← België

L. contra AXA BELGIUM N.V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 8 Het appelgerecht, voor zover het op dezelfde wijze is samengesteld als op de rechtszitting waarop de deskundige werd gehoord, kan in de beslissing melding maken van de gezegdes van de deskundige op die rechtszitting, ook al werden die niet genoteerd op het proces-verbaal van de rechtszitting; de vaststelling in de beslissing dat de deskundige bepaalde verklaringen heeft afgelegd, geldt tot inschrijving wegens valsheid; dit alles houdt geen miskenning van het recht van verdediging in

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRIFFIE. GRIFFIER Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 9 - 11 De omstandigheid dat een tegenexpertise op stalen niet meer mogelijk is omdat de stalen zijn vernietigd en een beklaagde niet in kennis werd gesteld van deze vernietiging, houdt niet in dat de bevindingen van het eenzijdig uitgevoerde deskundigenonderzoek steeds als bewijs moeten worden uitgesloten; het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen in welke mate die bevindingen nog dienstig kunnen zijn voor de waarheidsvinding, rekening houdende onder meer met de door de partijen gemaakte opmerkingen over de verrichtingen en de bevindingen van de deskundige, de mogelijkheid van partijen om in een eerdere fase van de rechtspleging een tegenexpertise te verzoeken, de afwezigheid van enige betwisting over de verrichtingen en de bevindingen van de deskundige tijdens een eerdere fase van de rechtspleging, de door de deskundige aan de rechter verstrekte en aan de tegenspraak van partijen onderworpen uitleg over zijn verrichtingen en bevindingen en de bevestiging van de bevindingen van de deskundige door andere gegevens van het strafdossier; dit houdt geen schending in van artikel 6 EVRM noch een miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 43

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 44

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 43

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 44

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 43

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 44- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.1104.N L. L., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Marijn Van Nooten, advocaat bij de balie Brussel. tegen

