - laatst gezien 2026-06-18 07:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.11 Fiche 1 Uit de samenhang van artikel 15, §§ 1 en 2, en artikel 19.A.1, tweede lid, Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag volgt dat België aan natuurlijke personen die verblijfhouder van België zijn en die dividenden ontvangen die hun bron in Frankrijk hebben en in Frankrijk een inhouding bij de bron werkelijk hebben ondergaan, op de belasting verschuldigd in België een vermindering met het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting moet verlenen waarvan het tarief minstens gelijk is aan 15 procent van het netto bedrag van de roerende inkomsten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen - 10-03-1964 - Art. 15 - 30 Link Justel databank 19640310-30 Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen - 10-03-1964 - Art. 19 - 30 Link Justel databank 19640310-30 Fiche 2 Artikel 19.A.1, tweede lid, Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag verplicht België tot het in mindering brengen van een minimum verrekenbaar bedrag aan forfaitaire buitenlandse belasting op de belasting verschuldigd in België, ongeacht de wijze van heffing van de in België verschuldigde belasting; aldus is België ook wanneer de belasting op roerende inkomsten en opbrengsten van Franse oorsprong die door verblijfhouders van België zijn verkregen, uitsluitend door middel van roerende voorheffing wordt geïnd, verplicht een minimum verrekenbaar bedrag aan forfaitaire buitenlandse belasting te verlenen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen - 10-03-1964 - Art. 19 - 30 Link Justel databank 19640310-30 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 313 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.22.0034.N 1. B.D., 2. C.V., eisers, met als raadslieden mr. Marc Baetens-Spetschinsky, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eisers woonplaats kiezen, en door mr. Olivier Querinjean en mr. Arnout Vaninbroukx, advocaten bij de balie te Brussel, beiden met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpsesteenweg 178, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de centrumdirecteur van het Centrum Particulieren Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 5 oktober 2021. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 23 oktober 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Artikel 15, § 1 en 2, van de Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, goedgekeurd door de wet van 14 april 1965 (hierna: het Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag) bepaalt: “1. Dividenden die hun bron in een overeenkomstsluitende Staat hebben en aan een verblijfhouder van de andere Staat worden betaald zijn in die andere Staat belastbaar. 2. Deze dividenden mogen evenwel, onder voorbehoud van de bepalingen van paragraaf 3, in de Overeenkomstsluitende Staat, waarvan de vennootschap die de dividenden betaalt verblijfhouder is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar de aldus geheven belasting mag niet hoger zijn dan:
- a)10% van het brutobedrag van de dividenden indien de genieter een vennootschap is, die ten minste 10% van het kapitaal van de uitdelende vennootschap sedert het begin van het laatste, voor de uitkering afgesloten, boekjaar van deze vennootschap in uitsluitende eigendom heeft;
- b)15% van het brutobedrag van de dividenden in andere gevallen. Deze paragraaf laat onverlet de belastingheffing van de vennootschap ter zake van de winsten waaruit de dividenden worden betaald”. 2. Artikel 19.A.1, eerste en tweede lid, Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag bepaalt: “Dubbele belasting wordt op de volgende wijze voorkomen: A. Met betrekking tot België: De inkomsten en opbrengsten uit roerende kapitalen ressorterend onder het in artikel 15, § 2 en 4, omschreven regime, die in Frankrijk werkelijk de inhouding bij de bron hebben ondergaan en die worden verkregen door vennootschappen, verblijfhouders van België, onderhevig uit dien hoofde aan de vennootschapsbelasting, worden, mits de roerende voorheffing wordt geïnd tegen het normale tarief op hun bedrag netto van Franse belasting, vrijgesteld van de vennootschapsbelasting en van de belasting bij de uitkering, onder voorwaarden bepaald bij de Belgische interne wetgeving. Voor de in vorenstaand lid bedoelde inkomsten en opbrengsten, die door andere verblijfhouders van België worden verkregen, alsmede voor de inkomsten en opbrengsten uit roerende kapitalen, die onder het in artikel 16, paragraaf 1, omschreven regime ressorteren en die in Frankrijk de inhouding bij de bron werkelijk hebben ondergaan, wordt de belasting in België verschuldigd op hun bedrag netto van Franse inhouding, verminderd, eensdeels, met de tegen het gewone tarief geïnde roerende voorheffing, en, anderdeels, met het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting dat onder de door de Belgische wetgeving vastgestelde voorwaarden aftrekbaar is, zonder dat bedoeld gedeelte minder dan 15% van het evenvermelde nettobedrag mag belopen”. 3. Uit de samenhang van artikel 15, § 1 en 2, en artikel 19.A.1, tweede lid, Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag volgt dat België aan natuurlijke personen die verblijfhouder van België zijn en die dividenden ontvangen die hun bron in Frankrijk hebben en in Frankrijk een inhouding bij de bron werkelijk hebben ondergaan, op de belasting verschuldigd in België een vermindering met het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting moet verlenen waarvan het tarief minstens gelijk is aan 15 procent van het netto bedrag van de roerende inkomsten. 4. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel inzake de primauteit van het internationale recht op het nationale recht, heeft het Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag voorrang op de bepalingen van het nationale recht. Hieruit volgt dat artikel 19.A.1, tweede lid, Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag België verplicht tot het in mindering brengen van een minimum verrekenbaar bedrag aan forfaitaire buitenlandse belasting op de belasting verschuldigd in België, ongeacht de wijze van heffing van de in België verschuldigde belasting. Aldus is België, ook wanneer de belasting op roerende inkomsten en opbrengsten van Franse oorsprong die door verblijfhouders in België zijn verkregen, uitsluitend door middel van roerende voorheffing wordt geïnd, verplicht een minimum verrekenbaar bedrag aan forfaitaire buitenlandse belasting te verlenen. 5. De appelrechter oordeelt dat: - “in hoofde van [de eerste eiser] de Belgische roerende voorheffing aan een tarief van 25% [werd] ingehouden en doorgestort” en “dit tarief werd bepaald overeenkomstig artikel 269 WIB92”; - de omstandigheid “dat er op het ogenblik van inhouding een teveel aan roerende voorheffing werd ingehouden, niet [wordt] aangetoond”; - “de relevante internrechtelijke bepalingen geen enkele mogelijkheid [voorzien] om op het ogenblik van opeisbaarheid van de roerende voorheffing het bedrag aan FBB met het bedrag van de roerende voorheffing te verrekenen”; - “de relevante artikelen uit het Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag hiertoe niet [verplichten]”; - “dit bedrag aan FBB had kunnen worden verrekend met het bedrag van de belasting bij vermelding van de dividenden in de aangifte in de personenbelasting, wat [de eerste eiser] niet heeft gedaan”; - “dit (keuze)systeem de uitoefening van de in het dubbelbelastingverdrag voorziene rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk [maakt]”; - “een schending van het Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag of het Verdrag van Wenen niet [wordt] aangetoond”; - “[de eisers] niet [aantonen] dat de roerende voorheffing geheel of gedeeltelijk ten onrechte werd ingehouden en doorgestort aan de Schatkist” en “op grond van artikel 313, tweede lid WIB92 de roerende voorheffing op de niet aangegeven inkomsten niet [kan] worden terugbetaald”. 6. De appelrechter die aldus de verrekening van het forfaitaire gedeelte van de buitenlandse belasting afhankelijk maakt van het vermelden van het roerend inkomen in de aangifte van de personenbelasting, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de vordering van de eisers afwijst als ongegrond wat betreft de aanslagjaren 2013 tot en met 2017 en oordeelt over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 23 november 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.11 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.11 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240621.1F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div