id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.8 Rolnummer: F.21.0168.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2023-12-18 Raadplegingen: 1062 - laatst gezien 2026-06-18 00:12 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.8 Fiche 1 Uit de samenhang van artikel 15, §§ 1 en 2, en artikel 19.A.1, tweede lid, Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag volgt dat België aan natuurlijke personen die verblijfhouder van België zijn en die dividenden ontvangen die hun bron in Frankrijk vinden en in Frankrijk een inhouding bij de bron werkelijk hebben ondergaan, op de belasting verschuldigd in België een vermindering met het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting moet verlenen waarvan het tarief minstens gelijk is aan 15 procent van het netto bedrag van de roerende inkomsten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen - 10-03-1964 - Art. 15 - 30 Link Justel databank 19640310-30 Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen - 10-03-1964 - Art. 19 - 30 Link Justel databank 19640310-30 Fiche 2 Aangezien het Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag België verplicht tot het verlenen van een minimum verrekenbaar bedrag aan forfaitaire buitenlandse belasting, kan dan ook geen gevolg kan gegeven worden aan de artikelen 17 tot en met 22 en de artikelen 261 tot en met 269 WIB92 in de mate dat zij geen dergelijke verrekening toestaan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 17 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 18 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 19 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 20 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 21 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 22 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 261 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 262 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 263 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 264 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 265 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 266 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 267 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 268 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 269 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 3 Artikel 19.A.1, tweede lid, Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag verplicht België tot het in mindering brengen van een minimum verrekenbaar bedrag aan forfaitaire buitenlandse belasting op de belasting verschuldigd in België, ongeacht de wijze van heffing van de in België verschuldigde belasting; aldus is België ook wanneer de belasting op roerende inkomsten opbrengsten van Franse oorsprong die door verblijfhouders van België zijn verkregen, uitsluitend door middel van roerende voorheffing wordt geïnd, verplicht een minimum verrekenbaar bedrag aan forfaitaire buitenlandse belasting te verlenen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen - 10-03-1964 - Art. 19 - 30 Link Justel databank 19640310-30 Tekst van de beslissing Nr. F.21.0168.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal Centrum P Brugge, met kantoor te 8200 Brugge, Koning Albert I-laan 1-5, bus 3, eiser, tegen L.V.S., verweerder, met als raadsman mr. Rita Corne, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8560 Wevelgem, Vanackerestraat 55, bus 00.0.1. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Gent van 15 december 2020. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 23 oktober 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Artikel 15, § 1 en 2, van de Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, goedgekeurd door de wet van 14 april 1965 (hierna genoemd: het Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag) bepaalt: “1. Dividenden die hun bron in een overeenkomstsluitende Staat hebben en aan een verblijfhouder van de andere Staat worden betaald zijn in die andere Staat belastbaar. 2. Deze dividenden mogen evenwel, onder voorbehoud van de bepalingen van paragraaf 3, in de Overeenkomstsluitende Staat, waarvan de vennootschap die de dividenden betaalt verblijfhouder is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar de aldus geheven belasting mag niet hoger zijn dan:
- a)10% van het brutobedrag van de dividenden indien de genieter een vennootschap is, die ten minste 10% van het kapitaal van de uitdelende vennootschap sedert het begin van het laatste, voor de uitkering afgesloten, boekjaar van deze vennootschap in uitsluitende eigendom heeft;