  1. AXA BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, burgerlijke partij,
  2. POLITIEZONE ZUID ‘5341’ ANDERLECHT-VORST-SINT-GILLIS, vertegenwoordigd door het Politiecollege, met kantoor te 1070 Anderlecht, Demosthenesstraat 36, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 26 juni
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 13 november 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie. Op de rechtszitting van 28 november 2023 heeft raadsheer Peter Hoet verslag uitgebracht en heeft de vermelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  4. Het arrest spreekt de eiser vrij van de telastleggingen A, B en G. In zoverre ook tegen deze beslissingen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en de algemene motiveringsverplichting: het wrak van de auto werd reeds voor de regeling van de rechtspleging vernietigd, zodat de eiser nooit de mogelijkheid heeft gehad dit voertuig aan een tegenexpertise te laten onderwerpen; elk controlemogelijkheid werd hem aldus ontnomen en hij werd niet op de hoogte gebracht van een nakende vernietiging (eerste onderdeel); na teloorgang van bewijsmateriaal wordt het recht van verdediging geenszins gewaarborgd door het louter horen van de branddeskundige ter rechtszitting, zonder dat van zijn gezegdes enige melding wordt gemaakt op het proces-verbaal van de rechtszitting (tweede onderdeel).
  6. De door artikel 155 Wetboek van Strafvordering voorgeschreven verplichting voor de griffier de voornaamste verklaringen van een op de rechtszitting gehoorde getuige te vermelden op het proces-verbaal van de rechtszitting, geldt niet voor de strafrechter in hoger beroep. Het is dan ook niet vereist dat in die aanleg de gezegdes van een deskundige die onder eed wordt gehoord op de rechtszitting worden opgenomen op het proces-verbaal van de rechtszitting.
  7. Het appelgerecht, voor zover het op dezelfde wijze is samengesteld als op de rechtszitting waarop de deskundige werd gehoord, kan in de beslissing melding maken van de gezegdes van de deskundige op die rechtszitting, ook al werden die niet genoteerd op het proces-verbaal van de rechtszitting. De vaststelling in de beslissing dat de deskundige bepaalde verklaringen heeft afgelegd, geldt tot inschrijving wegens valsheid.
  8. Dit alles houdt geen miskenning van het recht van verdediging in.
  9. De omstandigheid dat een tegenexpertise op stalen niet meer mogelijk is omdat de stalen zijn vernietigd en een beklaagde niet in kennis werd gesteld van deze vernietiging, houdt niet in dat de bevindingen van het eenzijdig uitgevoerde deskundigenonderzoek steeds als bewijs moeten worden uitgesloten.
  10. Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen in welke mate die bevindingen nog dienstig kunnen zijn voor de waarheidsvinding, rekening houdende onder meer met de door de partijen gemaakte opmerkingen over de verrichtingen en de bevindingen van de deskundige, de mogelijkheid van partijen om in een eerdere fase van de rechtspleging een tegenexpertise te verzoeken, de afwezigheid van enige betwisting over de verrichtingen en de bevindingen van de deskundige tijdens een eerdere fase van de rechtspleging, de door de deskundige aan de rechter verstrekte en aan de tegenspraak van partijen onderworpen uitleg over zijn verrichtingen en bevindingen en de bevestiging van de bevindingen van de deskundige door andere gegevens van het strafdossier. Dit houdt geen schending in van artikel 6 EVRM noch een miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces.
  11. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  12. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  13. Het arrest oordeelt als volgt: - hoewel in het grievenformulier voor de eiser wordt vermeld dat hij reeds meermaals verzocht om een tegenexpertise, blijkt uit de gegevens van het strafdossier niet dat hij voor de regeling van de rechtspleging of zelfs voor de eerste rechter effectief heeft gevraagd dat een tegenexpertise zou worden uitgevoerd op het wrak van het in de nacht van 13 op 14 juli 2016 uitgebrande personenvoertuig VW Tiguan; - uit nazicht van de procedurestukken blijkt dat de eiser voor het eerst in zijn conclusie neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 30 juli 2022 formeel een vraag tot het houden van een tegenexpertise met betrekking tot brand van zijn voertuig in de nacht van 13 op 14 juni 2016 heeft geformuleerd; - het staat vast dat tijdens het gerechtelijk onderzoek een eenzijdig deskundigenonderzoek naar de oorzaak van de brand van het voertuig van de eiser heeft plaatsgevonden; - dergelijk eenzijdig onderzoek miskent op zich niet het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces; - deze rechten worden gewaarborgd door de mogelijkheid voor de partijen om de branddeskundige op de rechtszitting op te roepen en tijdens het debat zijn verslag te bespreken en te bekritiseren; - de branddeskundige werd op verzoek van de eiser gehoord als getuige tijdens de rechtszitting van het hof van beroep van 28 maart 2022; hij heeft de inhoud van zijn verslag toegelicht door de verkolingsgraad en de intensiteit van de temperatuur van het materiaal nader toe te lichten; - de branddeskundige heeft daarbij verwezen naar de foto’s gevoegd bij zijn verslag; de branddeskundige heeft verduidelijkt waarom de bevinding in het verslag van het labo FGP Asse van 14 juli 2016 de brand overal even aanzienlijk was in het voertuig niet correct is en niet kan worden gehandhaafd; - de eiser heeft gedurende de gehele procesgang op geen enkel ogenblik duidelijk gemaakt waarom de aanwezigheid van het autowrak nog vereist zou zijn voor het voeren van een tegenexpertise; - het is