id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 187
, tweede en vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
92, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 187
, tweede en vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
92, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 187
, tweede en vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
92, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1132.N PROCUREUR DES KONINGS TE HALLE-VILVOORDE, eiser, tegen J. A. N. Y., beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Aurélie-Anne De Vos, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 7 juni 2023 (nr. 2074/2023). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan de artikelen 187 en 203 Wetboek van Strafvordering en artikel 92 Strafwetboek: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het verzet van de verweerder ontvankelijk is; uit het arrest Hakimi van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kan enkel worden afgeleid dat bij afwezigheid van een kennisgeving van de rechten aan de versteklatende partij de sanctie van de laattijdigheid van het verzet niet kan worden toegepast; dit arrest heeft enkel betrekking op het rechtsmiddel verzet en niet op het rechtsmiddel hoger beroep; de regelmatigheid van de betekening hangt niet af van de kennisgeving van de rechten betreffende het instellen van hoger beroep; het bestreden vonnis kan niet oordelen dat de termijn voor hoger beroep niet is beginnen lopen; het kan bijgevolg evenmin oordelen dat de verjaringstermijn van de straf geen aanvang heeft genomen.
- Artikel 187, tweede en vierde lid, Wetboek van Strafvordering, in de versie zoals van toepassing op een verstekbeslissing die dateert van vóór 29 februari 2016, bepaalt dat indien de betekening van het verstekvonnis niet aan de versteklatende veroordeelde in persoon is gedaan, die wat betreft de veroordelingen tot straf in verzet kan komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen, en, indien niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening hij in verzet kan komen totdat de termijnen van de verjaring van de strafvordering zijn bereikt.
- Artikel 203 Wetboek van Strafvordering, in de hier toepasselijke versie, bepaalt dat tegen een bij verstek gewezen vonnis hoger beroep kan worden aangetekend tot uiterlijk vijftien dagen na de betekening ervan aan de veroordeelde partij of aan haar woonplaats.
- Uit artikel 92, eerste lid, Strafwetboek volgt voor wat betreft de daarin bedoelde straffen, dat de verjaring van de straf voor straffen die zijn uitgesproken met een in eerste aanleg bij verstek gewezen vonnis een aanvang neemt op de dag dat dit vonnis niet kan worden bestreden bij wege van hoger beroep.
- Uit artikel 6.1 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van Mens, volgt dat hij die bij verstek is veroordeeld moet worden ingelicht over de formaliteiten en de termijn om tegen die beslissing een rechtsmiddel aan te wenden en dat de rechter bij afwezigheid van die kennisgeving het rechtsmiddel niet kan ontvankelijk verklaren wegens niet-naleving van die formaliteiten of laattijdigheid. De regel geldt niet enkel voor het rechtsmiddel van verzet maar ook voor het rechtsmiddel van hoger beroep tegen een verstekbeslissing.
- De afwezigheid van een dergelijke kennisgeving heeft tot gevolg dat de termijnen voor het instellen van verzet en van hoger beroep geen aanvang nemen. Daaruit volgt bovendien dat de verstekbeslissing geen kracht van gewijsde verkrijgt en de termijn voor verjaring van de straf geen aanvang neemt.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - de verweerder werd bij verstekvonnis van de politierechtbank van 14 mei 2014 veroordeeld tot een geldboete van 30,00 euro en een rijverbod van acht dagen; - dit verstekvonnis werd betekend aan de woonplaats van de verweerder op 26 juni 2014; - de verweerder heeft op 23 september 2022 tegen het verstekvonnis verzet aangetekend; - de politierechtbank heeft met het beroepen vonnis van 10 januari 2023 dit verzet onontvankelijk verklaard omdat de verjaring van de straf reeds was ingetreden; - tegen dat vonnis heeft de verweerder hoger beroep ingesteld.
- Het bestreden vonnis stelt vast dat de verweerder bij de betekening van het verstekvonnis van 14 mei 2014 op 26 juni 2014 niet werd ingelicht over de formaliteiten en de termijnen om tegen die verstekbeslissing rechtsmiddelen aan te wenden en dat dit evenmin gebeurde bij de door artikel 40 Wegverkeerswet bedoelde kennisgeving op 30 oktober
- De beslissingen van de appelrechters dat de termijnen om verzet en hoger beroep aan te tekenen niet zijn beginnen lopen, dat de termijn voor de verjaring van de straf geen aanvang heeft genomen en dat het verzet van de verweerder tijdig is ingesteld, zijn dan ook naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten op 26,40 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 28 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.13 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240903.2N.16 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.18 precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.10 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210223.2N.7 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220322.2N.13 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div