← België

VASTGOED NOORD NV c. GEMEENTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSP

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.6 Rolnummer: P.23.0177.N Zaak: VASTGOED NOORD NV c. GEMEENTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSP Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Overige Invoerdatum: 2023-12-08 Raadplegingen: 650 - laatst gezien 2026-06-15 11:16 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Artikel 3.1, 8°, Vrijstellingsbesluit bepaalt dat een stedenbouwkundige vergunning, sinds 23 februari 2017 omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, niet nodig is voor de strikt noodzakelijke toegangen tot en opritten naar het gebouw of de gebouwen; de rechter oordeelt onaantastbaar of een constructie, gelet op de plaatselijke toestand, moet worden beschouwd als een strikt noodzakelijke toegang of oprit in de zin van die bepaling; bij die beoordeling kan de rechter ook rekening houden met de oppervlakte van de desbetreffende verharding. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is - 16-07-2010 - Art. 3.1, 8° - 30 ELI link Pub nr 2010035645 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is - 16-07-2010 - Art. 3.1, 8° - 30 ELI link Pub nr 2010035645 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0177.N

  1. VASTGOED NOORD nv, met zetel te 9000 Gent, Dok-Noord 7,
  2. H. D. N., beklaagden, eisers, met als raadsman mr. Anthony Mallego, advocaat bij de balie Gent, tegen GEMEENTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, met kantoor te 9000 Gent, Botermarkt 1, eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 13 januari
  3. De eisers voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, acht middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het op 22 november 2023 ter griffie ingediend stuk
  4. Dit stuk werd ingediend buiten de in artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn. Het stuk is niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  5. Artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “De partij die cassatieberoep instelt, moet het cassatieberoep laten betekenen aan de partij tegen wie het gericht is. De vervolgde persoon is daartoe evenwel enkel verplicht in zoverre zijn cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de tegen hem in-gestelde burgerlijke rechtsvordering”.
  6. Met deze bepaling heeft de wetgever aan de eisers in cassatie een algemene verplichting tot betekening opgelegd, met als enige en dus strikt te interpreteren uitzondering het geval waarbij het cassatieberoep uitgaat van een vervolgde partij tegen een beslissing op de strafvordering zelf en daarmee gelijk te stellen gevallen.
  7. Volgens artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering mag de eiser in cassatie na verloop van meer dan twee maanden die volgen op de verklaring van cassatieberoep geen memories of stukken meer indienen, met uitzondering van akten van afstand of hervatting van het geding, akten waaruit blijkt dat het cassatieberoep doelloos geworden is en de noten bedoeld in artikel 1107 Gerechtelijk Wetboek. Volgens artikel 429, vierde lid, Wetboek van Strafvordering wordt de memorie, behoudens de uitzondering bedoeld in artikel 427, eerste lid, per aangetekende brief of langs elektronische weg ter kennis gebracht van de partij waartegen het beroep is gericht en wordt het bewijs van verzending ter griffie neergelegd binnen de termijn van twee maanden na de verklaring van cassatieberoep, dit alles op straffe van onontvankelijkheid van de memorie.
  8. Uit de samenhang tussen de artikelen 427, eerste lid, en 429, tweede en vierde lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat een beklaagde met betrekking tot de beslissing op de herstelvordering op straffe van onontvankelijkheid zijn memorie ter kennis moet brengen van de partij waartegen het cassatieberoep is gericht en het bewijs van kennisgeving van de memorie moet neerleggen ter griffie van het Hof binnen de termijn waarbinnen de memorie moet zijn ingediend.
  9. Volgens artikel 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: - beveelt de rechtbank, ambtshalve of op vordering van een bevoegde overheid, een herstelmaatregel zoals nader bepaald in dat artikel (§ 1, eerste lid); - wordt onder bevoegde overheid verstaan het openbaar ministerie, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur in naam van het Vlaamse Gewest, alsook de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester in naam van de gemeente (§ 2); - wordt de herstelvordering van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of van de gemeente, ingeleid met een gewone brief bij het openbaar ministerie (§ 3, eerste lid).
  10. Het openbaar ministerie is bevoegd om de door de herstelvorderende overheid per brief geformuleerde herstelvordering voor de strafrechter uit te oefenen, inclusief het aanwenden van rechtsmiddelen en dit ongeacht of de herstelvorderende overheid zich als procespartij heeft gemanifesteerd.
