← België

BELGISCHE STAAT fod Financiën c. Wolters Kluwer Irela

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.7 Rolnummer: F.21.0088.N Zaak: BELGISCHE STAAT fod Financiën c. Wolters Kluwer Irela Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2023-12-18 Raadplegingen: 1089 - laatst gezien 2026-06-18 14:15 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.7 Fiche 1 Inzake inkomstenbelastingen mag het verzoekschrift in cassatie van de Belgische Staat door een ambtenaar van een belastingadministratie worden ondertekend en neergelegd, zonder dat hij daartoe enige andere opdracht dan die welke voortvloeit uit zijn eigen hoedanigheid dient te vermelden

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BELASTINGZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 703 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 379 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 Uit de wordingsgeschiedenis van artikel 37, derde lid, WIB92 blijkt dat het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting dat ingevolge die wetsbepaling bij het netto-inkomen van roerende goederen en kapitalen moet worden gevoegd, moet worden bepaald overeenkomstig de artikelen 286 en 287 WIB92
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 37 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 286 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 287 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 3 Artikel 24, paragraaf
(2), b), 2), DBV België-Australië, heeft uitsluitend betrekking op de verrekening van het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting en beïnvloedt aldus de vaststelling van de grondslag van die belasting niet; het in artikel 37, derde lid, WIB92 bedoelde forfaitair gedeelte wordt enkel door de regels van het nationaal recht beheerst
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 37 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 286 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 287 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en Australië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, ondertekend te Canberra op 13 oktober 1977 - 13-10-1977 - Art. 24 Tekst van de beslissing Nr. F.21.0088.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal van de algemene administratie fiscaliteit, Centrum Grote Ondernemingen Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 2, eiser, tegen WOLTERS KLUWER IRELAND SERVICES Ltd, vennootschap naar Iers recht, met zetel te Dublin 2 (Ierland), 43/49 Sir John Rogerson’s Quay, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0649.800.525, verweerster, met als raadslieden mr. Véronique De Brabanter en mr. Gilles Van Hulle, advocaten bij de balie te Brussel, beiden met kantoor te 1932 Sint-Stevens-Woluwe, Woluwedal 20, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen arresten van het hof van beroep te Antwerpen van 28 april 2020 en van 15 december
  1. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 23 oktober 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. De verweerster werpt een middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op: het cassatieberoep is niet ontvankelijk, aangezien de voorziening niet werd ondertekend door een orgaan van de Staat dat de bevoegdheid heeft om de Belgische Staat te kunnen vertegenwoordigen; de bevoegdheid van de adviseur-generaal van het centrum Grote Ondernemingen Antwerpen om de cassatievoorziening in te dienen namens de Belgische Staat wordt niet aangetoond en evenmin wordt aangetoond dat deze adviseur-generaal zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid rechtsgeldig aan de adviseur zou hebben gedelegeerd.
  3. Krachtens artikel 703, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek treden rechtspersonen in rechte op door tussenkomst van hun bevoegde organen.
  4. Krachtens artikel 379 WIB92 kan inzake de geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet, de verschijning in persoon in naam van de Staat gedaan worden door elke ambtenaar van de belastingadministratie. Uit deze wetsbepaling volgt dat de Belgische Staat in elke fase van een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet rechtsgeldig wordt vertegenwoordigd door een ambtenaar van de belastingadministratie. Bijgevolg mag inzake inkomstenbelastingen het verzoekschrift in cassatie van de Belgische Staat door een ambtenaar van een belastingadministratie worden ondertekend en neergelegd, zonder dat hij daartoe enige andere opdracht dan die welke voortvloeit uit zijn eigen hoedanigheid dient te vermelden.
  5. Het middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep kan niet worden aangenomen. Middel
  6. Krachtens artikel 24, paragraaf
(2), b), 2), van de overeenkomst tussen het Koninkrijk België en Australië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, hierna DBV België-Australië, wordt met betrekking tot interesten die belastbaar zijn overeenkomstig artikel 11, paragrafen
(2)tot
(6), het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting waarin de Belgische wetgeving voorziet onder de voorwaarden en volgens het tarief van die wetgeving verrekend met de Belgische belasting op die inkomsten, met dien verstande dat dit tarief niet lager is dan het tarief van de belasting die in Australië overeenkomstig artikel 10, paragraaf
(2), artikel 11, paragraaf
(2), of artikel 12, paragraaf
(2)mag worden geheven.