volstrekt onduidelijk welke elementen van onderzoek volgens de eiser dienen te gebeuren op het autowrak zelf; - het autowrak werd volledig en accuraat gedocumenteerd aan de hand van de foto’s genomen door het labo FGP Asse en door de branddeskundige en door de geformuleerde toelichtingen van deze vaststellingen; - deze foto’s en de toelichtingen hebben betrekking op de staat van het voertuig VW Tiguan na de brand aan de buitenzijden en binnenin, onder de motorkap, de zitruimte en de kofferruimte; - niets heeft de eiser belet een tegenexpertise te laten uitvoeren door een zelfgekozen deskundige op basis van deze data. Op grond van deze redenen kunnen de appelrechters wettig oordelen dat eisers recht van verdediging en zijn recht op een eerlijk proces niet zijn miskend doordat het wrak van het uitgebrande voertuig werd vernietigd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van de formele motiveringsplicht: het arrest antwoordt op geen enkele wijze op de gemotiveerde aanvoering in eisers appelconclusie dat ook met betrekking tot de telastleggingen E en D eisers recht van verdediging onherstelbaar werd geschaad.
  15. Met de redenen die het arrest (p. 20-22) bevat, beantwoordt en verwerpt dit het bedoelde verweer, zonder dat het moet antwoorden op elk argument dat ter ondersteuning van dit verweer wordt aangevoerd, maar geen afzonderlijk middel vormt. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  16. Het middel voert miskenning aan van de bewijskracht van stukken en de algemene motiveringsverplichting.
  17. De motiveringsplicht is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht. Eerste onderdeel
  18. Het onderdeel voert aan dat het arrest de bewijskracht miskent van het aanvankelijk proces-verbaal: het arrest oordeelt dat de eiser niet kan worden gevolgd in zijn toelichting dat de rechterbanden in het brandende benzinespoor stonden waarvan de brandweer melding maakte, dat deze uitleg niet strookt met de vaststellingen ter plaatse van de brandweer, te weten dat bij de aankomst van de brandweer er een brandende stof uit het voertuig is gelopen dat zich over de rijbaan achter het voertuig heeft verspreid en dat eveneens vuur heeft gevat; het proces-verbaal verhaalt dat bij de aankomst van de brandweer brandende stof uit het voertuig is gelopen dat zich over de rijbaan achter het voertuig heeft verspreid en dat eveneens vuur heeft gevat, waardoor geenszins de mogelijkheid wordt uitgesloten dat de brandende stof onder en langs de rechterbanden naar de achterkant van het voertuig is gelopen; door uitdrukkelijk te stellen dat deze uitleg niet strookt met de vaststellingen ter plaatse van de brandweer, geeft het arrest van het aanvankelijk proces-verbaal een lezing die er niet in gelezen kan worden.
  19. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van die akte, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden wanneer hij de akte doet liegen. Er is geen miskenning van de bewijskracht van de akte indien de rechter uit die akte louter een gevolg afleidt.
  20. Met het bekritiseerde oordeel geef het arrest van het aanvankelijk proces-verbaal geen uitlegging, maar leidt het er louter een gevolg uit af. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  21. Het onderdeel voert aan dat het arrest de bewijskracht van het branddeskundigenverslag van 4 augustus 2016 miskent: het arrest oordeelt dat uit het onderzoek van de branddeskundige samengenomen met de resultaten van het NICC-onderzoek van de vijf stalen genomen uit het wrak en de uitleg van de eiser wat betreft de plaats van de vlammen bij het aantreffen van zijn brandend voertuig, met zekerheid kan worden besloten dat de brand is ontstaan in het voertuig, en meer bepaald, zoals de branddeskundige heeft toegelicht, vooraan links aan de passagierszijde en deze brand is veroorzaakt met gebruikmaking van brandversnellers; het branddeskundigenverslag vermeldt evenwel dat het vuur ontstond aan de passagierszijde vooraan rechts in het voertuig.
  22. Uit het geheel van de redenen die het arrest bevat betreffende de bevindingen van de branddeskundige blijkt dat de door het onderdeel bekritiseerde verwijzing naar “vooraan links aan de passagierszijde” een materiële vergissing betreft en dat deze passage moet worden gelezen als “vooraan rechts in het voertuig”. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 149 Grondwet
  23. Het arrest (p. 23, vierde alinea) oordeelt dat rekening houdend met het tijdsverloop sinds de feiten aan de eiser gewoon uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een termijn van vijf jaar kan worden verleend voor wat betreft de hoofdgevangenisstraf van twee jaar en dit voor het deel dat de voorlopige hechtenis te boven gaat. In het dictum (p. 25) kent het arrest gewoon uitstel van tenuitvoerlegging voor een termijn van vijf jaar toe voor de hoofdgevangenisstraf van twee jaar. Die beschikkingen zijn tegenstrijdig. Omvang van de cassatie
  24. De vernietiging van de maatregel van het uitstel van tenuitvoerlegging leidt tot de vernietiging van de straf waarvoor die maatregel werd bevolen, alsook van de aan de eiser opgelegde geldboete en zijn veroordeling tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Het laat de overige beslissingen van het arrest onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit de eiser veroordeelt tot straf en tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten op 342,13 euro, waarvan 237,49 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 28 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231128.2N.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240102.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.