  11. De beslissing van de strafrechter over een door de herstelvorderende overheid ingediende herstelvordering is een maatregel van burgerlijke aard, die niettemin onder de strafvordering valt.
  12. Uit het voorgaande volgt dat hij tegen wie op grond van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een herstelmaatregel is bevolen, zijn cassatieberoep wat betreft die beslissing niet alleen moet laten betekenen aan de eiser tot herstel, in zoverre deze zich als procespartij heeft gemanifesteerd, maar ook aan het openbaar ministerie bij het gerecht dat die beslissing heeft gewezen, alsook dat hij zijn memorie aan deze partijen ter kennis moet brengen.
  13. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers hun cassatieberoep hebben laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het appelgerecht en aan de verweerder, noch dat zij hun memorie aan die partijen ter kennis hebben gebracht. In zoverre ze ook betrekking hebben op de beslissing waarbij lastens de eisers een herstelmaatregel werd bevolen, zijn de cassatieberoepen en de memorie dan ook niet ontvankelijk.
  14. Het zevende middel heeft uitsluitend betrekking op de beslissing op de herstelvordering. Aangezien het cassatieberoep van de eisers tegen de beslissing op de herstelvordering niet ontvankelijk is, behoeft dit middel geen antwoord. Eerste middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 3.1, 8°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is (hierna Vrijstellingsbesluit): met het oordeel dat het plein niet kan worden beschouwd als een strikt noodzakelijke toegang tot het gebouw of de gebouwen, is de bewezenverklaring van het zonder vergunning aanleggen van het Carelsplein in een verharding die bestaat uit prefabbetonplaten en gestort beton, voorwerp van de telastlegging B.2, niet naar recht verantwoord; de in artikel 3.1, 8°, Vrijstellingsbesluit bedoelde vrijstelling van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor de strikt noodzakelijke toegangen tot en opritten naar het gebouw of de gebouwen is niet afhankelijk van enige maximale dimensionering of vormgeving; het oordeel van de appelrechters dat er geen sprake is van een strikt noodzakelijke toegang in de zin van die bepaling omdat het een immens groot plein betreft dat een geheel vormt en ook de functie heeft van een plein, impliceert niet dat er niet kan zijn voldaan aan de voorwaarden voor de vrijstelling van een vergunning voor strikt noodzakelijke toegangen; aldus voegen de appelrechters immers een voorwaarde toe aan artikel 3.1, 8°, Vrijstellingsbesluit die deze bepaling niet bevat.
  16. Het middel specificeert niet waarom het arrest artikel 149 Grondwet schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  17. Het arrest oordeelt niet dat de verharding geen noodzakelijke toegangsweg inhoudt omdat die verharding deel uitmaakt van een plein. Het oordeelt wel dat de aanleg betrekking heeft op een immens groot plein, dat een geheel vormt en ook de functie heeft van een plein, waarbij uit de dossiergegevens, met inbegrip van de foto’s en de door de eiseres in haar appelconclusie opgenomen foto, moet worden afgeleid dat er geen sprake is van een strikt noodzakelijke toegang tot en oprit naar het gebouw of de gebouwen in de zin van artikel 3.1, 8°, Vrijstellingsbesluit. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  18. Artikel 3.1, 8°, Vrijstellingsbesluit, zoals hier van toepassing, bepaalt dat een stedenbouwkundige vergunning, sinds 23 februari 2017 omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, niet nodig is voor de strikt noodzakelijke toegangen tot en opritten naar het gebouw of de gebouwen.
  19. De rechter oordeelt onaantastbaar of een constructie, gelet op de plaatselijke toestand, moet worden beschouwd als een strikt noodzakelijke toegang of oprit in de zin van die bepaling. Bij die beoordeling kan de rechter ook rekening houden met de oppervlakte van de desbetreffende verharding. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  20. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
  21. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 99 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (hierna Omgevingsvergunningsdecreet): de bewezenverklaring van het zonder vergunning aanleggen van de zone van het binnenplein in een betonverharding, voorwerp van de telastlegging B.1, is niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; het arrest antwoordt immers niet op het in de appelconclusie van de eisers aangevoerde verweer dat er geen sprake was van een verval van de vergunning gelet op de uitvoering in fases van de werken.