- b)15% van het brutobedrag van de dividenden in andere gevallen. Deze paragraaf laat onverlet de belastingheffing van de vennootschap ter zake van de winsten waaruit de dividenden worden betaald.” 2. Artikel 19.A.1, eerste en tweede lid, Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag bepaalt: “Dubbele belasting wordt op de volgende wijze voorkomen: A. Met betrekking tot België: De inkomsten en opbrengsten uit roerende kapitalen ressorterend onder het in artikel 15, § 2 en 4, omschreven regime, die in Frankrijk werkelijk de inhouding bij de bron hebben ondergaan en die worden verkregen door vennootschappen, verblijfhouders van België, onderhevig uit dien hoofde aan de vennootschapsbelasting, worden, mits de roerende voorheffing wordt geïnd tegen het normale tarief op hun bedrag netto van Franse belasting, vrijgesteld van de vennootschapsbelasting en van de belasting bij de uitkering, onder voorwaarden bepaald bij de Belgische interne wetgeving. Voor de in vorenstaand lid bedoelde inkomsten en opbrengsten, die door andere verblijfhouders van België worden verkregen, alsmede voor de inkomsten en opbrengsten uit roerende kapitalen, die onder het in artikel 16, paragraaf 1, omschreven regime ressorteren en die in Frankrijk de inhouding bij de bron werkelijk hebben ondergaan, wordt de belasting in België verschuldigd op hun bedrag netto van Franse inhouding, verminderd, eensdeels, met de tegen het gewone tarief geïnde roerende voorheffing en, anderdeels, met het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting dat onder de door de Belgische wetgeving vastgestelde voorwaarden aftrekbaar is, zonder dat bedoeld gedeelte minder dan 15 pct. van het evenvermelde nettobedrag mag belopen”. 3. Uit de samenhang van artikel 15, § 1 en 2, en artikel 19.A.1, tweede lid, Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag volgt dat België aan natuurlijke personen die verblijfhouder van België zijn en die dividenden ontvangen die hun bron in Frankrijk vinden en in Frankrijk een inhouding bij de bron werkelijk hebben ondergaan, op de belasting verschuldigd in België een vermindering met het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting moet verlenen waarvan het tarief minstens gelijk is aan 15 procent van het netto bedrag van de roerende inkomsten. 4. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel inzake de primauteit van het internationale recht op het nationale recht, heeft het Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag voorrang op de bepalingen van het nationale recht. Aangezien het Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag België verplicht tot het verlenen van een minimum verrekenbaar bedrag aan forfaitaire buitenlandse belasting, kan dan ook geen gevolg kan gegeven worden aan de artikelen 17 tot en met 22 en de artikelen 261 tot en met 269 WIB92 in de mate dat zij geen dergelijke verrekening toestaan. 5. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - niet wordt betwist dat de verweerder Franse bronbelasting van 15 pct. heeft betaald op het brutobedrag van de dividenden en dat de verweerder Belgische rijksinwoner was op het ogenblik van de toekenning van deze dividenden; - de verweerder zich op grond van artikel 19.A.1, tweede lid, Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag kan beroepen op de verrekening van een forfaitair buitenlandse belasting van minimaal 15 pct. van het bedrag van de ontvangen dividenden netto van Franse inhouding, niettegenstaande hij niet voldoet aan de voorwaarden die het Belgisch intern recht stelt om een verrekening van forfaitair buitenlandse belasting te kunnen genieten; - het standpunt van de administratie dat er sprake is van een dubbele voorwaarde, met name dat de forfaitair buitenlandse belasting overeenkomstig de Belgisch wetgeving aftrekbaar moet zijn en dat zij niet minder mag bedragen dat 15 pct., artikel 19.A.1, tweede lid, Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag schendt. 6. Met deze redenen verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel 5. Uit het antwoord op het eerste middel volgt dat artikel 19.A.1, tweede lid, Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag België verplicht tot het in mindering brengen van een minimum verrekenbaar bedrag aan forfaitaire buitenlandse belasting op de belasting verschuldigd in België, ongeacht de wijze van heffing van de in België verschuldigde belasting. Aldus is België ook wanneer de belasting op roerende inkomsten en opbrengsten van Franse oorsprong die door verblijfhouders van België zijn verkregen, uitsluitend door middel van roerende voorheffing wordt geïnd, verplicht een minimum verrekenbaar bedrag aan forfaitaire buitenlandse belasting te verlenen. 6. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - er geen enkele reden is waarom de door de verweerder gevorderde terugbeta-ling niet mogelijk zou zijn bij toepassing van artikel 313 WIB92; - uit de primauteit van het internationale recht op het nationale recht volgt dat aangezien het Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag België verplicht tot het verlenen van een minimum verrekenbaar bedrag aan forfaitaire buitenlandse belasting, er in hoofde van de verweerder ten onrechte een teveel aan roerende voorheffing werd ingehouden en doorgestort aan de Schatkist; - van dit ten onrechte ingehouden bedrag terugbetaling kan gevorderd worden; - interne procedure- en aangifteregels geen afbreuk kunnen doen aan een verplichting opgelegd door het Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag. 7. Met deze reden verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 154,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 23 november 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.8 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.8 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240621.1F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div