  1. Krachtens artikel 37, eerste lid, WIB92 worden, onverminderd de toepassing van de voorheffingen, inkomsten van onroerende goederen en van roerende goederen en kapitalen als beroepsinkomsten aangemerkt wanneer die goederen en kapitalen worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van de inkomsten. Krachtens artikel 37, derde lid, WIB92 omvatten de netto-inkomsten van die roerende goederen en kapitalen de werkelijke of fictieve roerende voorheffing, alsmede het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en, in voorkomend geval, de woonstaatheffing.
  2. Artikel 24, paragraaf
(2), b), 2), DBV België-Australië, heeft uitsluitend betrekking op de verrekening van het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting en beïnvloedt aldus de vaststelling van de grondslag van die belasting niet. Het in voormeld artikel 37, derde lid, bedoelde forfaitair gedeelte wordt enkel door de regels van het nationaal recht beheerst. Uit de wordingsgeschiedenis van artikel 37, derde lid, WIB92 blijkt dat het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting dat ingevolge die wetsbepaling bij het netto-inkomen van roerende goederen en kapitalen moet worden gevoegd, moet worden bepaald overeenkomstig de artikelen 286 en 287 WIB
  1. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - dubbelbelastingverdragen de heffingsbevoegdheid tussen diverse staten verdelen, maar geen belastingplicht scheppen; - of er belasting verschuldigd is, wordt bepaald op basis van het intern recht van de lidstaten en, binnen de lijnen van de heffingsbevoegdheid, toegekend door de overeenkomst aan de betreffende staat; - in onderhavig geval er een bepaling is van het DBV België-Australië dat de Belgische Staat ertoe verplicht om minstens 10 pct. van de ingehouden Australische bronheffing te verrekenen met de in België verschuldigde belasting; - dit dubbelbelastingbedrag niet kan bepalen dat dit te verrekenen bedrag in België aan de belastbare grondslag moet worden toegevoegd. Vervolgens stellen de appelrechters vast en oordelen zij dat: - ook in de Belgische wetgeving er geen bepaling terug te vinden is die Belgische belastingplichtigen ertoe verplicht om minstens 10 pct. van de ingehouden bronheffing toe te voegen aan de ontvangen inkomsten om het in België belastbaar netto-inkomen te bepalen; - artikel 37, derde lid, WIB92 Belgische rijksinwoners integendeel verplicht om het FBB op te nemen in de belastbare grondslag en dit begrip FBB in het wetboek enkel in de artikelen 285 en volgende WIB92 wordt gedefinieerd; - er aldus geen rechtsgrond is om het FBB, dat overeenkomstig artikel 37, derde lid WIB92 aan de belastbare grondslag moet worden toegevoegd, te bepalen overeenkomstig het dubbelbelastingverdrag; - de omstandigheid dat er geen parallellisme is tussen het verrekenbare FBB en het gebruteerde FBB het louter gevolg is van de draagwijdte van het dubbelbelastingverdrag en van het feit dat voor het begrip FBB van artikel 37, derde lid, WIB92 geen omschrijving wordt gegeven die afwijkt van de artikelen 286 en 287 WIB92; - dat het begrip FBB van artikel 37, derde lid, WIB92 moet worden begrepen zoals in de artikelen 286 en 287 WIB92 niet wordt tegengesproken door het feit dat artikel 183 WIB92 voorschrijft dat de belastbare grondslag in de vennootschapsbelasting wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen met betrekking tot de personenbelasting, onder voorbehoud van afwijkingen inzake vennootschapsbelasting en, integendeel, in de personenbelasting geen omschrijving wordt gegeven van het FBB en dat de enige definiëring in het WIB92 die betreft van de artikelen 286 en 287 WIB92; - een contextuele bepaling van artikel 37, derde lid, WIB92 niet tot gevolg kan hebben dat het FBB dat moet worden gebruteerd, hetzelfde moet zijn als de bronheffing die overeenkomstig het dubbelbelastingverdrag moet worden verrekend, aangezien het dubbelbelastingverdrag niet van toepassing is voor wat betreft de bepaling van de belastbare grondslag en het dan ook niet kan worden ingeroepen voor de interpretatie van de Belgische wetgeving betreffende de belastbare grondslag; - de voorloper van artikel 37 WIB92 voor de definiëring van het te bruteren FBB zelf verwees naar artikel 187 WIB92, het huidige artikel 285 WIB92 en noch in de wet zelf, noch in de voorbereidende werken terzake een verwijzing is terug te vinden naar de omschrijving van het FBB in de toepasselijke dubbelbelastingverdragen.
  2. Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Kosten
  3. Krachtens artikel 1092, tweede en vierde lid, Gerechtelijk Wetboek dient de memorie van antwoord enkel aan de advocaat van de eiser, of indien hij geen advocaat heeft, aan de eiser zelf te worden betekend wanneer hij een middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep opwerpt.
  4. Aangezien het door de verweerster aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep niet kan worden aangenomen, dient zij te worden veroordeeld tot de kosten van de betekening van de memorie van antwoord. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de verweerster tot de kosten van betekening van haar memorie van antwoord en veroordeelt de eiser tot de overige kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 658,83 euro en voor de verweerster op 244,69 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 23 november 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.