  22. Het arrest oordeelt niet alleen zoals het middel aanvoert. Het verwijst ook naar de redenen van het beroepen vonnis, waaronder deze volgens welke de eiseres, bij wie de eiser zich aansluit, zich ten onrechte beroept op de uitvoering van de werken in verschillende fasen (arrest, p. 30 onderaan en p. 31). Met die redenen van het beroepen vonnis, die de appelrechters uitdrukkelijk bijtreden en overnemen (arrest, p. 34, voorlaatste alinea), beantwoordt het arrest het in het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  23. In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 99 Omgevingsvergunningsdecreet, is het afgeleid uit het vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek en is het niet ontvankelijk. Derde middel
  24. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden: door niet de door de eisers in hun appelconclusies aangevoerde verzachtende omstandigheden af te toetsen, miskent het arrest de motiveringsverplichting; dit kadert in de bijzonder repressieve bestraffing, houding en motivering van het hof van beroep, dat met geen enkel element à décharge rekening houdt; de eisers hebben in hun appelconclusie aangevoerd dat zij bijzondere inspanningen hebben geleverd teneinde met de stad Gent tot oplossingen te komen, waarbij bepaalde herstelvorderingen uiteindelijk zonder voorwerp zijn geworden.
  25. Het middel specificeert niet welke bepaling van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden het arrest zou hebben geschonden. In zoverre is het middel bij gebrek aan duidelijkheid niet ontvankelijk.
  26. Het arrest gaat nader in op de door de eisers in hun appelconclusies respectievelijk aangevoerde omstandigheden die zij in hun voordeel meenden te kunnen inroepen, waaronder de pogingen tot overleg en regularisatie, de gedeeltelijke uitvoering van de herstelmaatregelen, hun voorgehouden goede wil of goede trouw, het moeizame technische proces en de onduidelijke houding van de stad Gent (arrest, p. 35, 37, 39, 40, 43 en 44). In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Vierde middel
  27. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 5 Gerechtelijk Wetboek: door te weigeren kennis te nemen van de feitelijke omstandigheden waarin het misdrijf tot stand is gekomen en te oordelen dat niet moet worden ingegaan op alle elementen van de appelconclusie van de eiseres, omkleden de appelrechters het arrest niet regelmatig met redenen en miskennen ze het verbod van rechtsweigering; het arrest weigert aldus rekening te houden met de feitelijke omstandigheden waarin de misdrijven werden gepleegd, waaronder de constructieve houding van de eisers en de moeilijke houding van de vergunningverlenende overheid, die enerzijds niet bewezen wordt geacht maar waaromtrent de appelrechters anderzijds oordelen dat de desbetreffende conclusies van de eiseres niet moeten worden onderzocht, wat tegenstrijdig is; hierdoor worden die feitelijke omstandigheden ook losgekoppeld van het schuldelement, terwijl ze ook niet mee worden betrokken bij de beoordeling van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling.
  28. Na erop te hebben gewezen dat de rechter niet elk argument dat ter staving van een verweermiddel wordt ingeroepen maar geen afzonderlijk middel is, moet beantwoorden (arrest, p. 35, eerste alinea), oordeelt het arrest dat het niet moet antwoorden op elk argument tot staving van het in de appelconclusie van de eiseres aangevoerde verweer in zoverre daarin wordt gewezen op de moeilijke houding van de vergunningverlenende overheid en daarin omstandig de historiek wordt weergegeven (arrest, p. 35, voorlaatste alinea en p. 39, laatste alinea). Het arrest oordeelt echter niet dat de desbetreffende appelconclusie van de eiseres niet moet worden beantwoord of de daarin ontwikkelde middelen niet moeten worden onderzocht. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  29. Noch uit het oordeel dat de moeilijke houding van de vergunningverlenende overheid niet bewezen is, noch uit enig ander oordeel van het arrest blijkt dat de appelrechters bij de beoordeling van de schuld of bij de beoordeling van de vraag tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling weigeren kennis te nemen van de feitelijke omstandigheden waarin de misdrijven tot stand zijn gekomen. In zoverre mist het middel eveneens feitelijke grondslag.
