id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: MISDRIJF - VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.1099.N N. V. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen S. G., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 28 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 2 en 487 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat het gebruik van een toevertrouwde sleutel tegen de wil van de eigenaar moet worden gelijkgesteld met een valse sleutel, waardoor het een bijkomende strafbare gedraging invoegt in artikel 487 Strafwetboek dat immers in zijn limitatieve opsomming niet voorziet in een gelijkstelling van het misbruik van een toevertrouwde sleutel met een valse sleutel.
- Volgens artikel 487 Strafwetboek zijn valse sleutels “Alle haken, opstekers, lopers, nagebootste, nagemaakte of vervalste sleutels; Sleutels die door de eigenaar, huurder, logementhouder, of kamerverhuurder niet bestemd zijn voor de sloten, hangsloten of voor welk sluitwerk ook, waartoe de schuldige ze gebruikt; Verloren, zoek geraakte of weggenomen sleutels die tot het plegen van de diefstal dienen.”
- Onder de door artikel 487 Strafwetboek bedoelde valse sleutels vallen ook sleutels die aan de gebruiker werden overhandigd en waarvan die onrechtmatig gebruik heeft gemaakt. Dit betreft immers ook sleutels die van hun bestemming zijn afgewend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt als volgt: - de eiser is de woning van de verweerster binnengedrongen met een valse sleutel; - volgens de verklaring van de verweerster heeft de eiser de sleutels zonder haar toestemming nagemaakt; - de eiser verklaarde de sleutels van de verweerster te hebben gekregen; - zelfs indien de eiser de sleutels heeft gekregen, is er sprake van het gebruik van een valse sleutel; - sleutels waarvan gebruikt wordt gemaakt in strijd met de wil van de eigenaar of met de afspraak, kunnen ook als valse sleutels worden aangemerkt; - het is duidelijk dat de verweerster wilde verhinderen dat de eiser haar woning betrad, reden waarom zij de deur barricadeerde, hetgeen ook duidelijk maakt dat zij zeker niet zou hebben gewild dat de eiser een zelfs door haar gegeven sleutel zou gebruiken om haar woning te betreden. Met deze redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de eiser gebruik heeft gemaakt van een valse sleutel om de woning van de verweerster te betreden, alsook de bewezenverklaring van de voor de feiten omschreven onder de telastlegging A bedoelde verzwarende omstandigheid en de bewezenverklaring van het feit omschreven onder de telastlegging D. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd doordat het, enerzijds, vaststelt dat de verweerster ter rechtszitting verklaarde dat de eiser niet door de voordeur maar door de schuifdeur de woning betrad, en, anderzijds, oordeelt dat de eiser wel degelijk door de voordeur de woning betrad; over deze verklaring van de verweerster werd geen betwisting gevoerd, noch werd door het hof van beroep de waarachtigheid van de verklaring in het debat gebracht; uit het proces-verbaal van de rechtszitting blijkt integendeel dat het openbaar ministerie na de verklaring van de verweerster afstand deed van zijn vordering tot veroordeling tot de verzwarende omstandigheid dat de diefstal werd gepleegd door middel van braak, inklimming of valse sleutels voor de telastleggingen A en D; op die manier was er een gewettigd vermoeden ontstaan dat deze verzwaringen geen deel meer uitmaakten van het debat; er is dan ook hierover door de eiser geen verweer gevoerd.
- Een beklaagde die wordt vervolgd voor een misdrijf met een verzwarende omstandigheid, weet dat hij zich ook op deze verzwarende omstandigheid moet verdedigen. De enkele omstandigheid dat het openbaar ministerie op de rechtszitting in het licht van de verklaring van een slachtoffer niet langer aandringt op de bewezenverklaring van deze verzwarende omstandigheid, houdt niet in dat die daardoor niet langer tot het debat behoort. De rechter dient de beklaagde hierop niet uitdrukkelijk te wijzen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet veronderstelt redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing die elkaar tenietdoen of opheffen.
- Het arrest (p. 10 en p. 15-16) oordeelt met betrekking tot de feiten omschreven onder de telastleggingen A en D dat volgens het slachtoffer de eiser op de dag van de feiten langs de schuifdeur binnenkwam, maar dat volgens de appelrechters op basis van de feitelijke gegevens die zij opsommen blijkt dat de eiser zich wel degelijk met een valse sleutel via de voordeur toegang heeft verschaft tot de woning van het slachtoffer. Die redenen zijn niet tegenstrijdig. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 461 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de loutere wegmaking voldoende was om tot een bewezenverklaring te besluiten, terwijl de eiser had aangevoerd dat er geen wil aanwezig was om zich de handtas toe te eigenen en zijn doel enkel was om zijn autosleutels, die zich in de handtas bevonden, te recupereren; door te oordelen dat het gebrek aan het voornemen om over het goed als eigenaar te beschikken niets afdoet aan de strafbaarstelling, schendt het arrest de aangehaalde bepaling.
- Het arrest oordeelt niet zoals in het middel weergegeven. Het oordeelt dat de eiser de handtas van de verweerster tegen haar wil heeft weggenomen en ermee naar zijn voertuig is gegaan, dat toen de verweerster haar handtas wilde recupereren de eiser met zijn voertuig is doorgereden en op dat moment de diefstal reeds was voltrokken, dat indien de eiser enkel zijn autosleutels wilde recupereren hij perfect deze uit de handtas had kunnen nemen alvorens met zijn voertuig te vertrekken en dat het feit dat de eiser uiteindelijk de handtas is gaan teruggeven, nadat hij meermaals door de politie werd gecontacteerd aangaande de voorliggende feiten, hieraan geen afbreuk doet. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek: zowel in het aanvankelijk proces-verbaal als in zijn verhoor verklaart inspecteur B. dat de verweerster beide handen vrij had en dat ze op het raam van het voertuig aan het slaan was; het arrest oordeelt dat hieruit geenszins kan worden afgeleid dat de ramen van het voertuig gesloten waren en leidt daaruit af dat het bewezen is dat de eiser de verweerster enkele meters heeft meegesleurd aan haar hand terwijl de deur van zijn voertuig openstond; door te motiveren dat uit de verklaringen van deze inspecteur noch uit enig ander element geenszins kan worden afgeleid dat de ramen van het voertuig gesloten zouden zijn geweest, miskent het arrest de bewijskracht van de processen-verbaal AN30.L5.002346/2022 en AN30.L5.002342/
- Het arrest (p. 13-14) verwijst voor het bekritiseerde oordeel enkel naar het eigenlijke verhoor van de inspecteur en niet naar de eigen weergave ervan door de verbalisanten in het aanvankelijk proces-verbaal. De inspecteur heeft bij zijn verhoor (stuk 4 strafdossier) niets vermeld betreffende het gesloten zijn van de ramen. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest en het verhoor van de inspecteur, mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 133,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 28 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div