← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.14 Rolnummer: P.23.0696.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2023-12-08 Raadplegingen: 1259 - laatst gezien 2026-06-18 20:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Of de redelijke termijn is overschreden moet in elke zaak afzonderlijk worden beoordeeld volgens de feitelijke gegevens eigen aan de zaak en volgens de criteria van complexiteit van de zaak, de houding van de gerechtelijke overheden, de houding van de betrokkene en het belang dat de zaak heeft voor de betrokkene; bij die beoordeling moet rekening worden gehouden met de procedure in haar geheel; ook in eenvoudige zaken moet de redelijketermijnvereiste worden geëerbiedigd

(1); uit het eenvoudig karakter van de zaak volgt immers noodzakelijkerwijze dat de redelijke termijn sneller zal worden bereikt; dat een zaak eenvoudig is, impliceert evenwel niet noodzakelijk dat de psychische impact van een strafprocedure en de duur ervan op de betrokkene beperkt zijn; de rechter moet dan ook met het eenvoudig karakter van een zaak rekening houden bij de beoordeling van een redelijketermijnverweer; het staat aan de rechter te oordelen of rekening houdend met de voormelde criteria de redelijke termijn is overschreden; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
(1)Cass. 20 juni 2023, AR P.23.0468.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230620.2N.9, AC 2023, nr. 464; Cass. 25 januari 2022, AR P.21.1384.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.7 en AR P.21.1621.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.10, AC 2022, nrs. 62 en
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0696.N B. I. B. D. W., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 3 april
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Het bestreden vonnis verklaart eisers hoger beroep ontvankelijk. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het bestreden vonnis kan niet wettig oordelen dat de redelijke termijn niet is overschreden; zoals werd aangevoerd in eisers appelconclusie, deden zich wel degelijk belangrijke periodes van stilstand voor; zo verstreken zeven maanden tussen het afsluiten van het laatste proces-verbaal en het bevel tot dagvaarding en meer dan één jaar tussen het aantekenen van hoger beroep en de behandeling van de zaak door het appelgerecht.
  5. Of de redelijke termijn is overschreden moet in elke zaak afzonderlijk worden beoordeeld volgens de feitelijke gegevens eigen aan de zaak en volgens de criteria van complexiteit van de zaak, de houding van de gerechtelijke overheden, de houding van de betrokkene en het belang dat de zaak heeft voor de betrokkene.
  6. Bij die beoordeling moet rekening worden gehouden met de procedure in haar geheel.
  7. Ook in eenvoudige zaken moet de redelijketermijnvereiste worden geëerbiedigd. Uit het eenvoudig karakter van de zaak volgt immers noodzakelijkerwijze dat de redelijke termijn sneller zal worden bereikt. Dat een zaak eenvoudig is, impliceert evenwel niet noodzakelijk dat de psychische impact van een strafprocedure en de duur ervan op de betrokkene beperkt is.
  8. De rechter moet dan ook met het eenvoudig karakter van een zaak rekening houden bij de beoordeling van een redelijketermijnverweer.
  9. Het staat aan de rechter te oordelen of rekening houdend met de voormelde criteria de redelijke termijn is overschreden.
  10. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  11. Het bestreden vonnis oordeelt met betrekking tot het redelijketermijnverweer van de eiser als volgt: - de rechtbank houdt rekening met het verloop van de zaak, de aard en de complexiteit ervan en het belang ervan voor de betrokken beklaagde; - in dit geval betreft het een relatief eenvoudige zaak waarvan het afwachten van de uitkomst voor de eiser geen zware psychische belasting vormt; - de rechtbank heeft ook oog voor de houding en de handelingen of het stilzitten van de vervolgde persoon of de gerechtelijke overheid; - er is geen sprake van een periode zonder relevante activiteit vanwege de gerechtelijk overheid die het besluit van een overschrijding kan rechtvaardigen; - de politie verhoorde de eiser, de getuige T., de fietser die deze laatste vergezelde en S.; - aan de procureur des Konings kan niet worden verweten dat hij talmde met de samenstelling van het dossier en met het geven van een opdracht tot dagvaarding om te verschijnen voor de eerste rechter, aangezien voor de feiten van 26 maart 2020 de dagvaarding werd betekend op 5 februari 2021 voor de rechtszitting van 4 mei 2021; - de eerste rechter stelde de behandeling van de zaak meermaals uit zodat op de rechtszitting van 8 februari 2022 niet enkel de eiser en zijn toenmalige raadsman, maar ook T. konden worden gehoord; - ook de periodes die verliepen tussen het aantekenen van hoger beroep, het bevel tot dagvaarding in hoger beroep en de behandeling van de zaak op de rechtszitting van 6 maart 2023 kunnen niet als onaangepast lang worden bestempeld.
  12. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt een tijdsverloop van meer dan één jaar tussen het aantekenen van het hoger beroep (22 februari 2022) en de eerste rechtszitting in hoger beroep (6 maart 2023). Het bestreden vonnis stelt zelf vast dat de beoordeelde zaak relatief eenvoudig is. Gelet op die vaststellingen en zelfs rekening houdend met de overige gegevens die de appelrechters bij hun beoordeling betrekken, kunnen zij niet wettig oordelen dat er geen onredelijk lange termijn is verstreken sinds het ogenblik waarop de eiser kennis kreeg van de hem ten laste gelegde feiten. Het middel is in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie
  13. De vernietiging van de beslissing over het redelijketermijnverweer leidt tot de vernietiging van de beslissing over de aan de eiser voor het feit omschreven onder de telastlegging C opgelegde bestraffing, met inbegrip van zijn veroordeling tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds, maar laat de overige beslissingen van het bestreden vonnis onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis maar enkel in zoverre het de eiser veroordeelt tot straf wegens het feit omschreven onder de telastlegging C en tot de betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 141,46 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 28 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250225.2N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230620.2N.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240116.2N.11 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.