  30. De in het middel aangevoerde miskenning van verbod van rechtsweigering is voor het overige afgeleid uit het vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Vijfde middel
  31. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 5 Gerechtelijk Wetboek: met het oordeel dat de verharding van het plein niet kan worden beschouwd als een strikt noodzakelijke toegang tot het gebouw of de gebouwen en de “koppeling die [de eiseres] doet met de evacuatiewegen […] geen hout [snijdt]”, is de bewezenverklaring van het zonder vergunning aanleggen van de zone van het binnenplein met een betonverharding, voorwerp van de telastlegging B.1, niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; op het brandweerverslag van 6 oktober 2020, gevoegd als stuk A.26bis bij de appelconclusie van de eiseres, staan de evacuatiewegen ingetekend over het gehele Carelsplein; dit verweer wordt door het arrest niet beantwoord; de appelrechters miskennen aldus ook het begrip “strikt noodzakelijke toegang” zoals bedoeld in artikel 3.1, 8°, Vrijstellingsbesluit.
  32. Artikel 5 Gerechtelijk Wetboek is vreemd aan de in het middel aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
  33. Het arrest oordeelt niet alleen zoals het middel aanvoert. Het oordeelt ook dat uit de dossiergegevens, met inbegrip van de foto’s, blijkt dat het volledig verharde binnenplein geen uitvoering vormt van een strikt noodzakelijke toegang tot en oprit naar het gebouw of de gebouwen, en dat de vermeende tegenstrijdigheid tussen enerzijds de noodzaak aan het bestaan van evacuatiewegen in het kader van brandpreventie en anderzijds de verharding van het binnenplein als een verzameling van evacuatiewegen, door de eiseres zelf werd geconstrueerd en geen hout snijdt (arrest, p. 40). Met die redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  34. Voor het overige is het middel afgeleid uit het vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek en is het niet ontvankelijk. Zesde middel
  35. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 5 Gerechtelijk Wetboek: met het oordeel dat de eisers beslissingsbevoegdheid hadden over de gemene delen, is de bewezenverklaring van het zonder vergunning plaatsen van publiciteitsinrichtingen en borden, voorwerp van de telastlegging A.2, niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; het arrest antwoordt immers niet op de appelconclusie van de eiseres waarin deze had aangevoerd dat niet zij maar wel de vereniging van mede-eigenaars de eigenares is van de gemene delen waarop die publiciteitsdragers zijn aangebracht, zodat enkel de vereniging van mede-eigenaars hiervoor beslissingsbevoegdheid had en in rechte kon worden aangesproken als eigenaar.
  36. Artikel 5 Gerechtelijk Wetboek is vreemd aan de in het middel aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
  37. Het arrest oordeelt niet alleen zoals het middel aanvoert. Het verwijst ook naar de redenen van het beroepen vonnis, waaronder deze waarin uitgebreid werd geantwoord op het verweer van de eisers dat niet zij maar wel de vereniging van mede-eigenaars de eigenares is van de gevels waarop de publiciteitsborden werden aangebracht (arrest, p. 26-27). Met die redenen van het beroepen vonnis, die de appelrechters uitdrukkelijk bijtreden en overnemen (arrest, p. 34, voorlaatste alinea), beantwoordt het arrest het in het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  38. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Achtste middel
  39. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en van de Wet Opdeciemen Geldboeten, zoals gewijzigd door de programmawet van 25 december 2016: met het oordeel dat de bewezenverklaarde misdrijven zich deels na 31 december 2016 situeren en werden gepleegd met eenheid van opzet, is de beslissing om de aan de eisers opgelegde geldboeten te verhogen met zeventig opdeciemen niet naar recht verantwoord; het arrest motiveert de eenheid van opzet niet, terwijl het om afzonderlijke misdrijven gaat; als datum van de misdrijven diende 1 januari 2016 in aanmerking te worden genomen, zodat de vóór 1 januari 2017 toepasselijke opdeciemen dienden te worden toegepast; bovendien heeft de stad Gent de voortdurende werking van het misdrijf in de hand gewerkt.
  40. De rechter oordeelt onaantastbaar of er eenheid van opzet bestaat tussen de verschillende feiten waaraan hij een beklaagde schuldig verklaart. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  41. Het middel komt voor het overige op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de eenheid van opzet waarmee de eisers de bewezenverklaarde feiten hebben gepleegd of verplicht dienaangaande tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  42. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 219,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 28 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.